Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 09.368304.24
Datum uitspraak: 23 september 2026
Datum zitting: 9 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres
[adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. D.M.P. van Eijsden
Officier van justitie: mr. M.A. Visser
Benadeelde partijen:
Kern van het vonnis
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor verduistering uit hoofde van haar beroep als bewindvoerder, gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Zij legt een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd. Als bijkomende straf wordt een beroepsverbod opgelegd, inhoudende dat verdachte voor een periode van vijf jaar wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep als gerechtelijk bewindvoerder, budgetbeheerder of financieel adviseur.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat - zich als bewindvoerder schuldig heeft gemaakt aan verduistering van geld van haar cliënten, aan vervalsing van een brief, dat zij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen, en dat zij [slachtoffer 16] (hierna: de Stichting) meermalen heeft opgelicht.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
zij (al dan niet handelend onder de naam [naambewindvoerderskantoor] ) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 januari 2017 tot en met 20 november 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een of meer geldbedragen, te weten:
- 33.341 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , en/of
- 31.799 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , en/of
- 34.660 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , en/of
- 27.253 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , en/of
- 20.720 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , en/of
- 81.458 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , en/of
- 25.363 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , en/of
- 52.330 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , en/of
- 64.943 euro (63.118 + 1.825 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10]
en/of [slachtoffer 11] , en/of
- 3.705 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12] , en/of
- 5.198 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13] , en/of
- 5.897 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 14] , en/of
- 4.621 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 15] ,
(in totaal (ongeveer) 391.288 euro, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte), en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van haar beroep en/of tegen geldelijke vergoeding en/of als bewindvoerder, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 juni 2020 tot en met
12 juli 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van in totaal 208.215,euro,althans enig geldbedrag, heeft overgedragen en/ of omgezet en/ of van dat/ die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
3
zij in of omstreeks de periode van 9 april 2024 tot en met 3 mei 2024 te Rotterdam,
althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief gedateerd 9 april 2024 gericht aan de rechtbank Den Haag inzake het intrekken van het verzoek tot wijziging van het bewind, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door de brief te voorzien van de naam van [slachtoffer 1] en/of een handtekening, welke moest doorgaan voor de naam/handtekening van [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te
doen gebruiken;
4
zij (al dan niet handelend onder de naam [naambewindvoerderskantoor] ) in of omstreeks de periode
van 08 augustus 2023 tot en met 23 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 16] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te
weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 19.950 euro), althans enig geldbedrag,
door ten name van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] en/ [slachtoffer 7]
en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 9] , een of meer aanvragen voor een
financiële bijdrage in te dienen bij [slachtoffer 16] waarbij in
de aanvragen valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid gegevens zijn opgenomen, te weten:
- onjuiste geboortedata van kinderen en/of
- namen van niet-bestaande kinderen, althans namen van kinderen die niet van de
aanvragers waren,
om op die wijze valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid – te presenteren en/ of voor te doen dat die aanvragers aanspraak en/ of recht konden maken op een financiële bijdrage van [slachtoffer 16] en/of dat aan de voorwaarden en/of eisen werd voldaan om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage van [slachtoffer 16] terwijl zij hier geen recht op hadden, waardoor [slachtoffer 16] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging voert geen verweer tegen de bewezenverklaring van feit 1. De verdediging voert evenmin verweer tegen feit 2 voor zover dat ziet op het witwassen. Wel wordt vrijspraak bepleit van het onderdeel “gewoonte maken”. De verdediging bepleit voorts vrijspraak voor feit 3 en ten aanzien van feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover van belang zal het standpunt van de verdediging bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte geldbedragen heeft verduisterd en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en oplichting. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
Feit 1
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Mede in het licht bezien dat de verdediging stelt dat de verdachte de juistheid van de beschuldiging bevestigt, accepteert de rechtbank dit als een bekennende verklaring. Aangezien er ook geen vrijspraak is bepleit voor dit feit zijn de bewijsmiddelen wel genoemd in bijlage 1, maar niet uitgeschreven.
Wel gaat de rechtbank, met de Officier van Justitie en de verdediging, er voor de bewezenverklaring van uit dat op de in de tenlastelegging genoemde bedragen onder feit 1 de door de kantonrechter middels beschikkingen vastgestelde vergoedingen voor de verdachte, daarop in mindering moeten worden gebracht. Daarnaast gaat de rechtbank uit van een hogere vergoeding voor het echtpaar Kuruoglu dan waarmee in de berekening door de politie rekening is gehouden, zoals ook door de Officier van Justitie is gerekwireerd.
Feiten 2, 3 en 4
De bewezenverklaring van feit 2, 3 en 4 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
Feit 2
Uit de stukken in het dossier volgt dat de verdachte, ondanks dat zij in de tenlastegelegde periode nagenoeg geen inkomen had en haar banktegoeden nihil waren, geldbedragen van in totaal ruim twee ton overboekte naar de bankrekening van [medeverdachte] in Kroatië. Aangezien verdachte, gelet op de bewezenverklaring van feit 1, over geld van haar cliënten voor een bedrag van ruim vier ton kon beschikken, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte het uit verduistering afkomstige geld, aldus geld dat een criminele herkomst heeft, hiervoor heeft aangewend. Dat op enig moment (mogelijk) vermenging heeft plaatsgevonden met haar eigen vermogen, uit de verkoop van haar woning, maakt dit oordeel niet anders. Wel zal de rechtbank een kortere periode en een lager bedrag bewezen verklaren, aangezien een aantal overboekingen naar [medeverdachte] een legale herkomst hadden (respectievelijk van € 5.000 en € 1.700), zoals ook gerekwireerd is door de Officier van Justitie.
De verdachte heeft, anders dan door de verdediging is bepleit, ook een gewoonte gemaakt van het witwassen. Dat volgt uit de bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat de verdachte voor langere tijd, structureel en met een hoge frequentie geldbedragen van veel van haar cliënten via haar eigen bankrekeningen heeft overgeboekt naar de bankrekening van [medeverdachte] .
Feit 3
Uit de stukken in het dossier blijkt dat er een brief is gestuurd naar de rechtbank Den Haag uit naam van de onder bewind gestelde [slachtoffer 1] met het verzoek om de verdachte aan te houden als bewindvoerder. Een kopie van die brief is aangetroffen op de computer van de verdachte. De verdachte erkent die brief te hebben opgesteld met de bedoeling die te versturen. Voor zover zij heeft verklaard dat zij deze heeft opgesteld in samenspraak met [slachtoffer 1] en diens zus, wordt dit ontkend door [slachtoffer 1] en vindt de verklaring van de verdachte ook overigens geen steun in de stukken van het dossier. Haar verklaring wordt daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte dit stuk valselijk heeft opgemaakt door de brief te voorzien van de naam van [slachtoffer 1] . Niet kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die de valse handtekening van [slachtoffer 1] ook heeft geplaatst. Van dit onderdeel zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.
Feit 4
Aangezien de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van oplichting en dit ook steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier, zal dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
zij (al dan niet handelend onder de naam [naambewindvoerderskantoor] ) op tijdstippen in de periode van 23 mei 2017 tot en met 26 augustus 2024, in Nederland opzettelijk geldbedragen, te weten:
- 32.588,60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en
- 31.266 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en
- 34.140,60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] , en
- 26.733,60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en
- 19.980,60 euro toebehorende aan [slachtoffer 5] , en
- 78.954,70 euro, toebehorende aan [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] , en
- 24.843,60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 8] , en/of
- 51.323,70 euro, toebehorende aan [slachtoffer 9] , en
- 64.943 euro (63.118 + 1.825 euro), toebehorende aan [slachtoffer 10]
en. [slachtoffer 11] , en
- 2.937,60 euro, toebehorende aan [slachtoffer 12] , en
- 1.927 euro, toebehorende aan [slachtoffer 13] , en
- 5.693 euro, toebehorende aan [slachtoffer 14] , en
- 4.417 euro, toebehorende aan [slachtoffer 15] ,
in totaal ongeveer 379.749 euro, toebehorende aan anderen dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van haar beroep en/of tegen geldelijke vergoeding en/of als bewindvoerder, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
zij op tijdstippen in de periode van 29 juni 2020 tot en met 12 juli 2024, te Rotterdam, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 201.515 euro, heeft overgedragen en van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
3
zij in de periode van 9 april 2024 tot en met 3 mei 2024 te Rotterdam, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief gedateerd 9 april 2024 gericht aan de rechtbank Den Haag inzake het intrekken van het verzoek tot wijziging van het bewind, valselijk heeft opgemaakt door de brief te voorzien van de naam van [slachtoffer 1] , welke moest doorgaan voor de naam van [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;
4
zij al dan niet handelend onder de naam [naambewindvoerderskantoor] in de periode van 08 augustus 2023 tot en met 23 december 2023 te Rotterdam, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen [slachtoffer 16] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedragen van in totaal 19.950 euro door ten name van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]
en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] , een of meer aanvragen voor een financiële bijdrage in te dienen bij [slachtoffer 16] waarbij in de aanvragen valselijk en in strijd met de waarheid gegevens zijn opgenomen, te weten:
- onjuiste geboortedata van kinderen en
- namen van niet-bestaande kinderen, althans namen van kinderen die niet van de
aanvragers waren,
om op die wijze valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid - te presenteren en/ of voor te doen dat die aanvragers aanspraak en/ of recht konden maken op een financiële bijdrage van [slachtoffer 16] en/of dat aan de voorwaarden en/of eisen werd voldaan om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage van [slachtoffer 16] terwijl zij hier geen recht op hadden, waardoor [slachtoffer 16] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
verduistering gepleegd door diegene die het goed uit hoofde van diens beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;
2.
gewoontewitwassen;
3.
valsheid in geschrift;
4.
oplichting, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Als bijkomende straf vordert de officier van justitie ontzetting van het recht om het beroep van gerechtelijk bewindvoerder, het beroep van budgetbeheerder of financieel adviseur uit te oefenen voor de duur van 5 jaar.
Standpunt van de verdediging
Bij een strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de psychische problematiek. Zij heeft zich vrijwillig onder behandeling laten stellen en heeft haar verantwoordelijkheid genomen. Daarom dient te worden volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met daarbovenop een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden, een proeftijd van drie jaar en daarnaast eventueel nog een forse taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
Verdachte heeft in een periode van ongeveer acht jaar als bewindvoerder, vanuit haar bedrijf [naambewindvoerderskantoor] , geld verduisterd van haar cliënten door ten onrechte geldbedragen van de bankrekeningen van die cliënten over te maken naar haar eigen bankrekeningen. Met dit handelen heeft verdachte in ernstige mate jarenlang misbruik gemaakt van kwetsbare mensen en van het vertrouwen dat in haar was gesteld als bewindvoerder. Een groot aantal van de cliënten van verdachte is door haar handelen verder in de financiële problemen geraakt. Er is bij een aantal van deze cliënten bijvoorbeeld sprake geweest van het verder oplopen van huurachterstanden hetgeen in een enkel geval zelfs heeft geleid tot het uitzetten uit de eigen woning. Het op deze wijze misbruik maken en uitbuiten van zwakkeren in de samenleving die al weinig te besteden hebben en nota bene juist de verdachte toegewezen kregen om ze financieel te helpen, is iets wat de verdachte door de rechtbank zeer zwaar wordt aangerekend.
Daarnaast heeft verdachte een groot deel van de verduisterde bedragen van haar cliënten witgewassen door deze bedragen over te maken naar een Kroatische bankrekening. Verdachte heeft die geldbedragen met een hoge frequentie en gedurende een periode van ruim vier jaar overgemaakt. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat zij zich heeft laten meeslepen door een vriendin, [medeverdachte] , om geld te investeren en dat het in die periode psychisch niet goed met haar ging. Tevens verklaarde verdachte dat zij door deze vriendin werd bedreigd en mede om die reden geldbedragen heeft overgemaakt. Verdachte heeft op zitting niet overtuigend kunnen uitleggen dat zij werd bedreigd en dat om die reden geldbedragen zijn overgemaakt. Ook het strafdossier geeft daar geen aanleiding toe. De veelvuldige communicatie tussen de verdachte en genoemde [medeverdachte] is veelal juist liefdevol van aard en geeft geen enkel blijk van enige bedreiging. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte daarom niet aannemelijk.
Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervalsen van een brief die is ingediend in de ontslagprocedure van verdachte als bewindvoerder van een van haar cliënten. Daarmee heeft verdachte de indruk willen wekken alsof het (eerder) ingediende ontslagverzoek door haar cliënt, door hemzelf met deze brief werd ingetrokken.
Ten slotte heeft verdachte de [slachtoffer 16] meermaals opgelicht. Verdachte heeft dit gedaan door namens meerdere van haar cliënten aanvragen in te dienen voor een financiële bijdrage bij de Stichting terwijl zij daar geen recht op hadden. In deze aanvragen is door verdachte bewust onjuiste informatie vermeld en op die wijze is de Stichting valselijk bewogen tot afgifte van financiële bijdragen aan deze personen. In totaal is er door de Stichting een bedrag van €19.950 onrechtmatig uitgekeerd.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 3 juli 2025 staat samengevat het volgende.
Verdachte ontkent een deel van de tenlastelegging en beroept zich daarbij op geheugenverlies. Hierdoor was een delict analyse niet mogelijk en kan de reclassering geen goede inschatting van het risico op recidive maken. De reclassering sluit niet uit dat het geheugenverlies onderdeel is van de proceshouding van verdachte. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, ziet de reclassering mogelijke risico's in haar gewetensvorming en haar houding, waarbij het niet duidelijk is geworden in hoeverre er sprake is van een pro-criminele houding. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een verbod op bepaalde werkzaamheden. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering acht de kans op een misdrijf met (financiële) schade voor personen groot en adviseert om die reden dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
Rapport Forensisch Maatwerk
Daarnaast heeft de verdediging een rapport door Forensisch Maatwerk laten opstellen. In dat rapport van 25 augustus 2026 staat samengevat het volgende. Verdachte verwijst naar langdurige cliëntendruk, psychische klachten en een mogelijk jeugdtrauma. De psychische klachten worden in belangrijke mate ondersteund door het behandelverslag van Lenn Zorgt. Binnen het onderzoek door Forensisch Maatwerk is geen aanvullend onderzoek verricht naar een mogelijk trauma of naar de aard van de door betrokkene beschreven geheugenklachten. Deze klachten zijn daardoor niet nader te duiden. Een concrete recidivekans is op basis van de beschikbare gegevens niet betrouwbaar vast te
stellen. Verdachte is niet langer werkzaam als bewindvoerder, heeft daarmee geen toegang
meer tot gelden van onder bewind gestelde personen en verricht sinds eind 2024
werkzaamheden in een ander vakgebied. Bij een eventuele bewezenverklaring kunnen afspraken over (financiële) functies worden overwogen. Behandeling kan zich volgens Forensisch Maatwerk richten op coping onder druk, het tijdig aangeven van grenzen en het inschakelen van hulp.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort houdt de rekening ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De stelselmatigheid waarmee verdachte geldbedragen heeft verduisterd van haar kwetsbare cliënten en de lange duur van de bewezenverklaarde periode zowel ten aanzien van de verduistering als van het gewoontewitwassen, maken dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden zou zijn geweest. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat de verdachte weliswaar heeft gezegd dat ze vindt dat de slachtoffers “onder haar verantwoordelijkheid zijn gedupeerd”, maar dat zij verder geen verantwoordelijkheid voor haar daden neemt of er enig inzicht in toont. Ze beroept zich op geheugenverlies en op haar uitgeoefende druk in die periode van haar leven en de stelling dat ze zich niet kan voorstellen dat zij zulke omvangrijke bedragen zou hebben overgemaakt. Ook heeft ze verklaard dat het haar intentie was het geld te investeren en de winst daarvan juist ten goede te laten komen aan haar cliënten. De rechtbank rekent haar dit gebrek aan schuldbesef zwaar aan. In dat opzicht acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf dan ook passend. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf echter ook rekening met de belangen van de slachtoffers in deze strafzaak. Die belangen bestaan er onder andere uit dat zo spoedig mogelijk gestart moet worden met de terugbetaling aan de slachtoffers door verdachte. De rechtbank vindt het - mede vanwege de kwetsbaarheid van de slachtoffers - belangrijk dat op niet al te lange termijn een begin kan worden gemaakt met terugbetaling door de verdachte aan hen. Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis van verdachte, ruim zes maanden, zoals door de verdediging bepleit, verdraagt zich echter niet met voornoemde aard en ernst van de feiten en doet volgens de rechtbank onvoldoende recht aan de doelstelling van vergelding.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, te weten een meldplicht en ambulante behandeling. De bijzondere voorwaarden zijn ook noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Naast deze gevangenisstraf, acht de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, ook het opleggen van een taakstraf van 240 uur passend en geboden.
Bijkomende straf
Conform de eis van de officier van justitie, zal de rechtbank verdachte ook als bijkomende straf ontzetten van de het recht om het beroep van gerechtelijk bewindvoerder, het beroep van budgetbeheerder of financieel adviseur uit te oefenen voor de duur van vijf jaar na het uitzitten van haar straf. Dat verdachte heeft aangegeven niet meer werkzaam te willen zijn als bewindvoerder en momenteel werkzaam is in een geheel ander vakgebied, doet niet af aan de noodzaak voor deze bijkomende straf.
5. In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen die nog niet terug zijn naar de verdachte en waarover een beslissing moet worden genomen.
Standpunt van de officier van justitie
De hiervoor genoemde voorwerpen moeten worden verbeurd verklaard dan wel worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De in beslag genomen voorwerpen moeten aan de verdachte worden teruggegeven. Er zijn geen strafvorderlijke belangen die zich daartegen verzetten.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor de feiten worden de in beslag genomen HP Computer, twee USB sticks en de harddisk verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Deze voorwerpen zijn ook vatbaar voor verbeurdverklaring.
De strafbare feiten zijn met behulp van deze voorwerpen gepleegd.
De voorwerpen behoren aan de verdachte toe.
6. Vorderingen van de benadeelde partijen
De vorderingen
De benadeelde partijen zoals vermeld in de onderstaande tabel hebben voor feit 1 een vergoeding voor materiële schade en/of een vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Naam
vordering materiële schade
vordering immateriële schade
Vergoeding proceskosten
[slachtoffer 1]
€ 32.588,60
[slachtoffer 2]
€ 41.220,-/
€ 31.799,-
€ 533,-
[slachtoffer 3]
€ 44.081,-
€ 1.000,-
[slachtoffer 5]
€ 31.569,-
€ 4.000,-
[slachtoffer 7] / [slachtoffer 6]
€ 90.881,-
€ 1.000,- per persoon
[slachtoffer 10]
€ 63.118,-
[slachtoffer 11]
€ 1.825,-
€ 4.000,-
[slachtoffer 12]
€ 11.235,63
€ 4.000,-
[slachtoffer 13]
€ 11.510,-
€ 4.000,-
[slachtoffer 14]
€ 45.520,-
[slachtoffer 15]
€ 10.600,-
€ 50,- telefoonkosten
De benadeelde partij [slachtoffer 16] heeft voor feit 4 een vergoeding voor materiële schade gevorderd voor een bedrag van € 33.645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft zij vergoeding van proceskosten gevorderd voor een bedrag van € 1.703,- aan kosten voor een advocaat.
Oordeel van de rechtbank
Vorderingen onder bewind gestelden
6.2.1.1. Standpunten
Door verschillende benadeelde partijen zijn (nagenoeg) dezelfde standpunten ingenomen ter onderbouwing van hun respectievelijke vorderingen. De rechtbank zal daarom, voordat zij de vorderingen per benadeelde partij bespreekt, eerst een aantal algemene overwegingen daaraan wijden, waarbij - voor zover van belang - tevens het door de Officier van Justitie en de verdediging aangevoerde naar voren komt.
6.2.1.2. Verduisterde gelden
Verreweg de meest benadeelde partijen hebben hun vordering gestoeld op de door de verdachte gepleegde verduistering in haar hoedanigheid als hun bewindvoerder. Op grond van artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek is een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien die in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet en die tekortkoming de bewindvoerder kan worden toegerekend. Met de benadeelde partijen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, als gevolg van de stelselmatige verduistering van hun gelden, te kort heeft geschoten in de zorg die van haar verwacht mocht worden en dit haar ook kan worden toegerekend. Die tekortkoming is gelegen in het bewezenverklaarde strafbare feit en houdt daar dus ook rechtstreeks mee verband. De bedragen zoals genoemd in de tenlastelegging zijn daarom in beginsel toewijsbaar.
Op die in de tenlastelegging genoemde bedragen is echter de (maximale) vergoeding die de verdachte als bewindvoerder zou krijgen, in mindering gebracht. Aangevoerd is dat, gelet op het gevoerde wanbeleid van de verdachte als bewindvoerder, zij daarop geen recht zou (moeten) hebben en deze vergoeding daarom opgeteld zou moeten worden bij de bedragen zoals die genoemd zijn in de tenlastelegging. De verdediging heeft dit betwist en ter terechtzitting gesteld dat de verdachte meerdere jaren bewindvoerder is geweest en ook goed werk heeft verricht en er geen (juridische) grondslag is om haar de vergoeding als bewindvoerder te onthouden.
Alhoewel de rechtbank met de benadeelde partijen van oordeel is dat de verdachte haar taak als bewindvoerder onbehoorlijk heeft vervuld kan zij dit deel van de vorderingen niet toewijzen. Het salaris van de bewindvoerder wordt vastgesteld door de kantonrechter (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, artikel 3, lid 1). In het strafdossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt of, en zo ja, op welk bedrag de kantonrechter het salaris van de verdachte als bewindvoerder heeft vastgesteld en welke overwegingen daaraan ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast wordt het salaris van de bewindvoerder, doorgaans, vergoed door de gemeente. Niet gesteld, noch gebleken is dat de verschillende gemeentes deze vergoedingen hebben teruggevorderd bij de benadeelde partijen, waarbij zich dan de vraag opdringt of de benadeelde partijen in dat geval wel schade hebben geleden en tevens of zij deze bedragen wel kunnen terugvorderen van de verdachte, of dat de respectievelijke gemeentes de schade leidende partij zijn in dezen. Het voorgaande geldt ook voor de blijkens AMB-148 toegekende, aanvullende vergoedingen aan de verdachte.
Al het bovenstaande brengt met zich dat beoordeling van dit deel van de vorderingen dat ziet op het meer gevorderde dan de bewezenverklaarde bedragen, een nader onderzoek vergt en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt en dat dat deel van de vorderingen daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard en bij de civiele rechter kan worden aangebracht.
6.2.1.3. Immateriële schade
Door verschillende partijen is een vordering ingediend, met als grondslag een aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106, lid 1 onder b, Burgerlijk Wetboek). Daarbij is onder meer verwezen naar de bestaande jurisprudentie daarover. In het bijzonder is aangevoerd dat de ‘aard en ernst van de normschending’ (zie: ECLI:NL:HR:2019:793) voldoende is om de gesteld (psychische) schade aan te nemen. Daarnaast is verwezen naar de Rotterdamse Schaal van de Erasmus Universiteit, onder 14.1 (d), ‘minder ernstig geestelijk letsel’.
In het genoemde standaardarrest uit 2019 volgt dat het uitgangspunt voor een dergelijke vordering is dat zij slechts toewijsbaar is als zij voldoende is onderbouwd met concrete gegevens waaruit de gestelde psychische schade, als gevolg van het strafbare feit, naar objectieve maatstaven is vast te stellen. Bijvoorbeeld een psychologische rapport kan een dergelijke onderbouwing vormen, indien daaruit het psychische letsel, gediagnosticeerd, volgt en tevens dat dit letsel is ontstaan door het strafbare feit. De rechtbank stelt ten eerste vast dat geen van de benadeelde partijen de gestelde psychische schade als gevolg van het strafbare feit, voldoende heeft onderbouwd op deze wijze. Ook overgelegde stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om de gestelde psychische schade als gevolg van het strafbare feit, objectief vast te stellen. Bijvoorbeeld de door één benadeelde partij overgelegde verklaring van een praktijkondersteuner van de huisarts, waaruit slechts volgt dat gestelde reeds bestaande stemmingsklachten (zonder officiële diagnose) zouden zijn verergerd door het strafbare feit, is daarvoor onvoldoende onderbouwing.
In hetzelfde arrest uit 2019 geeft de Hoge Raad verder aan dat slechts als de aard en de ernst van de normschending mee brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, voornoemde onderbouwing achterwege kan blijven. Dit betreft dus de uitzondering op de regel en uit de jurisprudentie van de Hoge Raad nadien blijkt ook dat het daarbij gaat om zeer ernstige delicten, zoals verkrachting (ECLI:NL:HR:2021:1496) en poging moord (ECLI:NL:HR:2024:951). Minder ernstige delicten zullen niet snel voldoen aan dit criterium (vgl. ECLI:NL:HR:2026:48).
Ook in deze zaak is de bewezenverklaarde verduistering door de bewindvoerder van de benadeelde partijen, wat de grondslag vormt voor de gestelde psychische schade, niet van dien aard dat de relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon eenvoudigweg kan worden aangenomen, zonder deugdelijke onderbouwing daarvan (zie in die zin ook: ECLI:NL:GHSHE:2026:804). Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partijen in hun vordering voor zover dit betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren en de schadevergoedingsmaatregelen voor zover dit betrekking heeft op immateriële schade aanpassen.
Bij de toewijzing van de vorderingen wordt met al het voorgaande rekening gehouden. Om die reden zullen de volgende bedragen per benadeelde partij worden toegewezen als materiële schade:
[slachtoffer 1] : € 32.588,60
[slachtoffer 2] : € 31.266
[slachtoffer 3] : € 34.140,60
[slachtoffer 5] : € 19.980,60
[slachtoffer 6] . en [slachtoffer 7] € 78.954,70
[slachtoffer 10] € 63.118
[slachtoffer 11] € 1.825
[slachtoffer 12] € 2.973,60
[slachtoffer 13] € 1.927
[slachtoffer 14] € 5.693
[slachtoffer 15] € 4.417
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 13] is er nog een bedrag ad € 500 in mindering gebracht nu deze daarover tegen de verdachte gezegd heeft dat zij dat mocht houden. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 15] worden de gevorderde € 50 aan kosten hulp, telefoon en OV, niet-ontvankelijk verklaard bij gebreke aan voldoende onderbouwing.
Voor het door de benadeelde partijen meer of anders gevorderde, waaronder ook de gevorderde immateriële schade, worden zij niet-ontvankelijk verklaard. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.2.1.4. Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank acht oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden met betrekking tot alle benadeelde partijen van wie de vordering (deels) is toegewezen, ter hoogte van het toegewezen bedrag.
6.2.1.5. Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 augustus 2024 (vul de feitaanduidingen in).
6.2.1.6. Kosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen voornoemd in overwegende mate worden toegewezen, zal de verdachte ook worden veroordeeld in de kosten door deze benadeelde partijen gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Benadeelde partij [slachtoffer 16]
6.2.2.1. Vordering
De Stichting vordert een bedrag van € 33.645 aan materiële schade. Dit betreft het
totaalbedrag van alle aanvragen gedaan door de verdachte. De benadeelde partij stelt dat de verdachte nooit de besteding van deze ontvangen gelden heeft verantwoord, hetgeen zij wel verplicht was, als gevolg waarvan dit bedrag nu in haar geheel wordt teruggevorderd.
De rechtbank zal een bedrag toewijzen ter hoogte van € 24.625. Dit betreft het bedrag zoals dat ook is genoemd op de tenlastelegging, inclusief het daar per abuis niet bij opgetelde bedrag dat betrekking heeft op de aanvraag gedaan in naam van [slachtoffer 1] (€ 4.675). Dit bedrag staat in voldoende rechtstreeks verband met het strafbare feit. Dat geldt niet voor het meer gevorderde en dit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.2.2.2. Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank acht oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden ter hoogte van het toegewezen bedrag.
6.2.2.3. Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 augustus 2023.
6.2.2.4. Kosten
Nu de vordering van de benadeelde partij voornoemd in overwegende mate wordt toegewezen, zal de verdachte ook worden veroordeeld in de kosten door deze benadeelde partij gemaakt tot op heden, conform het geldende liquidatietarief, begroot op € 1.572 (2 punten à € 786) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 33, 33a, 36f, 57, 225, 322, 325, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van tweehonderd en veertig (240) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van honderd en twintig (120) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat zes (6) maanden van de genoemde gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op drie jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Bijkomende straf
ontzet de verdachte uit de uitoefening van het beroep als gerechtelijk bewindvoerder, budgetbeheerder of financieel adviseur voor de duur van vijf (5) jaren en zes (6) maanden;
Vorderingen benadeelde partijen
Immateriële schade
Verklaart de benadeelde partijen zoals genoemd in de tabel niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1) tot immateriële schadevergoeding;
Materiële schade
veroordeelt de verdachte aan de in de tabel genoemd benadeelde partijen(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters) de daarin genoemde bedragen te betalen, bestaande uit de vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover (maak een keuze)tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partijen aan de staat te betalen de in de tabel genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat heeft vergoed;
[slachtoffer 16]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 16] te betalen een bedrag van € 24.625 als vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor feit 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen de in de tabel genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf 23 december 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
veroordeelt de verdachte in de door deze benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 1.572 (2 punten à € 786) en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken (toelichting: alleen indien gevorderd ;
Alle benadeelde partijen
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 365 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
[slachtoffer 1]
[slachtoffer 2]
[slachtoffer 3]
[slachtoffer 4]
[slachtoffer 5]
[slachtoffer 6] . en [slachtoffer 7]
[slachtoffer 8]
[slachtoffer 9]
[slachtoffer 10] en [slachtoffer 11]
[slachtoffer 12]
[slachtoffer 13]
[slachtoffer 14]
[slachtoffer 15]
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en M.A. Loenen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 september 2026.
Mr. M.A. Loenen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1
Opgave bewijsmiddelen
Feit 1
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 2]
6. Proces-verbaal van de politie
7. Proces-verbaal van de politie,
8. Proces-verbaal van de politie
9. Proces-verbaal van de politie
10. Proces-verbaal van de politie
12. Proces-verbaal van de politie
13. Proces-verbaal van de politie
14. proces-verbaal van de politie
15. proces-verbaal van de politie
16. proces-verbaal van de politie
17. proces-verbaal van de politie
18. proces-verbaal van de politie
19. proces-verbaal van de politie
20. proces-verbaal van de politie
21. proces-verbaal van de politie
22. proces-verbaal van de politie
23. proces-verbaal van de politie
24. proces-verbaal van de politie
25. proces-verbaal van de politie
26. proces-verbaal van de politie
27. proces-verbaal van de politie
28. proces-verbaal van de politie
29. proces-verbaal van de politie
30. proces-verbaal van de politie
Bijlage 2.
Bewijsmiddelen
Feit 2
31 proces-verbaal van de politie
De verdachte is sinds 2015 eigenaar van eenmanszaak [naambewindvoerderskantoor] / [naam bedrijf] . De bedrijfswinst van deze eenmanszaak is in 2019 en 2020 nihil. Van de gemeente Den Haag ontvangt zij een uitkering, waarvan het saldo negatief is. Daarnaast ontvangt de verdachte in de periode van 2017 tot en met 2024 een zorgtoeslag. Door haar worden verschillende betaal- spaar- en zakelijke rekeningen aangehouden. Het saldo op deze rekeningen is voornamelijk negatief.
32 proces-verbaal van de politie
In de periode tussen 2019 en 2024 wordt geld overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] met als rekeninghouder [medeverdachte] en/of [medeverdachte] . De eerste afschrijving van [verdachte] naar [medeverdachte] vindt plaats op 21 juni 2020. De laatste op 12 juli 2024.
33. proces-verbaal van de politie
Vanaf rekeningnummers [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] en
NL25INGB0672982854 op naam van [verdachte] werd geld overgemaakt naar rekeningnummers [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte] .
De eerste afschrijving vond plaats op 21 juni 2020. De daarop volgende overboeking van
€ 1.700 naar de bankrekening van [medeverdachte] vond plaats op 29 juni 2020 om 14.19 uur. Op 17 maart 2020 werd de verkoopopbrengst van de woning ten bedrage van € 157.694,42 op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [verdachte] bijgeschreven. De verkoopopbrengst van de woning was op 29 juni 2020 volledig opgemaakt. Dit blijkt uit de volgende analyse. Op 29 juni 2020 om 14.21 uur en 15.59 uur werd op de bankrekening op naam van [verdachte] tweemaal een bedrag van € 1.000 bijgeschreven afkomstig van de bankrekening op naam van [naambewindvoerderskantoor] . Het saldo na deze bijschrijvingen was € 2.528,73. Op dezelfde dag werd een bedrag van € 2.000 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [medeverdachte] . In de periode van 17 maart 2020 tot en met 29 juni 2020 werden vanaf de bankrekening van de verdachte géén afschrijvingen gedaan naar andere rekeningen op naam van [verdachte] en/of [naambewindvoerderskantoor] .
34. proces-verbaal van de politie
Over de periode van 1 januari 2017 tot 2 december 2024 werd van bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van de verdachte de transactiegegevens gevorderd. Daaruit bleek het volgende.
Op 26 januari 2022 om 15:20 uur werd een bedrag van € 1.300 bijgeschreven afkomstig van de bankrekening van [slachtoffer 2] . In dezelfde minuut werd een bedrag van € 610 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer 1] van [medeverdachte] . Dezelfde dag werd een bedrag van € 700 contant opgenomen.
Op 10 maart 2022 om 17.04 uur werd een bedrag van € 1.785 bijgeschreven afkomstig van de bankrekening van [slachtoffer 3] . In de omschrijving stond “kosten bewind”. Het saldo voor ontvangst was € 55,52. De uitgaven bestonden uit een overboeking naar de bankrekening op naam van [persoon D] (632,75). De overige bestedingen zijn overige consumptieve uitgaven. (bloemenwinkels, supermarkten en online aankopen).
Op 24 maart 2022 werd een bedrag van € 1.700 contant gestort welke om 14.19 uur werd bijgeschreven op de rekening. Om 14.21 uur werd een bedrag van 1.020 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] , zonder omschrijving. Om 15.41 uur werd € 70 overgemaakt naar dezelfde bankrekening, zonder omschrijving.
Op 11 april 2022 werd om 15.02 uur een bedrag van € 2.140 contant gestort op de rekening. Om 15.07 uur werd een bedrag van € 1.500 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] .
Op 29 april 2023 om 18.05 uur werd een bedrag van € 1.290 contant gestort op de rekening. Om 18.08 uur werd een bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] .
Op 21 mei om 19.05 uur werd een bedrag van € 1.500 bijgeschreven van de bankrekening van [slachtoffer 10] zonder omschrijving. Het saldo voor ontvangst was € 250. Om 19.06 uur werd een bedrag van € 1.010 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [medeverdachte] . Om 19.28 uur werd een bedrag van € 250 contant opgenomen.
Op 24 mei 2022 om 10.33 uur werd een bedrag van € 2.500 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] . Om 10.55 uur werd het saldo aangevuld met € 162,44 afkomstig van de bankrekening van [slachtoffer 5] . Om 19.13 uur werd van dit bankrekeningnummer € 250 bijgeschreven zonder omschrijving. Om 19.17 uur werd gepind bij een restaurant. Zonder bijschrijving van de € 250 van [slachtoffer 5] was het saldo van de bankrekening niet voldoende voor het doen va de betaling.
Op 26 juni 2022 werd om 20.47 een bedrag van € 1.000 van [slachtoffer 2] , € 500 van [slachtoffer 9] en € 150 van de zakelijke bankrekening van [naambewindvoerderskantoor] bijgeschreven. Na deze transacties was het banksaldo € 1665,22. Om 20.48 uur werd een bedrag van € 1.500 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] , zonder omschrijving.
Op 6 september 2022 om 07.45 uur werd een bedrag van € 250 bijgeschreven afkomstig van [persoon E] . Het saldo voor deze ontvangst was € 8,81. Om 10.18 uur werd een bedrag van 154,90 afgeschreven met een money transfer met in de omschrijving ' [naam omschrijving 1] ".
Op 8 september 2022 werd een bedrag van in totaal € 134 bijgeschreven afkomstig van bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van [verdachte] . Op deze rekening stond voldoende saldo omdat om 10.49 uur een bedrag werd bijgeschreven afkomstig van [persoon F 1] en van [slachtoffer 8] . Het bedrag van € 134 werd om 10.50 uur aangevuld met € 80 afkomstig van [slachtoffer 5] . Om 10.51 uur werd een bedrag van € 200 overgemaakt naar [medeverdachte] zonder omschrijving.
Op 25 oktober 222 om 11.27 uur werd een bedrag van € 1.000 bijgeschreven afkomstig van de bankrekening van [slachtoffer 6] . Een minuut later werd hetzelfde bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [slachtoffer 8] .
Op 20 februari 2023 om 10.34 werd in totaal een bedrag van € 1.538,76 bijgeschreven afkomstig van [slachtoffer 8] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 6] en [persoon F 2] . Voor deze transacties was het saldo van de bankrekening € 0,40. Een minuut na ontvangst van deze bedragen werd een bedrag van € 1.500 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] . Om 14.13 uur werd een bedrag bijgeschreven afkomstig van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , waarna het saldo € 301,60 was. Om 14.15 uur werd een bedrag van € 300 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] .
Op 21 maart 2024 om 11.05 uur werd van de bankrekening van [slachtoffer 9] een bedrag bijgeschreven van € 1.000. Een minuut later werd een bedrag van € 1.000 overgemaakt naar de bankrekening van [naam 1] . In de omschrijving stond " [naam omschrijving 2] ". Uit openbronnen onderzoek bleek dat dit een hotel in België is.
Op 22 april 2024 was het banksaldo € 0,14. Van 09.45 uur tot en met 09.48 uur werden vier bedragen bijgeschreven afkomstig van [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] . Vanaf 09.49 uur werden uitgaven gedaan zoals boodschappen, telefoonabonnement en tweemaal een bedrag aan [medeverdachte] . Om 11.46 uur werd een betaling gedaan naar een Belgische rekeningnummer op naam van [naam 2] met omschrijving " [naam omschrijving 3] ". Uit openbronnenonderzoek bleek dat dit een onderneming is in natuurvoeding.
Feit 3
35. Proces-verbaal van de politie
Op 03 mei 2024 heeft [verdachte] een brief, gedateerd op 09 april 2024, aan de rechtbank De Haag verzonden. Deze brief noemt als plaats Rotterdam en lijkt het format te hebben van brieven van de bewindvoerder. Betrokkene woont niet in Rotterdam. In de brief staat dat betrokkene zijn ontslagverzoek wil intrekken. Betrokkene ontkent deze brief gezien en ondertekend te hebben. De brief gaat over het intrekken van het verzoek wijziging bewind en is ondertekend door/als zijnde [slachtoffer 1] .
36. Proces-verbaal van de politie
In de data van de bij de verdachte inbeslaggenomen HP All-in One PC werd met het kenmerk [kenmerknummer] wat op de brief vermeld staat een PDF-file aangetroffen die gelijk is aan de brief.
Feit 4
37. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 16] (hierna: de Stichting)
Er werd aangifte gedaan door [slachtoffer 17] , namens de Stichting tegen de bewindvoerster [verdachte] . Zij heeft bij de Stichting onterecht aanvragen ingediend voor kinderen van gezinnen in de vorm van financiële bijdragen. Een van de gezinnen had ten tijde van de aanvraag kinderen die ouder waren dan 20 jaar. Daarmee is een aanvraag bij Nationaal Hulp Kinderfonds niet geldig. Daarnaast werden er kinderen opgevoerd welke niet bestonden.
38. Proces-verbaal van de politie
Uit de aangifte gedaan door D. de Loor , coördinerend kantonrechter CBM bij de rechtbank Den Haag tegen de verdachte, blijkt dat zij aanvragen deed voor onderbewindgestelden bij de Stichting.
[slachtoffer 2]
In de periode tussen 06 en 31 oktober 2023 is driemaal een bedrag op aanvraag van de verdachte toegekend en overgemaakt door de Stichting. Ik zag dat de aanvragen betrekking hadden op minderjarige kinderen. Uit de bedrijfsprocessen systeem van de politie bleek dat [slachtoffer 2] geen kinderen heeft.
[slachtoffer 3]
In de periode tussen 04 oktober 2023 en 06 december 2023 is viermaal een bedrag op aanvraag van de verdachte toegekend en overgemaakt door de Stichting. Ik zag dat de aanvragen betrekking hadden op minderjarige kinderen. Uit de bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek dat [slachtoffer 3] twee kinderen heeft die ten tijde van de aanvragen meerderjarig waren.
[slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]
In de periode tussen 08 augustus 2023 en 23 oktober 2023 werd er vijfmaal een bedrag op
aanvraag van de verdachte toegekend en overgemaakt door de Stichting. De aanvragen hadden betrekking op minderjarige kinderen. Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de politie, bleek dat de heer en mevrouw [slachtoffer 6] vier kinderen hebben, waarvan drie meerderjarig. In zag dat de initialen en de geboortedata van de meerderjarige kinderen bij de aanvragen waren vervalst. Alleen de gegevens van het jongste kind zijn juist.
[slachtoffer 5]
In de periode tussen 25 september 2023 en 2 oktober 2023 werd er viermaal een bedrag op aanvraag van de verdachte toegekend door de Stichting. De aanvragen hadden betrekking op minderjarige kinderen. Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek dat mevrouw [slachtoffer 5] twee kinderen heeft, welke ten tijde van de aanvragen beide meerderjarig waren. Er werd ook een extra kind opgevoerd.
[slachtoffer 4]
In de periode tussen 2 oktober 2023 en 23 oktober 202 werd er zesmaal een bedrag op aanvraag van de verdachte toegekend door de Stichting. De aanvragen hadden betrekking op minderjarige kinderen. Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek dat meneer Kisoen één kind heeft welke ten tijde van de aanvragen meerderjarig was.
[slachtoffer 9]
In de periode tussen 2 oktober 2023 en 8 oktober 2023 werd er vijfmaal een bedrag op aanvraag van de verdachte toegekend door de Stichting. De aanvragen hadden betrekking op minderjarige kinderen. Uit onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek dat [slachtoffer 9] geen kinderen heeft.