Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/020972-26
Parketnummer vordering TUL: 10/294138-24
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[detentieadres] in ( [postcode] ) [detentieplaats 1] ,
gedetineerd in de [naam P.I.] te [detentieplaats 2] .
Raadsman: mr. M. Sculic, waarnemend voor mr. J.V. van Blitterswijk.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 6 maart 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte staat terecht op de beschuldiging van vier strafbare feiten:
De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Feit 1, 2 en 3
De verdachte heeft op de terechtzitting bevestigd dat hij de telefoon van de aangever heeft gekocht en dat er is betaald met vals geld. Vervolgens heeft de verdachte de telefoon de dag erna verkocht aan een telefoonwinkel, onder valse gegevens en voor een lager bedrag dan waarvoor hij de telefoon zelf gekocht had van aangever. Ook als wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte, dat een ander hem gevraagd heeft dit alles te doen en dat hij voor het ophalen van de telefoon € 100,- zou krijgen, kan het niet anders dan dat de verdachte begrepen heeft dat het niet klopte. Anders zou hij er geen € 100,- voor krijgen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte wist dat hij de telefoon met vals geld betaalde. Dat is oplichting en daarmee zijn de feiten 1 en 2 (steeds subsidiair) bewezen. De verdachte wist bij de verkoop van de telefoon dus ook dat de telefoon van oplichting afkomstig was. Daarmee is ook feit 3 bewezen.
De rechtbank verwijst naar bijlage II bij dit vonnis voor de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring is gebaseerd.
Feit 4
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 4 niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 heeft begaan op die wijze dat:
1hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 16 Pro), door zich voor te doen als een bonafide koper van die mobiele telefoon en vervolgens - nadat hij, verdachte, die mobiele telefoon onder zich had - die [slachtoffer] heeft betaald met vals geld;
2hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven;
3hij op of omstreeks 11 december 2025 te Rotterdam (van) een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 16 Pro), althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas/waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
De eendaadse samenloop van:
Feit 1
oplichting
Feit 2
opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven
en
Feit 3
witwassen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Allereerst heeft de verdachte op 10 december 2025 een iPhone gekocht van het slachtoffer met vals geld. Een dag later heeft de verdachte de telefoon verkocht aan een winkel, waarbij hij valse identiteitsgegevens heeft verstrekt.
De verdachte heeft hiermee laten zien dat hij alleen maar uit is geweest op zijn eigen financiële gewin. Daarnaast zijn de ontvanger van het valse geld en de eigenaar van de telefoonwinkel gedupeerd door het handelen van de verdachte.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder diefstal/afpersing met geweld.
Rapportage en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) schrijft in het rapport van 4 februari 2026 over de verdachte dat het algemeen recidiverisico hoog is. Hij heeft problemen op de levensgebieden gezin, relaties, geestelijke gezondheid, houding, agressie en vaardigheden. De dagbesteding en het voetbal werken enigszins beschermend in het leven van de verdachte. Sinds kort loopt de verdachte in behandeling bij Fivoor. Positief is dat zij een voorzichtige verandering zien bij de verdachte. Echter, voorafgaand aan de huidige detentie was er sprake van een negatieve terugmelding door de jeugdreclassering vanwege onder meer onvoldoende meewerken aan hulpverlening. Er bestaan daarnaast ernstige zorgen rondom zijn persoonlijke veiligheid. Ondanks herhaalde kansen binnen een voorwaardelijk kader, strikte voorwaarden en een enkelband, nemen de zorgen niet af. De Raad is van mening dat hieruit blijkt dat de verdachte uitsluitend functioneert binnen een strak gereguleerde, gesloten context. Nu is gebleken dat de verdachte recidiveert met een voorwaardelijke PIJ-maatregel en de jeugdreclassering hem negatief heeft terug gemeld vanwege het niet nakomen van de bijzondere voorwaarden, is de Raad van mening dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel omgezet dient te worden in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
Op de zitting heeft de deskundige [persoon A], werkzaam bij de Raad, verklaard dat er een strak plan dient te komen voor de verdachte. Er is geen andere mogelijkheid dan een behandeling binnen het gesloten kader. Sinds de vorige veroordeling is het problematisch verlopen op de groep waar de verdachte woonde. Ook heeft hij zijn bijzondere voorwaarden overtreden. Hoewel het door de familie van de verdachte opgestelde plan prijzenswaardig is, acht de Raad het niet haalbaar. De verdachte is impulsief, heeft een gebrek aan motivatie en moeite met huisregels.
Op de zitting heeft de deskundige [persoon B], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en
Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) het volgende verklaard. De jeugdreclassering ziet dat de verdachte kleine stappen zet. De zorgen om de veiligheid van de verdachte zijn nog groot, mede gezien de recente aanhoudingen in de thuissituatie. Daarnaast heeft de verdachte zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Om deze reden adviseert de jeugdreclassering tot de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Het plan dat de familie heeft opgesteld is mooi, maar biedt geen passend alternatief voor de PIJ-maatregel. Gezien het gedrag en de problematiek van de verdachte is het te ingewikkeld om de komende twee jaar het plan uit te voeren.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt daarnaast in strafverzwarende zin rekening met het feit dat de verdachte op 22 juli 2025 is veroordeeld voor een ernstig (gewelds)delict, waarvoor hij nog in een proeftijd liep. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie een jeugddetentie opleggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie van 60 dagen, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
8. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 22 juli 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 augustus 2025.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden toegewezen, omdat de verdachte binnen de proeftijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van 22 juli 2025 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Gelijktijdig met het onderhavige vonnis heeft de rechtbank evenwel op vordering van de officier van justitie beslist dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel ten uitvoer moet worden gelegd, wegens het (veelvuldig) overtreden van de bijzondere voorwaarden. Dit is in een afzonderlijke beslissing vastgelegd. De rechtbank zal daarom de vordering tenuitvoerlegging vanwege het overtreden van de algemene voorwaarde afwijzen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 55, 77a, 77g, 77i, 77gg, 213, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 juli 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren, voor zover die vordering is gebaseerd op het overtreden van de algemene voorwaarde van het niet plegen van nieuwe strafbare feiten.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en J. Groot, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Versteeg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen een mobiele telefoon (Apple Iphone 16 Pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen mobiele telefoon onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse hoedanigheid of door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich voor te doen als een bonafide koper van die mobiele telefoon en vervolgens - nadat hij, verdachte, die mobiele telefoon onder zich had gekregen - heeft betaald met vals geld;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 16 Pro), door zich voor te doen als een bonafide koper van die mobiele telefoon en vervolgens - nadat hij, verdachte, die mobiele telefoon onder zich had - die [slachtoffer] heeft betaald met vals geld;
2hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was als echt en onvervalst heeft uitgegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 10 december 2025 te Vlaardingen opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven;
3hij op of omstreeks 11 december 2025 te Rotterdam (van) een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone 16 Pro), althans een of meer voorwerpenSub a - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas/waren uit enig misdrijf;4hij op of omstreeks 19 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3752 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.