RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716638/ HA ZA 26-252
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
BERLUARO B.V.,
te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. H.C. Bol
tegen
[gedaagde] ,
te [locatie 1], België,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie
advocaat: mr. A.R. de Graaf.
Partijen worden hierna Berluaro en [gedaagde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Berluaro en [gedaagde] twisten over de vraag of [gedaagde] het binnenvaartschip [naam schip 1] (hierna: [naam schip 1]) van Berluaro heeft gekocht en ook, als de rechtbank oordeelt dat dat niet zo is, over de vraag of [gedaagde] de onderhandelingen over de verkoop van het schip mocht afbreken.
De rechtbank oordeelt dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, omdat nog geen overeenstemming bestond over de wijze van financiering van [naam schip 1] en dit een essentieel onderdeel was van de overeenkomst. [gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld door de onderhandelingen af te breken. De door [gedaagde] gevorderde opheffing van het door Berluaro gelegde conservatoir beslag op een schip van [gedaagde] wordt afgewezen omdat het vonnis nog niet onherroepelijk is en een belangenafweging niet tot een andere uitkomst leidt. Om dezelfde reden is het nog prematuur om over de door [gedaagde] gevorderde schade te oordelen. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen,
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 27 februari 2026 met producties
de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met producties
de brief van de rechtbank van 24 juni 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
de e-mail van de rechtbank van 6 juli 2026 met een zittingsagenda
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis in conventie en aanvullende producties
de antwoordakte wijziging van eis van [gedaagde]
de akte houdende overlegging producties, tevens akte vermeerdering van eis in reconventie
de akte houdende overlegging aanvullende producties van Berluaro
de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026 en de door partijen gebruikte spreekaantekeningen
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen. Het vonnis wordt vandaag twee weken eerder uitgesproken.
3. De vaststaande feiten
Berluaro is eigenaar van het binnenvaartschip [naam schip 1]. De heer [persoon A] (hierna: [persoon A]) is de bestuurder van Berluaro. [gedaagde] is pater-abt van een kloostergemeenschap van de Georgisch-Orthodoxe Kerk. De kloostergemeenschap is gehuisvest op het kloosterschip "[naam schip 2]", dat in [locatie 2] ligt (hierna: de [naam schip 2]). De [naam schip 2] staat op naam van [gedaagde].
[gedaagde] heeft [naam schip 1] op 5 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 14 augustus 2025 bezichtigd. [persoon B] (hierna te noemen: [persoon B]) heeft het verkoopproces voor Berluaro begeleid.
Bij de tweede bezichtiging (op 11 augustus 2025) waren zowel [persoon B] als [persoon A] aanwezig. Er is toen onder meer gesproken over de financiering van het schip en het door [gedaagde] te betalen voorschot. Op 14 augustus 2025 heeft [persoon B] een conceptovereenkomst naar [gedaagde] gestuurd. Op 18 augustus 2025 heeft [gedaagde] het concept met zijn opmerkingen teruggestuurd. Daarop volgde mail en telefonisch contact tussen [gedaagde], [persoon A] en [persoon B].
Op 15 september 2025 heeft [gedaagde] aan Berluaro bericht dat hij afziet van de koop van [naam schip 1].
Op 8 februari 2026 heeft Berluaro conservatoir scheepsbeslag doen leggen op de [naam schip 2].
4. Het geschil
In conventie
Berluaro vordert - na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
1) voor recht verklaart dat tussen Berluaro en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij het motorschip [naam schip 1] voor de koopsom van € 449.000,00 is gekocht;
2) [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de koopovereenkomst binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en [gedaagde] gelast medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van het motorschip [naam schip 1] aan hem tegen betaling aan Berluaro van de overeengekomen koopsom van € 449.000,00, althans onder maandelijkse of halfjaarlijkse aflossing over een periode van 84 maanden met een jaarlijks rentepercentage van 3%, onder eigendomsvoorbehoud althans waarbij Berluaro een recht van hypotheek verkrijgt op [naam schip 1], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft;
3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die Berluaro heeft geleden en lijdt door niet-nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde];
4) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de schade die Berluaro heeft geleden en lijdt voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven vanaf 12 september 2025 tot en met de dag van algehele voldoening en/of nakoming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
5) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke handelsrente over de te betalen koopsom van € 449.000,00 vanaf 12 september 2025 tot en met de dag dat [gedaagde] aanvangt met het nakomen van de koopovereenkomst althans van algehele voldoening en/of nakoming;
6) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder de advocaatkosten naar liquidatietarief, deurwaarderskosten en griffierechten die Berluaro heeft betaald in verband met het gelegde beslag;
7) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de nakosten,
Subsidiair:
8) voor recht verklaart dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] de onderhandelingen heeft gestaakt;
9) [gedaagde] veroordeelt tot dooronderhandeling van de koopovereenkomst al dan niet onder leiding van een mediator, waarbij binnen 14 dagen een mediator dient te zijn aangesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag na het verstrijken van deze termijn dat geen mediator is aangesteld of na het verstrijken van drie maanden na betekening van het vonnis nog geen koopovereenkomst is gesloten waarbij [naam schip 1] voor ten minste € 449.000,00 is gekocht;
10) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder de advocaatkosten naar liquidatietarief, deurwaarderskosten en griffierechten die Berluaro heeft betaald in verband met het gelegde beslag;
11) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de nakosten.
[gedaagde] voert verweer en verzoekt om Berluaro niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze af te wijzen met veroordeling van Berluaro in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
In reconventie
[gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) Berluaro veroordeelt tot opheffing van het beslag op de [naam schip 2], althans dit beslag opheft;
2) voor recht verklaart dat Berluaro dit beslag onrechtmatig heeft gelegd en dat zij aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden;
3) Berluaro veroordeelt om aan [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 10.842,27, zijnde het aan het beslag toe te rekenen deel van de verzekeringspremie ad € 1.842,27 en de tot en met augustus 2026 verbeurde contractuele boete van € 9.000,00 te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele vergoeding;
4) Berluaro veroordeelt tot vergoeding van de overige schade die [gedaagde] door het beslag heeft geleden en nog zal lijden, daaronder begrepen, voorzover het hiervoor gevorderde bedrag van € 10.842,27 geheel of gedeeltelijk niet voor toewijzing in aanmerking mocht komen, dat deel van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
5) Berluaro veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis.
De conclusie van Berluaro strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank stelt vast dat het geschil een internationaal karakter heeft, omdat [gedaagde] woonachtig is in België. Allereerst moet daarom ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Artikel 7 lid 1 sub a Verordening Brussel I bis bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat voor de volgende gerechten kan worden opgeroepen: a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Artikel 7 lid 2 bepaalt ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Op grond van deze bepalingen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en is deze rechtbank (relatief) bevoegd. De gestelde koopovereenkomst moest in Rotterdam worden uitgevoerd. Berluaro, die gevestigd is in Rotterdam, heeft de door haar gestelde schade in haar vermogen geleden.
Partijen gaan beide uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht en de rechtbank denkt daar niet anders over. Omdat partijen het hierover eens zijn, hoeft dat niet verder gemotiveerd te worden.
In conventie
Berluaro heeft de juiste persoon gedagvaard
[gedaagde] heeft als eerste aangevoerd dat Berluaro ten onrechte hem in persoon heeft gedagvaard. Volgens [gedaagde] heeft hij namelijk gehandeld namens de [naam stichting] (hierna: de Stichting) en is hij daar steeds duidelijk in geweest.
De rechtbank gaat niet mee niet in dit verweer. [gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij bij de bezichtiging op 11 augustus 2025 heeft gezegd dat het schip op zijn naam of op naam van de kloostergemeenschap zou komen. In het door Berluaro aan [gedaagde] gestuurde concept voor de koopovereenkomst is de naam van de koper opengelaten. In zijn reactie op het concept heeft [gedaagde] als koper zichzelf opgenomen. Berluaro mocht er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde] als koper zou optreden en zij heeft hem dan ook terecht gedagvaard.
er is geen koopovereenkomst tot stand gekomen
Een overeenkomst komt op grond van artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan. Het aanbod en de aanvaarding zijn wilsverklaringen. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen en met welke inhoud, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen. Zonder overeenstemming over de essentiële elementen van een overeenkomst komt, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid, geen overeenkomst tot stand, zo volgt uit artikel 6:227 BW.
Als partijen het wel over de essentiële elementen van de overeenkomst eens zijn, maar er nog over één of meer overgebleven (niet-essentiële) elementen onderhandeld moet worden, kan een rompovereenkomst tot stand komen. Het antwoord op de vraag wat de essentialia van een overeenkomst zijn, hangt af van de bedoeling van partijen, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval.
Berluaro heeft gesteld dat de koopovereenkomst op 11 augustus 2025 tot stand is gekomen met een handdruk. [gedaagde] was akkoord met de koopprijs van € 449.000,00 en daarmee was de koop rond, aldus Berluaro. Het schip zou worden geleverd op haar huidige ligplaats in Rotterdam in de toestand waarin het verkeerde ten tijde van de tweede bezichtiging, "as is, where is", met nieuwe klasse. Na de derde bezichtiging op 14 augustus 2025 hebben Berluaro en [persoon B] de overeenkomst schriftelijk vastgelegd en in concept aan [gedaagde] toegestuurd.
[gedaagde] betwist dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hij voert, kort gezegd, aan dat er geen overeenstemming was over de (wijze van) financiering van de koopsom en dat dit een essentieel onderdeel vormde van de overeenkomst.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben weliswaar overeenstemming bereikt over de koopprijs van € 449.000,00, maar zij zijn het niet eens geworden over de wijze waarop [gedaagde] dit bedrag zou financieren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze twee elementen niet los van elkaar te zien en is de financiering daarmee één van de essentialia van de koopovereenkomst.
Uit de verklaringen van [persoon A] en [gedaagde] tijdens de zitting leidt de rechtbank af dat zij tijdens de bezichtiging op 5 augustus 2025 en 11 augustus 2025 onder meer hebben gesproken over betaling van de koopsom in termijnen en meer specifiek over de termijn waarop [gedaagde] het restant van de koopsom zou betalen. Op dat moment hebben zij daar nog geen overeenstemming over bereikt. [persoon A] wilde terugbetaling in 5 jaar en [gedaagde] wilde een langere termijn. Ook wilde [persoon A] een eerste termijnbetaling van € 50.000,00 bij levering van het schip en nog eens € 50.000,00 ‘voor het einde van het jaar’. [gedaagde] kon een eerste betaling van € 50.000,00 regelen, maar een tweede betaling enkele maanden later kon hij nog niet toezeggen.
Op 14 augustus 2025 ontving [gedaagde] van [persoon B] de conceptovereenkomst. [gedaagde] heeft op 18 augustus 2025 per mail gereageerd op dit concept, waarbij hij zijn vragen en opmerkingen in het concept heeft opgenomen. [gedaagde] had onder meer bezwaar tegen de in het concept opgenomen rente over het restant van de koopsom -over rente was nog helemaal niet gesproken- en over een boeteclausule. Daarnaast zou volgens het concept de levering van het schip pas plaatsvinden nadat de volledige koopsom zou zijn betaald, dus na verloop van jaren, terwijl volgens [gedaagde] was afgesproken dat er binnen enkele dagen na ondertekening en/of de eerste aanbetaling geleverd zou worden. Ook op dat moment was er dus geen overeenstemming.
Op 20 augustus 2025 schreef [persoon B] aan [gedaagde] dat een lening zonder rente wettelijk gezien niet mag en dat [gedaagde] “een nieuw voorstel kan doen maar dan met rentevergoeding en eventueel een aangepaste prijs”. Dat onderstreept dat er op dat moment geen overeenstemming was bereikt. Daarop hebben [gedaagde] en [persoon A] een telefoongesprek gevoerd waarin dit onderwerp nog eens ter sprake kwam, en waarbij [persoon A] heeft gezegd dat hij niks wilde doen aan de koopprijs. Ook heeft [gedaagde] op 29 augustus 2025 met [persoon B] gebeld. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij in dat telefoongesprek heeft gezegd dat hij een rente van 4% te veel vond en dat [persoon B] toen zei dat hij daarover met [persoon A] zou overleggen. Op 4 september 2025 heeft [persoon B] een mail gestuurd aan [gedaagde]. In deze mail ‘bevestigt’ [persoon A] dat is afgesproken dat het restant van de koopsom in 7 jaar zou worden afgelost tegen een rentevergoeding van 3% per jaar. Uit de verklaring van [gedaagde] leidt de rechtbank af dat dit geen bevestiging van een (tijdens het telefoongesprek van 29 augustus) gemaakte afspraak is. Er is toen namelijk niets afgesproken, want [persoon B] zou met zijn opdrachtgever overleggen. De mail van 4 september 2025 is dan ook te kwalificeren als een nieuw aanbod, dat door [gedaagde] niet is aanvaard.
Op grond van al deze uit het dossier af te leiden feiten en omstandigheden en uit de verklaringen van [persoon A] en [gedaagde] tijdens de zitting komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat er op geen enkel moment overeenstemming is bereikt over de financiering van de koopsom. Daarmee was er geen wilsovereenstemming ten aanzien van één van de essentialia van de overeenkomst. Er is dan ook geen grondslag voor de primaire vorderingen. De rechtbank wijst deze af.
[gedaagde] heeft de onderhandelingen niet onrechtmatig afgebroken
De rechtbank stelt voorop dat als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit (i) op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van de overeenkomst of (ii) in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en de gerechtvaardigde belangen van deze partij.
Bij deze beoordeling kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. De Hoge Raad spreekt van een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de onderhandelingen niet onrechtmatig heeft afgebroken. De hoge drempel daarvoor is niet gehaald. De financiering is tot het moment dat [gedaagde] liet weten dat hij van de koop afzag onderwerp van gesprek geweest. Berluaro heeft ook onvoldoende concreet onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden zij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat overeenstemming over de financiering zou worden bereikt. Dat [gedaagde] enthousiast was over het schip en het schip aan zijn zusters liet zien is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dan ook dat er ook geen grond is voor toewijzing van de subsidiaire vorderingen. De rechtbank wijst deze af.
Berluaro moet de proceskosten betalen
Berluaro krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.803,00
- salaris advocaat
€
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
10.438,00
De proceskostenveroordeling wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
In reconventie
Het beslag op de [naam schip 2] wordt niet opgeheven
[gedaagde] vordert opheffing van het conservatoir beslag op de [naam schip 2] omdat dit volgens hem onrechtmatig is. Berluaro heeft namelijk geen vordering. [gedaagde] heeft de [naam schip 2] verkocht aan een derde partij en kan het schip nu niet leveren als gevolg van het beslag. Berluaro voert aan dat het beslag, ook in het geval haar vordering wordt afgewezen, moet blijven liggen. Totdat het vonnis onherroepelijk is dient het beslag als zekerheid voor haar mogelijke vordering. [gedaagde] kan ook een beslaggarantie stellen, aldus Berluaro.
Het uitgangspunt is dat een conservatoir beslag van rechtswege vervalt als de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 704 lid 2 Rv). Artikel 705 Rv ziet op de vordering tot opheffing van het conservatoire beslag, waarvoor de gronden in het tweede lid nader (niet limitatief) worden gespecificeerd. De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 705 lid 2 Rv, een conservatoir beslag moet worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, of van het onnodige van het beslag blijkt, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. Het beslag creëert geen recht op de vordering, maar een voorwaardelijke zekerheid voor verhaal.
Voldaan is aan het vereiste dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. Immers de vordering in conventie wordt afgewezen. Dit betekent evenwel niet dat het beslag automatisch moet worden opgeheven. Afweging van de wederzijdse belangen leidt naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van dit geval tot de conclusie dat opheffing van het beslag in deze zaak niet aan de orde is. [gedaagde] woont niet in Nederland, maar in België, en het conservatoir beslag vormt daarom voor Berluaro de nodige zekerheid zolang haar vordering niet onherroepelijk is afgewezen. Het belang van [gedaagde] om de [naam schip 2] zonder beslag te kunnen leveren weegt daar niet tegen op.
Vordering tot schadevergoeding is prematuur
Het is vaste rechtspraak dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag als de vordering waarvoor beslag is gelegd, ongegrond is. Dat betekent dat Berluaro aansprakelijk zal zijn voor de door [gedaagde] als gevolg van het beslag te lijden schade als de afwijzing van haar vordering onherroepelijk wordt. Om die reden is het naar het oordeel van de rechtbank prematuur om op dit moment al een beslissing te nemen over de door [gedaagde] gevorderde schade en verwijzing naar de schadestaat.
Conclusie is dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten van Berluaro. De proceskosten van Berluaro worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
1× € 614,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
803,00
Het verzoek de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt toegewezen (artikel 233 Rv).
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van Berluaro af,
veroordeelt Berluaro in de proceskosten van € 10.438,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Berluaro niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 803,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
1167/1918