RECHTBANK ROTTERDAM
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6171
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 25 september 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze tussenuitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiseres is afgewezen en eiseres is het daar niet mee eens. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel bij het afwijzen van de aanvraag van eiseres. De rechtbank stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid de gebreken te herstellen en houdt iedere verdere beslissing aan.
Procesverloop
2. Met drie besluiten van 14 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
Met het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 14 november 2022 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2011 en [geboortedatum 2] 2014. Eiseres heeft op 5 november 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met drie besluiten van 14 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2011 tot en met 2018 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie op de grond van vooringenomen handelen of hardheid. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij deze afwijzing gebleven. De Dienst Toeslagen stelt dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen omdat de wijzigingen van de kinderopvangtoeslag steeds het gevolg waren van wijzigingen in toetsingsinkomen, opvanguren of het gevolg waren van stopzettingen of wijzigingen die door eiseres zijn doorgegeven. Ook was er volgens de Dienst Toeslagen geen sprake van hardheid van het stelsel. De terugvorderingen die hebben plaatsgevonden pakten niet onevenredig hard uit in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Tot slot stelt de Dienst Toeslagen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming, omdat er geen opzet/grove schuld is vastgesteld bij eiseres en omdat niet is gebleken dat eiseres een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag.
Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
6. Eiseres betoogt dat zij recht heeft op compensatie op grond van hardheid dan wel recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming, omdat aan haar destijds geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend. Eiseres voert daartoe het volgende aan. In 2016 heeft zij schriftelijk om kwijtschelding van haar toeslagschuld verzocht. Vervolgens heeft zij telefonisch contact met de Dienst Toeslagen opgenomen over de terugbetaling. Daarbij heeft zij gevraagd naar kwijtschelding, meer tijd of een andere oplossing voor haar betalingsproblemen. Eiseres stelt dat haar telefonisch is meegedeeld dat kwijtschelding voor toeslagen niet mogelijk was en dat uitsluitend een standaard betalingsregeling van 24 maanden kon worden getroffen. Eiseres was niet bekend met de mogelijkheid van een persoonlijke betalingsregeling. In 2016 en 2018 zijn standaard betalingsregelingen van 24 maanden tot stand gekomen. Het niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling heeft volgens eiseres tot ernstige financiële problemen geleid, vooral gelet op de omvang van de terugvordering, haar beperkte financiële draagkracht en haar kwetsbare persoonlijke omstandigheden. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft onderzocht wat tijdens de contactmomenten is besproken en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Uit het dossier blijkt niet welke gegevensbronnen er door de Dienst Toeslagen zijn geraadpleegd, welke onderzoekshandelingen zijn verricht naar de telefonische contacten van eiseres met de Dienst Toeslagen en op grond waarvan is geconcludeerd dat er geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Daarbij heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026.
7. De Dienst Toeslagen betoogt dat eiseres geen O/GS-kwalificatie heeft gekregen over de toeslagjaren 2011 tot en met 2018 en dat eiseres geen verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft gedaan. Ter onderbouwing voert zij het volgende aan. Het Landelijk Incasso Centrum (LIC) heeft in 2024 onderzoek gedaan naar alle betalingsregelingen die eiseres heeft aangevraagd. Dit onderzoek toonde aan dat er alleen twee standaard betalingsregelingen voor de duur van 24 maanden in het systeem zijn geregistreerd. Beide regelingen zijn tot stand gekomen na telefonisch contact met eiseres op 27 juni 2016 respectievelijk 24 januari 2018. Niet is gebleken dat eiseres (ook) heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. De Dienst Toeslagen stelt verder dat een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling schriftelijk moet worden ingediend. Dit is niet gebeurd. De Dienst Toeslagen heeft een overzicht overlegd waarin eiseres' telefonische contacten sinds 6 mei 2013 zijn weergegeven.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beoordeling van het beroep van eiseres is van belang dat uit het dossier blijkt dat eiseres in 2016 en 2018 telefonisch contact heeft gehad over de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag en dat naar aanleiding daarvan een standaard betalingsregeling voor 24 maanden aan eiseres is toegekend. Daarmee staat vast dat eiseres in beide jaren contact heeft gehad over de terugbetaling van haar toeslagschuld. Deze contacten komen echter niet voor in de door de Dienst Toeslagen overgelegde overzicht van telefonische contactmomenten. De inhoud van deze contacten is evenmin uit het dossier af te leiden. De Dienst Toeslagen heeft verklaard dat geen inhoudelijke gespreksnotities van de Belastingtelefoon of het LIC beschikbaar zijn en toegelicht dat uit de geraadpleegde gegevens geen schriftelijk verzoek om een persoonlijke betalingsregeling naar voren is gekomen. Wel staat vast dat op beide momenten telefonisch contact heeft plaatsgevonden en dat daarna een betalingsregeling tot stand is gekomen.
De rechtbank acht het onvoldoende dat de Dienst Toeslagen concludeert dat geen schriftelijk verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is aangetroffen. Daarmee wordt immers niet opgehelderd wat eiseres tijdens de -door de Dienst Toeslagen erkende- telefonische contacten heeft gevraagd, welke informatie zij heeft gekregen, en waarom vervolgens standaard betalingsregelingen van 24 maanden zijn toegekend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres niet slechts heeft gesteld dat zij achteraf een persoonlijke betalingsregeling had gewenst. Zij heeft vanaf het begin gesteld dat zij vanwege haar financiële situatie om kwijtschelding heeft verzocht en, nadat haar was meegedeeld dat dit niet mogelijk was, aan de telefoon om ‘een andere oplossing’ of om ‘meer tijd’ heeft gevraagd. Zij was niet bekend met het onderscheid tussen standaard- en persoonlijke betalingsregelingen. Zij stelt dat haar verzoek materieel neerkwam op een verzoek om maatwerk en dat de Dienst Toeslagen daarin aanleiding had moeten zien om haar te informeren over de mogelijkheid van een persoonlijke betalingsregeling.
De rechtbank overweegt dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of de lezing van eiseres juist of onjuist is. Evenmin kan het ontbreken van een schriftelijk verzoek zonder meer aan eiseres worden tegengeworpen. Uit het dossier volgt niet welke telefoonnotities beschikbaar zijn, op welke contactmomenten deze betrekking hebben en welke informatie daaruit over eiseres' verzoeken kan worden afgeleid. Evenmin is duidelijk welke gegevens het LIC in 2024 heeft geraadpleegd en wat daaruit precies is gebleken. Ook verslaglegging van het verzoek tot kwijtschelding uit 2016 ontbreekt. Juist de vraag wat zij tijdens de erkende contactmomenten heeft gevraagd en hoe daarop is gereageerd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht. Zonder duidelijkheid over de inhoud en strekking van de contacten kan de rechtbank niet beoordelen welke betekenis daaraan moet worden toegekend en of de Dienst Toeslagen op basis daarvan tot de conclusies in het bestreden besluit heeft kunnen komen.
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met de verplichting de benodigde kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Er is ook sprake van een motiveringsgebrek, omdat de vaststelling in het bestreden besluit dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie of een O/GS-tegemoetkoming onvoldoende is onderbouwd. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
De Dienst Toeslagen zal daarom worden opgedragen nader onderzoek te verrichten naar de contacten tussen eiseres en de Dienst Toeslagen/het LIC in 2016 en 2018. Daarbij dient Dienst Toeslagen aan te geven op welke momenten deze contacten hebben plaatsgevonden, wat eiseres heeft gevraagd en welke informatie zij vervolgens vanuit de Dienst Toeslagen/het LIC heeft ontvangen. De Dienst Toeslagen moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van de Dienst Toeslagen (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over eiseres in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet de Dienst Toeslagen die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten van een zoekopdracht, onder vermelding van de gebruikte zoektermen en -parameters. Dit geldt in het bijzonder voor de beoordeling of eiseres om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht. De Dienst Toeslagen dient inzichtelijk te maken op welke basis die conclusie rust. Verder dient de Dienst Toeslagen toe te lichten hoe de twee standaard betalingsregelingen tot stand zijn gekomen en waarom de verzoeken van eiseres niet als verzoek om een persoonlijke betalingsregeling zijn aangemerkt. Tenslotte dient de Dienst Toeslagen na te gaan of er verslaglegging van het verzoek tot kwijtschelding uit 2016 beschikbaar is en deze verslaglegging, indien beschikbaar, te overleggen.
De rechtbank zal de beoordeling van de vraag welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden, waaronder de vraag of eiseres aanspraak heeft op een tegemoetkoming wegens een onterechte O/GS-kwalificatie dan wel compensatie wegens hardheid, vooralsnog aanhouden.
Conclusie en gevolgen
9. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om de Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen moet ook de ontbrekende op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
De Dienst Toeslagen moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de Dienst Toeslagen gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. In beginsel, ook in de situatie dat de Dienst Toeslagen de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.