Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Kantonrechter
Parketnummer: 10-021374-25
Datum zitting en uitspraak: 15 september 2026
Verstek
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ingeschreven op het adres [adres]
[postcode] [plaatsnaam].
Officier van justitie: mr. M. Ibrahim
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - een bivakmuts bij zich had waarvan aannemelijk was dat deze was meegebracht om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, op een openbare plaats, te weten: op en/of rond(om) de Stadionweg, een voorwerp en/of een stof, te weten: een bivakmuts, bij zich heeft gehad, heeft gedragen en/of heeft vervoerd, waarvan aannemelijk was dat deze was meegebracht en/of aanwezig was om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het tenlastegelegde feit.
Oordeel van de kantonrechter
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte
op 12 januari 2025 te Rotterdam, op een openbare plaats - rondom de Stadionweg -, een bivakmuts, bij zich heeft gehad waarvan aannemelijk was dat deze aanwezig was om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Eigen waarneming van de kantonrechter
In proces-verbaal van de politie met nummer [proces-verbaalnummer 1] zijn veertien processen-verbaal opgenomen. De inhoud van die processen-verbaal is (vrijwel) identiek en opgemaakt tegen veertien verschillende verdachten. Een van deze processen-verbaal is opgemaakt tegen de verdachte. De redengevende inhoud daarvan is hieronder opgenomen als bewijsmiddel nr. 2.
2. Proces-verbaal van de politie
Op 12 januari 2025 was ik belast met het toezicht rondom de voetbalwedstrijd Feyenoord - FC Utrecht die die dag in het Feyenoordstadion te Rotterdam zou worden gespeeld. Eerder die dag was bekend geworden dat er een supportersbus onderweg was vanuit Friesland naar het Feyenoordstadion. Van deze supporters die zich in deze bus bevonden was gezien en gehoord dat zij vuurwerk zouden hebben afgestoken bij een benzinestation waar de supportersbus onderweg even was gestopt. Het kenteken van deze bus was bekend en werd rijdend aangetroffen op de Stadionweg te Rotterdam. Hierop werd een nader onderzoek ingesteld naar de inzittenden van de deze bus. Op genoemde dag, tijd en plaats zag ik dat [verdachte], deel uitmaakte van de supporters die zich in deze bus bevonden en waarvan uit uiterlijke kenmerken was op te maken dat hij behoorde tot een supportersgroep van Feyenoord. Ik zag dat [verdachte] een trui droeg met daarop de tekst: Rotterdam Radicals. Ik zag dat in de capuchon van deze trui een zogenaamde bivakmuts zat vastgenaaid op een manier waarop deze stof over het gezicht kan worden getrokken. Deze gezichtsbedekkende kleding is zwart van kleur en heeft een afbeelding van een groen/wit masker erop. De bivakmuts is van een zeer dun materiaal gemaakt.
Op 12 januari 2025 werd [verdachte] door mij gehoord en verklaarde: ‘Ik vind het nergens op slaan. Je kan ze online bestellen en ik heb niet een keer mijn gezicht bedekt’
Bewijsmotivering
- Inleiding
Op 26 januari 2024 is de Algemene Plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV) gewijzigd. Bij die wijziging is artikel 2.1 lid 4 ingevoerd dat luidt:
‘Het is verboden op een openbare plaats, openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren.’
In de Toelichting op de APV is over dit artikel het navolgende opgenomen.
‘Met het verbod in het vierde lid kan worden opgetreden tegen voorwerpen en stoffen waarvan het aannemelijk is dat die aanwezig zijn of meegebracht zijn om gebruikt te worden bij verstoringen van de openbare orde. Hierbij valt te denken aan een bivakmuts, masker, verzwaarde handschoen, tok of sportbitje. Dit soort voorwerpen worden steeds vaker gebruikt door ordeverstoorders omdat tegen het bezit niet kan worden opgetreden door de politie. Dit wordt niet alleen geconstateerd rond voetbalwedstrijden, maar ook bij rellen/ongeregeldheden op andere plaatsen in de stad. Door het niet kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit soort voorwerpen of stoffen in verdachte omstandigheden is het mogelijk dat wangedrag, ook in anonimiteit, kan worden gepleegd. Met deze verbodsbepaling wordt beoogd om effectief en doelmatig tegen voorgenoemde problematiek op te treden. Handhaving van dit verbod is gericht op risicovolle evenementen (o.a. voetbal) of situaties met signalen voor ongeregeldheden.’
- Standpunt verdachte
In het verzetschrift tegen de door de officier van justitie opgelegde strafbeschikking stelt de verdachte dat het enkele voorhanden hebben van een kledingstuk dat potentieel gezichtsbedekkend kan zijn, zonder dat daar daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt, niet als een overtreding kan worden gekwalificeerd. Er moet aannemelijk zijn dat het voorwerp is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde te verstoren. Die aannemelijkheid ontbreekt in deze zaak volledig.
- Overwegingen kantonrechter
In het in 2024 ingevoerde verbod is - voorzover van belang - strafbaar gesteld het op een openbare plaats bij zich hebben van een voorwerp waarvan aannemelijk is dat dit is meegebracht om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
Tegen de achtergrond van de tekst van de strafbaarstelling en de inhoud van toelichting op de APV daarop is het enkele bij zich hebben van een voorwerp op een openbare plaats onvoldoende voor een bewezenverklaring. Voor een bewezenverklaring is nodig dat uit feiten en omstandigheden volgt dat aannemelijk is dat dat voorwerp is meegebracht met als doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren.
In dit geval heeft de verdachte in de hoodie die hij droeg een ingenaaide bivakmuts paraat gehad. Niet alleen de verdachte droeg zo’n hoodie maar nog dertien anderen die met dezelfde bus naar het Feyenoordstadion waren gekomen droegen zo’n (identiek) kledingstuk. Die middag zou de wedstrijd Feyenoord-FC Utrecht worden gespeeld. De supporters in die bus zouden onderweg naar Rotterdam vuurwerk hebben afgestoken bij een benzinestation.
De kantonrechter is van oordeel dat het samen met anderen bij zich dragen van (identieke) bivakmutsen die met één beweging het gezicht kunnen bedekken in een supportersgroep die als collectief optrtekt een eerste belangrijke aanwijzing is voor de genoemde aannemelijkheid van ordeverstoring. Dat de supportersgroep zich kort voor een (risico)wedstrijd in de directe omgeving van het Feyenoordstadion op deze manier manifesteert is een tweede belangrijke aanwijzing voor die aannemelijkheid. Deze omstandigheden bij elkaar genomen onderbouwen al in een voldoende mate de aannemelijkheid dat de bivakmuts door de verdachte niet was meegebracht tegen de kou, maar met als om doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren. Dat wordt nog versterkt door het feit dat bekend was dat de supportersgroep zich onderweg naar het Feyenoordstadion al wanordelijk had gedragen.
Als reactie op het gevoerde verweer overweegt de kantonrechter nog het volgende. Het zelfstandig of groepsgewijs voor het gezicht dragen van een bivakmuts kan zeker ook een omstandigheid zijn in de weging van de meergenoemde aannemelijkheid van ordeverstoring. Anders echter dan de verdachte stelt is dat voor een bewezenverklaring niet noodzakelijk. Ook is het daadwerkelijk verstoren van de openbare orde voor bewezenverklaring niet nodig. Als daarvan wel sprake is, is dat weer wel een belangrijke en zeer wel mogelijke doorslaggevende omstandigheid voor de meergenoemde aannemelijkheid van ordeverstoring.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit lever het volgende strafbare feit op: Overtreding van het bepaalde in artikel 2:1 lid 4 van de Algemene Plaatselijke Verordering Rotterdam 2012.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een geldboete van € 160,--.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in een groep een bivakmuts bij zich gedragen waarvan aannemelijk is dat hij die bij zich had om de openbare orde of veiligheid te verstoren. Dat is niet goed. Voor politie en justitie wordt het daadwerkelijke verstoring van de openbare orde en veiligheid moeilijk om verdachten op te sporen en te vervolgen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Gelet op de aard en ernst van het strafbare feit legt de rechtbank een geldboete van € 160,--. Daarbij merkt de kantonrechter op dat de geldboete niet hoger is dan de aan de verdachte aangeboden strafbeschikking. Hierbij heeft de kantonrechter meegewogen dat nog niet veel zaken als deze aan de kantonrechter zijn voorgelegd.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen artikel 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1 lid 4 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordering Rotterdam 2012.
6. Beslissingen
De kantonrechter:
Vernietiging strafbeschikking
vernietigt de strafbeschikking van 28 januari 2025 met parketnummer 10-021374-25;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 160,--;
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van drie (3) dagen.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, kantonrechter,
in tegenwoordigheid van R. Kuiters, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 september 2026.