Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.154953.26
Datum uitspraak: 23 september 2026
Datum zitting: 9 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in het [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.A.J. Brahm.
Officier van justitie: mr. L. Visser.
Benadeelde partij: [benadeelde] .
Kern van het vonnis
De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen, maar veroordeelt de verdachte wel voor een poging tot zware mishandeling. Tevens wordt de verdachte veroordeeld voor ernstige gevaarzetting op de weg en het verlaten van een plaats van ongeval. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 135 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk en verbindt daaraan bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd. Tevens ontzegt de rechtbank hem de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig voor de duur van 18 maanden.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft geprobeerd om een politieagent van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een auto op hem in te rijden. Verder wordt hij ervan beschuldigd dat hij ernstig gevaar op de weg heeft veroorzaakt door, terwijl hij onder invloed was van softdrugs, onder andere de maximumsnelheid te overtreden en een stopteken van de politieagent te negeren. Tot slot zou hij de plaats van het ongeval hebben verlaten.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op of omstreeks 28 mei 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] (in diens hoedanigheid als politieagent Rotterdam Rijnmond), van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto met onverminderde snelheid is ingereden op bovengenoemd slachtoffer [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
Hij op of omstreeks 28 mei 2026 te Rotterdam, [slachtoffer] (in diens hoedanigheid als politieagent Rotterdam Rijnmond), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door met een personenauto met onverminderde snelheid in te rijden op bovengenoemd slachtoffer [slachtoffer] ;
2
hij op 28 mei 2026 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke overtredingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar, - op de Van Swietenlaan tegen de richting heeft gereden en/of - met een hogere snelheid van (ongeveer) 50 kilometer per uur, in elk geval een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur heeft gereden, en/of nadat hem door een voor hem op de weg een politieambtenaar in een herkenbaar politie uniform een stopteken was gegeven en/of
- geen gevolg heeft gegeven aan dat stopteken en/of
-(vervolgens) tegen die politieambtenaar, genaamd [slachtoffer] is aangebotst of
aangereden,
waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van cannabis;
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was
geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Van Swietenlaan, op 28 mei 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.
2. Vrijspraak/bewijs
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag op een politieagent (impliciet primair onder 1) en moet worden veroordeeld voor poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair onder 1). Tevens moet de verdachte worden veroordeeld voor ernstige gevaarzetting (feit 2) en het verlaten van de plaats van het ongeval (feit 3). Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de poging doodslag als de poging tot zware mishandeling, omdat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van de politieagent of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1
Impliciet primair
De beschuldiging dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot eenzelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Impliciet subsidiair
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte niet op iemand is ingereden en dat alleen de voorband van de fiets van de agent is geraakt met de zijkant van het voertuig van de verdachte, en dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Vaststaat dat de verdachte met zijn auto sneller heeft gereden dan in de straat was toegestaan, dat hij tegen de verplichte rijrichting inreed, dat hij recht voor zich uitkeek en zonder snelheid te verminderen afreed op een dienstdoende politieagent die hem een stopteken had gegeven. Die agent verplaatste zich daarop opzij, maar stond met zijn fiets nog steeds gedeeltelijk op de weg. Vervolgens raakte de auto van de verdachte de fiets van de politieagent en reed hij met de auto over het voorwiel van de fiets. De politieagent heeft verklaard dat daarop de stangen van zijn fiets tegen zijn scheenbeen aankwamen. De verdachte reed toen meer dan de toegestane maximumsnelheid van 30 km/u.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen heeft de verdachte door met onverminderde snelheid op de agent af te rijden, willens en weten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het aanrijden van de politieagent. Dat die kans verminderde doordat de agent deels opzij is gestapt toen het gevaar naderde, is niet een omstandigheid die verandering brengt in de (voorwaardelijke) opzet van de verdachte zelf op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die agent. Het is verder een feit van algemene bekendheid dat het met een snelheid van boven de 30 km/u een persoon aanrijden zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben.
Er is daarom voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het verweer wordt verworpen.
Feiten 2 en 3
De verdachte heeft deze feiten op de terechtzitting bekend en de bewezenverklaring volgt ook uit de bewijsmiddelen in het dossier. Dit ligt anders voor de beschuldiging dat de verdachte de auto bestuurde terwijl hij onder invloed was van softdrugs. Hiervoor ziet de rechtbank onvoldoende bewijs in het dossier nu zijn bloeduitslag onder de grenswaarde voor cannabis in het verkeer bleef. De verdachte zal daarom voor dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Aangezien de verdediging voor het overige van deze feiten geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank de bewezenverklaring verder niet motiveren.
Bewezenverklaring en de bewijsmiddelen.
De beschuldiging onder 1 impliciet subsidiair van poging tot zware mishandeling is wettig en overtuigend bewezen, evenals de beschuldigingen onder 2 en 3.
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring van de beschuldiging onder 1 impliciet primair, 2 en 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1. Verklaring van de verdachte Ik ben met een snelheid van meer dan 30 km per uur tegen het verkeer ingereden. Ik merkte dat ik iets raakte, maar ik ben doorgereden.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangever
Ik doe aangifte van poging doodslag tijdens het werken in mijn rechtmatige uitoefening van bediening als politieambtenaar. Door de aanrijding heb ik pijn aan mijn scheen. Ik zag dat hij [de rechtbank begrijpt: de verdachte] op mij afreed en mij in mijn ogen aankeek, waardoor ik erg bang was en enorm ben geschrokken.
3. Proces-verbaal van de politieOp 28 mei 2026 omstreeks 19.28 uur fietste ik op de Van Swietenlaan ter hoogte van huisnummer [huisnummer X] . Ik zag dat op de Van Swietenlaan ter hoogte van de Van Swietenhof een zwarte Volkswagen reed. Ik had het vermoeden dat deze met een aanzienlijk hogere snelheid reed dan ter plaatse was toegestaan. Ik zag dat het voertuig tegen de richting in reed. Ik maakte vervolgens een stopteken. Ik zag dat het voertuig nog steeds op mij af reed, niet aan het stopteken voldeed en dat het voertuig niet in snelheid verminderde. Ik gaf vervolgens nog een stopteken. Vervolgens besloot ik om mijzelf iets naar links te positioneren. Ik verplaatste de fiets ongeveer een halve meter naar links, en ik stapte vervolgens aan de linkerzijde van mijn fiets af. Ik zag dat de bestuurder van het voertuig mij aan keek en dat hij doorreed. Ik zag dat de zwarte Volkswagen mijn fiets raakte tegen het voorwiel en dat hij met zijn voorwiel over de wiel van mijn fiets reed. Ik voelde dat de stangen van de fiets tegen mijn scheenbeen aan kwam. Ik schrok hier erg van en besefte dat ik zojuist was aangereden. Ik zag dat hij kort om zich heen keek en dat hij vervolgens richting de Goereesestraat rende. Ik zag dat het voertuig onbeheerd achter bleef.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de getuige [getuige 1] Op 28 mei 2026 omstreeks 19.30 uur stond ik in de Van Swietenlaan te Rotterdam. Ik zag dat een volkswagen Golf erg snel de straat in reed. Ik zag dat de politieagent een stopteken gaf. Ik zag dat de auto doorreed. Ik zag dat de auto met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur verder reed.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de getuige [getuige 2] Op 28 mei 2026 omstreeks 19.30 uur reed ik door de Van Swietenlaan te Rotterdam. Ik kwam uit de richting van de Zuidewijdestraat en ging in de richting van de Carnissesingel. Op dat moment zag ik dat een zwarte Volkswagen de Van Swietenlaan in reed, komende van de Carnissesingel. De auto reed erg roekeloos en remde niet af. Ik hoorde een klap en zag een fiets op de grond liggen en een politieagent erbij. Ik zag dat de auto wegreed in de richting van de Zuidewijdestraat.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 28 mei 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] in diens hoedanigheid als politieagent Rotterdam Rijnmond, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een personenauto met onverminderde snelheid is ingereden op bovengenoemd slachtoffer [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 28 mei 2026 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op een voor openbaar verkeer openstaande weg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke overtredingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar, op de Van Swietenlaan tegen de richting heeft gereden en met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur heeft gereden, en nadat hem door een voor hem op de weg staande politieambtenaar in een herkenbaar politie uniform een stopteken was gegeven geen gevolg heeft gegeven aan dat stopteken door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
3
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was
geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Van Swietenlaan, op 28 mei 2026 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander te weten [slachtoffer] schade was toegebracht.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
de eendaadse samenloop van:
1.
(impliciet subsidiair)
poging zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
en
2.
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
3.
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van twee jaar. Tevens moet aan de verdachte de bevoegdheid om een motorvoertuig te besturen worden ontzegd voor de duur van 18 maanden.
Standpunt van de verdediging
De op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden beperkt tot de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van anderhalve maand, zodat de hulpverlening zo spoedig mogelijk van start kan gaan. De verdachte staat open voor begeleiding.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft als bestuurder van een auto geprobeerd een dienstdoende politieagent zwaar te mishandelen, heeft gevaarlijk rijgedrag vertoond en is vervolgens na een aanrijding met (blik)schade en letsel gevlucht. De verdachte reed met een hogere snelheid dan de daar toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur tegen de verplichte rijrichting in. Daarbij heeft hij een stopteken van een dienstdoende politieagent, die daar met zijn fiets op de weg stond, genegeerd en is zonder vaart te minderen tegen en over het voorwiel van de fiets van de politieagent gereden. De fiets is daarbij beschadigd geraakt. De verdachte is vervolgens zonder te stoppen doorgereden en heeft een straat verder zijn voertuig verlaten. Dat de politieagent afgezien van pijn aan zijn scheenbeen niet gewond is geraakt, komt doordat hij een stap opzij deed en is dus niet te danken aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd en heeft de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Hij heeft met zijn handelen zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van hen niet in acht genomen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 28 augustus 2026 staat samengevat het volgende. Er zijn zorgen op meerdere leefgebieden van de verdachte. Hij heeft geen structurele dagbesteding, geen inkomen en hij heeft schulden. Er zijn risicofactoren op het gebied van zijn sociale netwerk en psychosociaal functioneren en hij lijkt keuzes te maken met voor hem negatieve gevolgen. De reclassering schat het recidiverisico als gemiddeld tot hoog in. Bij de oplegging van een deels voorwaardelijke straf adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden daaraan te verbinden: een meldplicht bij de reclassering, de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en ambulante begeleiding.
Oplegging straffen en maatregel
Straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel noodzakelijk. Dat wordt onderstreept door uitspraken in soortgelijke zaken die rechtbanken eerder hebben gedaan. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee gehouden dat de verdachte erkend heeft dat hij meerdere verkeersfouten heeft gemaakt en dat het niet verstandig was om na het ongeval zonder te stoppen door te rijden, en dat hij aangeeft destijds op het bureau al zijn excuses te hebben aangeboden aan de politieagent. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ziet daarnaast in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit het reclasseringsrapport blijken, aanleiding om een deel van die voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen, met de voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. De verdachte heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken. Gelet op de gegeven adviezen zal de rechtbank aan Reclassering Nederland opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Hiermee kan echter niet worden volstaan omdat dit onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Daarom wordt daarnaast ook een taakstraf van 60 uur opgelegd en wordt de verdachte de bevoegdheid ontzegd om een voertuig te besturen voor na te noemen duur.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen:
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van honderdvijfendertig (135) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van zestig (60) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van dertig (30) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat dertig (30) dagen van de opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam;
2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
3. de verdachte laat zich begeleiden door Coach Vooruit of door een soortgelijke (forensische) zorgverlener of hulpverlenende instantie, te bepalen door de reclassering. De verdachte geeft de reclassering toestemming om met zijn begeleider informatie aangaande begeleiding uit te kunnen wisselen. De begeleiding start zo snel mogelijk. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van achttien (18) maanden.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en M.A. Loenen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 september 2026.
Mr. M.A. Loenen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.