RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummers]
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [adres],
[postcode] [plaastnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 12 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), en een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.
Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De stichting Trivire, gevestigd te Dordrecht (hierna: verweerster) is, met bericht van verhindering niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij problematische schulden heeft en wil proberen om tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen. Omdat hij niet in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren zijn op 22 oktober 2025 een beschermingsbewindvoerder en een mentor aangesteld. Ter zitting is namens verzoeker aangevoerd dat huurbetalingen vanaf dat moment worden gedaan door de beschermingsbewindvoerder en dat dit goed loopt, ondanks dat de Wajonguitkering voor de maand november 2025 ten onrechte was overgemaakt op de leefgeldrekening van verzoeker. Dit is inmiddels rechtgezet. Samen met de beschermingsbewindvoerder zal verzoeker het voorlopig overzicht van schuldeisers en schulden compleet maken en een plan van aanpak gaan maken om zijn schulden te saneren.
3. Het verweer
Verweerster heeft schriftelijk laten weten dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 15 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt volgens de overgelegde betaalspecificaties van het UWV een Wajonguitkering van € 1413,12 per maand. Daarnaast ontvangt hij een bedrag van € 399,- per maand aan huurtoeslag en
€ 129 per maand aan zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn toereikend om de lopende huurtermijnen van € 723,54 per maand te voldoen. De huurtermijnen van november en december 2025 en januari 2026 zijn betaald. De bewindvoerder maakt de maandelijkse huur over naar verweerster. Daarmee wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaastnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat de bewindvoerder die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van mr. Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.