ECLI:NL:RBROT:2026:13341

ECLI:NL:RBROT:2026:13341

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer C/10/707030/HA ZA 25-833
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Partijen hebben informeel samengeleefd en zijn het niet eens over de financiele afwikkeling van hun samenleving. Over en weer hebben zij diverse vorderingen. Over een aantal vorderingen hebben zij ter zitting een schikking bereikt. Over de andere vorderingen beslist de rechtbank in dit vonnis.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/707030 / HA ZA 25-833

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer,

tegen

[naam man] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.J.H. Anker.

1. De zaak in het kort

Partijen hebben informeel samengeleefd en zijn het niet eens over de financiële afwikkeling van hun samenleving. Over en weer hebben zij diverse vorderingen ingesteld. Over een aantal vorderingen hebben zij ter zitting een schikking bereikt. Over de andere vorderingen beslist de rechtbank in dit vonnis.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1,2, 2A, 3, 4, 5, 5A, 8 en 9 tot en met 17 (6 en 7 zijn leeg); - de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 7; - de akte houdende wijziging/vermeerdering van eis van de vrouw met producties 18 tot en met 23;- de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis, met producties 24 tot en met 41;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende akte overleggen producties, tevens akte vermeerdering van eis, met producties 9 (8 ontbreekt) tot en met 13;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 april 2026 met de ter zitting overeengekomen vaststellingsovereenkomst;

- de brief van de rechtbank van 15 april 2026;

- de akte van de man met productie 14;

- de antwoordakte van de vrouw met producties 42 tot en met 59;

- de antwoordakte van de man.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man de juridische grondslag van zijn eis in reconventie aangevuld, in die zin dat hij aan zijn vordering sub 7 in reconventie ook de bijdrageplicht ingevolge artikel 6:10 BW ten grondslag heeft gelegd. Ook heeft de man een toelichting gegeven op zijn producties 12 en 13. De rechtbank heeft de man verzocht die aanvullende juridische grondslag bij akte nader toe te lichten en zijn ter zitting gegeven toelichting op de producties 12 en 13 in die akte op te nemen. De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om op die akte te reageren. Vervolgens zijn de drie laatste in 2.1 genoemde aktes gewisseld.

De vrouw heeft in haar laatste akte bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechtbank zoals hiervoor in 2.2 vermeld. Volgens de vrouw is de man door de rechtbank in de gelegenheid gesteld gebreken in zijn stellingen te repareren. Dat is echter niet het geval. De man heeft ter zitting een beroep gedaan op artikel 6:10 BW maar een volwaardig debat is daarover ter zitting niet gevoerd. Dat was naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de eisen van een goede procesorde, wel nodig en dat debat is in de laatste aktewisseling gevoerd. De man heeft ter zitting ook een toelichting gegeven op zijn producties 12 en 13. De vrouw heeft daar ter zitting niet goed voorbereid op kunnen reageren, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank heeft de vrouw daarom in de gelegenheid gesteld op die toelichting te reageren. Omdat van de zitting geen proces-verbaal is opgemaakt, heeft de rechtbank de man verzocht zijn ter zitting gegeven toelichting in zijn akte op te nemen. Dat heeft de man gedaan en daar heeft de vrouw op gereageerd. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank recht gedaan aan de eisen van een goede procesorde. De rechtbank verwerpt daarom het bezwaar van de vrouw tegen de beslissing zoals in 2.2 vermeld.

Na de in 2.1 genoemde antwoordakte van de man is vonnis bepaald.

3. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die eind februari 2025 is geëindigd. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [straatnaam 1] , [postcode 1] te [locatie 1] (hierna: de woning) en van het appartement aan de [straatnaam 2] , [postcode 2] te [locatie 2] , waar de ouders van de vrouw wonen.

Partijen hebben tot 1 maart 2025 samengewoond in de woning. De man is per 1 maart 2025 uit de woning vertrokken.

Ter zitting van 13 april 2026 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in het proces-verbaal van de zitting (hierna: de vaststellingsovereenkomst):

1. De vrouw trekt de nadere akte die zij vrijdag jl. heeft ingediend in en krijgt de gelegenheid om alsnog bij akte te reageren op de laatste conclusie van de man. Indien de vrouw bij haar akte producties in het geding brengt, dan krijgt de man de gelegenheid om nog bij akte op die producties te reageren. De man trekt zijn vorderingen in reconventie sub 10a en 10b in. Mr. De Brouwer zal de griffie informeren dat de akte van vrijdag jl. is ingetrokken.

2. De man verklaart dat hij niet zal meewerken aan het verlenen van een hypotheek op de woning [straatnaam 1] of de woning [straatnaam 2] aan de vennootschap van zijn broer. Gelet hierop trekt de vrouw haar vorderingen sub 19 tot en met 25 in conventie in.

3. Partijen spreken af dat het bij levering van de [straatnaam 1] openstaande bedrag van de lening van Paribas door ieder voor de helft aan Paribas zal worden betaald (op het moment van die levering) uit zijn of haar aandeel in de overwaarde van de [straatnaam 1] . Gelet hierop trekt de vrouw haar vordering sub 30 in conventie in en trekt de man zijn vorderingen sub 11 en 12 in reconventie in.

4. De vrouw trekt voorts haar vorderingen in conventie sub 1, 2, 3 en 31 in.

5. De man trekt zijn voorts vorderingen sub 2 tot en met 6 in reconventie in

6. De man trekt de eisvermeerdering bij zijn laatste conclusie van antwoord in. In plaats daarvan wijzigt de man zijn vordering sub 15 zo dat moet worden gelezen 1 maart 2025 in plaats van 17 april 2025 en dat het gevorderde bedrag wordt gesteld op € 17.816,82. Op deze eiswijziging mag de vrouw nog bij akte genoemd in artikel 1 reageren.

7. Partijen zijn het erover eens dat de woonlasten van de [straatnaam 1] (dat wil zeggen hypotheekrente, rente op de lening van Paribas, gemeentelijke heffingen en andere eigenaren- en gebruikslasten, maar niet: aflossingen op de hypotheek en op de lening van Paribas) van 1 maart 2025 tot en met eind maart 2026 voor rekening van de vrouw zijn. De aflossingen op de hypotheek en op de lening van Paribas vanaf 1 maart 2025 en de woonlasten (zoals hiervoor omschreven) na 30 maart 2026 moeten 50/50 worden gedragen door partijen. De vrouw verklaart dat zij sinds 1 april 2026 niet meer in de woning woont. Op die basis is de man bereid de kosten van gas, water en elektra na 30 maart 2026 op 50/50 basis te delen.

8. De kosten van het repareren van de lekkage van de [straatnaam 1] worden 50/50 gedeeld. De man zal contact opnemen met de aannemer om te proberen overeenstemming te bereiken over de openstaande factuur van ongeveer 19.000 euro. Als die overeenstemming er niet is voordat de [straatnaam 1] geleverd moet worden, dan zal deze factuur worden betaald uit de netto-verkoopopbrengst van de [straatnaam 1]

9. Partijen zijn het er ook over eens dat levering van de [straatnaam 1] aan de kopers ongestoord plaats moet kunnen vinden. De netto-verkoopopbrengst van de [straatnaam 1] na aflossing van de op die woning rustende hypotheekschuld en de schuld aan Paribas, zal aan partijen 50/50 worden uitgekeerd door de notaris. De vrouw zal het gelegde beslag uiterlijk op de dag van levering opheffen en partijen zullen geen nieuwe beslagen leggen op de woning. Partijen zullen ook geen beslag leggen op de aan de wederpartij toekomende helft van de netto-verkoopopbrengst.

10. Over de woning aan de [straatnaam 2] spreken partijen het volgende af. De vrouw krijgt de gelegenheid om de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde in verhuurde staat. Dat betekent dat de vrouw ervoor moet zorgen dat de man bij levering van de woning wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld op die woning en, uitgaande van een onderwaarde ten opzichte van de hypotheekschuld, dat de man bij levering van de woning aan de vrouw de helft van de onderwaarde aan de vrouw moet vergoeden. Als sprake is van overwaarde moet de vrouw de helft daarvan aan de man vergoeden.

11. Partijen zullen de [straatnaam 2] daartoe in gezamenlijk overleg zo spoedig mogelijk laten taxeren door een door hen samen aan te wijzen makelaar. Dat zal zijn DRVM Makelaars of, als die niet bereid zijn, Kolpa. De kosten van die taxatie zullen 50/50 worden gedeeld.

12. De vrouw krijgt de gelegenheid tot 14 juli 2026 om de financiering voor de overname van de [straatnaam 2] rond te krijgen. Als dat lukt, dan zal de woning zo spoedig mogelijk aan haar worden geleverd bij een door haar aan te wijzen notaris. De kosten van de notaris worden betaald door de vrouw.

13. Als het de vrouw niet lukt de financiering van de overname van de [straatnaam 2] rond te krijgen voor 14 juli 2026, dan krijgt de man de gelegenheid tot 14 oktober 2026 om de woning over te nemen op dezelfde voorwaarden als de vrouw.

14. Als de man de financiering niet voor 14 oktober 2026 rond krijgt, dan zal de [straatnaam 2] in verhuurde staat verkocht worden. Met de netto-opbrengst zal de hypotheekschuld zoveel als mogelijk worden afgelost. De nog resterende hypotheekschuld moeten partijen 50/50 dragen. Als er sprake is van overwaarde, dan komt die aan partijen ook 50/50 toe.

15. De vrouw trekt haar vordering tot verdeling van de [straatnaam 2] zoals geformuleerd in haar conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie in.

4. Het geschil

in conventie

De vrouw vordert - na eiswijziging en na het intrekken van een aantal vorderingen - uitvoerbaar bij voorraad:

“II. Regresvorderingen en verrekeningen

3. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van de helft van de

belastingteruggave ad € 8.107,-, zijnde € 4.053,50 wegens door gedaagde toegeëigende

belastingteruggave, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum

van ontvangst door gedaagde tot aan de dag der algehele voldoening;

4. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 921,60 ter zake van

de regresvordering betreffende de kosten van de trouwjurk, vermeerderd met wettelijke

rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van betaling door eiseres tot aan de dag der

algehele voldoening;

5. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 1.122,27 ter zake van de regresvordering betreffende de aanschaf en installatie van het alarmsysteem in de

gezamenlijke woning, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum

van betaling door eiseres tot aan de dag der algehele voldoening;

6. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 780,97 ter zake van

de regresvordering betreffende de gemeentelijke heffingen 2025, vermeerderd met

wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van betaling door eiseres tot aan de dag

der algehele voldoening;

7. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 3.400,- ter zake van

door gedaagde toegeëigende verzekeringsuitkering na inbraak, vermeerderd met wettelijke

rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van overboeking door gedaagde naar zijn

privérekening tot aan de dag der algehele voldoening;

8. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 595,50 ter zake van

de onrechtmatige overboeking op 16 juli 2025 door gedaagde van de gezamenlijke rekening

naar zijn privérekening, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de

datum van overboeking tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Regresvordering eigenaarslasten (grondslag art. 3:172 BW)

9. te verklaren voor recht dat partijen als mede-eigenaren ieder voor 50% draagplichtig zijn in

de lasten die op de gemeenschap drukken (waaronder in ieder geval hypotheek,

verzekeringen, lokale heffingen en onderhoud);

10. te verklaren voor recht dat eiseres, voor zover zij méér dan haar aandeel in deze lasten heeft

voldaan, een regresvordering heeft op gedaagde;

11. gedaagde te veroordelen aan eiseres te voldoen een bedrag van € 3.922,06, zijnde de tot en

met 7 augustus 2025 openstaande regresvordering wegens bovenmatig door haar gedragen

gezamenlijke woon- en eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel

6:119 BW vanaf de respectieve betaaldata, althans vanaf dagvaarding, tot aan de dag der

algehele voldoening;

12. te bepalen dat gedaagde daarnaast gehouden is toekomstige termijnen van de gezamenlijke

lasten maandelijks bij helfte te dragen, en dat indien eiseres méér dan haar aandeel voldoet,

zij dit bedrag op gedaagde kan verhalen;

IV. Aandelen [bedrijf A]

Primair

13. te verklaren voor recht dat de door gedaagde aangekochte aandelen in [bedrijf A] zijn gefinancierd met gemeenschappelijke middelen van partijen;

14. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 73.500,-, zijnde de

helft van het met gemeenschappelijke middelen gefinancierde aankoopbedrag van €

147.000, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 6 oktober 2022

(datum aankoop) tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair

15. te verklaren voor recht dat de aandelen in [bedrijf A] behoren tot de eenvoudige

gemeenschap van partijen ex artikel 3:166 BW e.v.;

16. de verdeling van deze gemeenschap vast te stellen in die zin dat de helft van de aandelen op

naam van eiseres wordt gesteld, en gedaagde te veroordelen zijn medewerking daartoe te

verlenen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat gedaagde nalaat hieraan te

voldoen;

17. althans gedaagde te veroordelen tot uitbetaling aan eiseres van de waarde van de helft van

de aandelen per datum vonnis;

Meer subsidiair

18. gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan de verrijking die hij heeft

genoten door het aanwenden van gemeenschappelijke middelen voor aankoop van

aandelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

V. Leenovereenkomst

19 - 25. ingetrokken]

VI. Beslagkosten

26. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de door haar gemaakte beslagkosten,

bestaande uit:

• € 104,65 ter zake van de overbetekening van het beslag;

• € 85,68 aan betekening beslag

• € 215,17 aan proces verbaal OZ

• € 7,50 kosten tuchtrecht

• € 80 behandelingskosten

• € 79 kadaster legeskosten

• € 25,50 informatie kosten

• € 331 aan griffierechten conservatoir beslag;

27. tezamen € 928,50 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf

veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

28. te bepalen dat de hiervoor genoemde beslagkosten deel uitmaken van de

proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 Rv jo. artikel 706 Rv.

VII. Proceskosten

29. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de

gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en

- voor het geval voldoening binnen deze termijn uitblijft - te vermeerderen met de nakosten

conform het toepasselijke liquidatietarief, alsmede met de wettelijke rente daarover.

De man voert verweer in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans afwijzing van die vorderingen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

in reconventie

De man vordert - na eiswijziging en na intrekking van een aantal vorderingen - in reconventie:

“Verklaring voor recht

7. [naam vrouw] te veroordelen om, op basis van een uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende overeenkomst, op basis van onverschuldigde betaling, op basis van ongerechtvaardigde verrijking, dan wel op basis van de redelijkheid en billijkheid die de tussen partijen bestaande rechtsverhouding beheerst, aan [naam man] te voldoen een bedrag van € 125.000,00. Dit te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat [naam vrouw] deze veroordeling niet nakomt, en daarmee in verzuim raakt, tot de dag van algehele voldoening.

Vergoedingsvordering

8. Subsidiair, voor het geval de vorderingen met betrekking tot de verklaringen voor recht

(gevorderd onder 4, 5, 6 en 7) worden afgewezen;

9. Te verklaren voor recht dat op basis van de door [naam man] met privé-middelen ten

behoeve van de woning gedane verbouwingsuitgaven, aan hem een vergoedingsrecht

toekomt op [naam vrouw], ter grootte van 50% van de als zodanig aan te merken

verbouwingskosten, dit vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van verzuim, althans vanaf de datum waarop deze vordering concreet en voor [naam vrouw] kenbaar is, tot aan de dag der algehele voldoening.

10. Te bepalen dat de hoogte van de onder punt 8 bedoelde P.M.-post in deze procedure zal

worden vastgesteld, en daartoe:

a. [naam man] toe te staan bij akte een nadere specificatie met bewijsstukken over te

leggen;

b. [naam vrouw] toe te staan daarop bij antwoordakte te reageren;

c. Zo nodig een deskundige (bijvoorbeeld registeraccountant/forensisch financieel

deskundige of bouwkostendeskundige) te benoemen ter begroting van de

kwalificerende verbouwingskosten, met verdeling van het voorschot zoals de rechtbank

goeddunkt.

11- 12. [ingetrokken]

Eigenaars- en gebruikerslasten van de woning

Primair

13. Te verklaren voor recht dat [naam vrouw] sinds 17 april 2025 de woning gelegen te ( [postcode 1] )

[locatie 1] aan de [straatnaam 1] met uitsluiting van [naam man] gebruikt in de zin van artikel 3:169 BW, en dat de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW) meebrengen dat alle aan die woning verbonden eigenaars- en gebruikerslasten volledig voor rekening en risico van [naam vrouw] komen, en door haar gedragen worden, zonder enig recht op verrekening jegens [naam man].

14. [naam vrouw] te veroordelen - zolang het exclusieve gebruik van de woning voortduurt - om tijdig

(derhalve binnen de betreffende betaaltermijnen) alle eigenaars- en gebruikerslasten met

betrekking tot voornoemde woning, waaronder in elk geval (maar niet uitsluitend) begrepen: (1) de verschuldigde hypotheekrente (2) de onroerendezaakbelasting (3) de waterschapslasten (4) opstal-/woonhuisverzekering, (5) de reguliere onderhouds- en instandhoudingskosten, (6) de gemeentelijke heffingen, (7) de kosten voor gas, water en elektra,

voor haar rekening te nemen (te dragen) en te blijven voldoen over de periode vanaf 17 april 2025, tot haar vertrek uit deze woning, dit zonder verrekening met [naam man]. Dit te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:1 19 BW vanaf de dag dat [naam vrouw]

deze veroordeling niet nakomt, en daarmee in verzuim raakt, tot de dag van algehele

voldoening.

15. Te bepalen dat de sedert 1 maart 2025 door [naam man] ten behoeve van de woning betaalde eigenaars en gebruikerslasten, door [naam vrouw] binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [naam man] worden vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:1 19 BW vanaf 1 maart 2025

subsidiair (voor het geval het primair gevorderde wordt afgewezen)

16. Een regeling met betrekking tot het door [naam vrouw] voldoen, en dragen, van de eigenaarslasten

en gebruikerslasten van de woning te treffen die de rechtbank in goede justitie juist acht.

meer subsidiair (voor het geval het primair en subsidiair gevorderde wordt afgewezen)

17. [naam vrouw] te veroordelen om aan [naam man] een gebruiksvergoeding te voldoen van

€ 1.750,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 17 april 2025,

zulks tot het moment dat het exclusieve gebruik van de woning eindigt. Dit te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over iedere niet-tijdig betaalde maandtermijn vanaf de respectieve vervaldata tot de dag der algehele voldoening.

18. Ter Laak te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten.”

De vrouw voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man.

5. De beoordeling

De vorderingen in conventie genummerd 3 tot en met 5, 7, 8 en 13 tot en met 18 van de vrouw kunnen los van de vorderingen in reconventie van de man beoordeeld worden. De rechtbank zal die vorderingen van de vrouw eerst beoordelen. Daarna zal de rechtbank de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie beoordelen die onderling met elkaar samenhangen. Dit betreft de vorderingen 6, 9, 10, 11 en 12 van de vrouw en de vorderingen in reconventie sub 13, 14, 15, 16 en 17 van de man. Vervolgens zal de rechtbank de vorderingen in reconventie sub 7 tot en met 10 van de man beoordelen. Tenslotte zal de rechtbank beslissen over de proceskosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad.

in conventie

De belastingteruggave (vordering 3); de vordering van de vrouw wordt afgewezen

De vrouw stelt dat de man zich de volledige teruggave inkomstenbelasting over 2024 van € 8.107,- heeft toegeëigend en daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt. Volgens de vrouw komt aan haar de helft van die teruggave toe omdat partijen fiscaal partners waren

De man erkent het fiscaal partnerschap maar betwist dat de vrouw recht heeft op de helft van de teruggave. De man stelt dat ieder een eigen aangifte heeft gedaan, dat de teruggave betrekking heeft op zijn aangifte en dat er geen grond is om de teruggave te delen.

De rechtbank overweegt het volgende. Partijen waren fiscaal partners. Bij fiscaal partnerschap doen de partners ieder een eigen aangifte, maar kunnen zij bepaalde inkomsten en aftrekposten over beide aangiften verdelen om zo min mogelijk belasting te betalen. De ene partner kan de andere dus bevoordelen - bijvoorbeeld met een aftrekpost - om samen minder belasting te betalen. Als dat leidt tot een teruggave aan de andere partner, dan is dat niet een gezamenlijke aanspraak jegens de belastingdienst, maar een aanspraak van de partner wiens aangifte tot die teruggave heeft geleid. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat de vrouw de man heeft bevoordeeld door overheveling van aftrekposten of anderszins. Bovendien, als van een dergelijke bevoordeling al sprake is geweest, dan is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking want er ligt een bewuste keuze van partijen - een (stilzwijgende) overeenkomst - aan ten grondslag. Mogelijk moet de man de teruggave delen op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar door de vrouw zijn geen feiten gesteld die die conclusie kunnen dragen. De vordering van de vrouw wordt dus afgewezen.

De trouwjurk (vordering 4); de vordering van de vrouw wordt afgewezen

De vrouw stelt dat zij een regresvordering op de man heeft van € 921,60. Zij heeft een trouwjurk gekocht voor het voorgenomen huwelijk van partijen dat niet is doorgegaan, en heeft daarvoor € 1.843,20 betaald. De man moet hier de helft van betalen, aldus de vrouw. Volgens de man bestaat er geen rechtsgrond voor deze vordering. De omstandigheid dat de ene partij de relatie verbreekt, betekent niet dat deze ten opzichte van de ander onzorgvuldig heeft gehandeld en schadeplichtig is, aldus de man.

De rechtbank wijst de vordering van de vrouw af. Gesteld noch gebleken is dat partijen hebben afgesproken de trouwjurk samen te betalen. Mogelijk moet de man bijdragen in de kosten van de trouwjurk op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar door de vrouw zijn geen feiten gesteld die die conclusie kunnen dragen. Het enkele feit dat de relatie is verbroken is daartoe onvoldoende. De vordering van de vrouw wordt dus afgewezen.

Het alarmsysteem (vordering 5;: de vordering van de vrouw wordt afgewezen

De vrouw heeft in augustus 2025 € 2.244,55 betaald voor de aanschaf en installatie van een alarmsysteem. Volgens de vrouw is dit een duurzame investering die de waarde van de woning heeft verhoogd. De man profiteert hiervan mee en moet de helft hiervan betalen. De man voert aan dat hij geen noodzaak zag voor het alarmsysteem en het niet wilde. Aan zijn kant zijn daarom geen kosten bespaard, en van een waardevermeerdering van de woning is volgens de man evenmin sprake.

De rechtbank wijst de vordering van de vrouw af en licht dit als volgt toe.

De vrouw heeft een vordering op de man als sprake is van een overeenkomst waar dit uit voortvloeit, als sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de man, of als dit in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid (Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Dat sprake is van een overeenkomst als hiervoor bedoeld, blijkt niet uit de gestelde feiten en valt ook niet te lezen in de WhatsApp-berichten die door de vrouw zijn overgelegd als productie 58. Dat de woning in waarde is vermeerderd door de installatie van het alarmsysteem is door de man betwist en door de vrouw niet onderbouwd, en staat daarmee niet vast. Ook staat niet vast dat de man geld heeft bespaard doordat de vrouw de installatie heeft betaald, want de man heeft aangevoerd dat hij het alarmsysteem niet wilde en dit is door de vrouw niet, althans onvoldoende betwist. Van ongerechtvaardigde verrijking is dus geen sprake. Mogelijk moet de man bijdragen in de kosten van het alarmsysteem op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar door de vrouw zijn geen feiten gesteld die die conclusie kunnen dragen. De vordering van de vrouw wordt daarom afgewezen.

De verzekeringsuitkering (vordering 7); de vordering van de vrouw wordt afgewezen

De vrouw vordert € 3.400,- van de man omdat de man € 6.800,- van de gezamenlijke rekening van partijen heeft overgemaakt naar zijn privérekening. Dit bedrag van € 6.800,- betrof een schade-uitkering van de verzekering in verband met een diefstal van goederen van de vrouw. Volgens de man is dit geschilpunt geschikt en heeft hij aan de schikking uitvoering gegeven.

De vordering van de vrouw wordt afgewezen. In haar WhatsApp-bericht van 12 mei 2025 (productie 2 van de man) heeft de vrouw voorgesteld dat zij geen aanspraak zou maken op het gehele bedrag van € 6.800,- als de man de helft aan haar zou overmaken. De man heeft de helft (€ 3.400,-) op 23 mei 2025 (als deel van een groter bedrag) naar de vrouw overgemaakt. Dit is door de vrouw niet betwist en staat daarmee vast. De vrouw kan dus geen aanspraak meer maken op betaling van enig bedrag door de man.

De onttrekking van € 1.191,- aan de gezamenlijke rekening; de vordering van de vrouw wordt afgewezen

De vrouw vordert € 595,50 van de man omdat de man op 16 juli 2025 € 1.191,- van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening heeft overgeboekt. De man stelt dat hij dit heeft gedaan omdat hij mede namens de vrouw betalingen had verricht aan de hypotheekbank.

De rechtbank overweegt als volgt. Dat de gezamenlijke rekening op naam van beide partijen staat, betekent niet dat ieder van partijen op ieder moment recht heeft op de helft van het saldo van die rekening. Van belang is wat de bedoeling van partijen is en, in dat verband, door wie van partijen de bankrekening is gevoed. De vrouw heeft daaromtrent niets gesteld. Zij heeft dus onvoldoende feiten gesteld om te kunnen vaststellen of sprake is van een vordering en, zo dat het geval is, hoe groot die vordering is. De vordering wordt daarom afgewezen.

De aandelen [bedrijf A]; de vordering van de vrouw wordt deels toegewezen

De vrouw stelt dat de gezamenlijke hypothecaire geldlening van partijen in augustus 2022 is verhoogd met € 119.345,87,- ten behoeve van een verbouwing van de woning en dat de man dit bedrag zonder haar toestemming in oktober 2022 heeft gebruikt voor de aankoop van aandelen in [bedrijf A] (hierna: de aandelen). De aankoopprijs van de aandelen bedroeg € 147.000,-. Op grond van deze feiten vordert de vrouw primair een verklaring voor recht dat de man de aankoop van de aandelen heeft gefinancierd met gemeenschappelijke middelen, en veroordeling van de man tot betaling van de helft van het aankoopbedrag van de aandelen, dus een bedrag van € 73.500,-. Subsidiair vordert de vrouw een verklaring voor recht dat de aandelen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn, en toedeling van de helft van de aandelen aan haar. Meer subsidiair vordert de vrouw veroordeling van de man tot betaling van een bedrag gelijk aan de verrijking die hij heeft genoten door het gebruik van gemeenschappelijke middelen voor aankoop van de aandelen.

De man stelt dat hij een lening had afgesloten bij zijn broer voor (onder meer) de aankoop van de aandelen, maar dat zijn broer het geld niet op tijd vrij kon maken en dat hij daarom € 119.345,87,- uit de opbrengst van de hypotheekverhoging heeft gebruikt voor de aankoop van de aandelen. De man stelt ook dat hij van dit bedrag € 100.000,- (één keer € 90.000,- en één keer € 10.000,-) heeft teruggestort op de gemeenschappelijke rekening. De man erkent dus dat hij per saldo € 19.345,87 uit de opbrengst van de hypotheekverhoging heeft gebruikt voor de aankoop van de aandelen, maar hij betwist het meerdere.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot het uit de verhoging van de hypothecaire lening verkregen bedrag van € 119.345,87. Zij zijn immers hoofdelijk voor de hypotheek verbonden en de hypotheek is gevestigd op de woning waarin zij ieder een 50% aandeel hebben. Als de man de opbrengst van de hypotheekverhoging of een deel daarvan zonder toestemming van de vrouw heeft gebruikt voor de aankoop van de aandelen, moet hij dus de helft van dat bedrag aan de vrouw vergoeden.

Vast staat dat de man € 119.345,87 uit de opbrengst van de hypotheekverhoging heeft gebruikt om een deel van de kooprijs van de aandelen te betalen. Dat de vrouw hiermee heeft ingestemd, is gesteld noch gebleken. Weliswaar wist de vrouw volgens de man dat het bedrag van € 119.345,87 werd gebruikt voor de aankoop van de aandelen, maar in de stellingen van de man ligt besloten dat dit tijdelijk was, en dat dit bedrag dus moest worden terugbetaald aan de gemeenschap. Ook staat vast dat de man € 19.345,87 niet heeft terugbetaald. De man is dus in elk geval de helft van € 19.345,87, dat is € 9.672,94 aan de vrouw verschuldigd.

De vraag is of de man het resterende bedrag van € 100.000,- heeft terugbetaald, zoals hij stelt.

De man stelt dat hij op 10 november 2022 € 90.000,- heeft terugbetaald aan de gemeenschap door overboeking naar de gezamenlijke rekening. Ter onderbouwing van die stelling heeft de man in zijn productie 13 een afschrift van zijn privérekening van 31 november 2022 overgelegd. Uit dat afschrift blijkt dat op 11 november 2022 een bedrag van € 90.000,- op die privérekening is gestort door de broer van de man met als omschrijving “lening”, en dat de man op dezelfde dag € 90.000,- van die rekening heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen. De vrouw betwist deze betalingen niet maar stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat hiermee niet vaststaat dat de man het bedrag van € 90.000,- daadwerkelijk heeft terugbetaald omdat het goed mogelijk is dat de man het bedrag van € 90.000,- na 11 november 2022 weer heeft teruggeboekt naar zijn privérekening. De vrouw wijst erop dat uit het door de man overgelegde afschrift blijkt dat de man op 26 november 2022 € 10.000,- heeft overgemaakt van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening.

Ten aanzien van het teruggeboekte bedrag van € 10.000,- stelt de man - zo begrijpt de rechtbank - dat hij dit heeft gebruikt om contante betalingen te doen aan [bedrijf B], de aannemer die de verbouwing van de woning heeft uitgevoerd. De man stelt dat hij in totaal € 12.000,- contant heeft betaald aan [bedrijf B]. Dat is echter door de vrouw betwist. De man heeft daartegenover geen feiten aangevoerd waaruit de contante betalingen blijken, zoals bijvoorbeeld kwitanties of een verklaring van [bedrijf B]. Dat het teruggeboekte bedrag van € 10.000,- ten goede is gekomen aan de gemeenschap staat dus niet vast, en aan bewijslevering op dit punt wordt wegens het gebrek aan onderbouwing door de man niet toegekomen. Het teruggeboekte bedrag van € 10.000,- strekt daarom in mindering op het door de man terugbetaalde bedrag van € 90.000,-. Dat de man nog andere bedragen heeft teruggeboekt, is door de vrouw niet met feiten onderbouwd. Ook op dit punt wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Aldus staat vast dat de man € 80.000,- aan de gemeenschap heeft terugbetaald.

De man stelt dat hij op 24 april 2024 nog een bedrag van € 10.000,- heeft terugbetaald aan de gemeenschap door overboeking naar de gezamenlijke rekening. Ter onderbouwing van die stelling heeft de man in zijn productie 13 een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de vennootschap van de broer van de man op 24 april 2024 een bedrag van € 10.000,- heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen met als omschrijving “eerste gedeelte lening”. De vrouw heeft deze betaling niet betwist en heeft evenmin betwist dat dit een gedeeltelijke terugbetaling door de man van het bedrag van € 119.3435,87 betreft, zodat dat tussen partijen vaststaat.

Uit het voorgaande volgt dat vaststaat dat de man de opbrengst van de hypotheekverhoging (€ 119.345,87) heeft gebruikt voor de aankoop van de aandelen en dat hij van dat bedrag (€ 80.000,- + € 10.000,- =) € 90.000,- heeft terugbetaald aan de gemeenschap. De man heeft dus per saldo € 119.345,87 -/- € 90.000,- =) € 29.345,87 van de opbrengst van de hypotheekverhoging gebruikt voor de aankoop van de aandelen. De man moet de helft daarvan, dat is € 14.672,94, aan de vrouw vergoeden. De rechtbank zal de man daartoe veroordelen.

De vrouw vordert vergoeding van de wettelijke rente over het door haar gevorderde bedrag vanaf 6 oktober 2022. Nu gesteld noch gebleken is dat de man in gebreke is gesteld of anderszins in verzuim is geraakt, zal de rechtbank de wettelijke rente over € 14.672,94 toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding, dus vanaf 2 september 2025.

De door de vrouw gevorderde verklaring voor recht dat de aandelen zijn gefinancierd met gemeenschappelijke middelen van partijen wordt afgewezen omdat de vrouw geen belang bij die verklaring heeft gesteld.

Omdat de primaire vordering van de vrouw (€ 73.500,-) niet geheel wordt toegewezen, komt de rechtbank toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering.

De vrouw vordert subsidiair een verklaring voor recht dat de aandelen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn, en toedeling van de helft van de aandelen aan haar. Deze vordering wordt afgewezen omdat gesteld noch gebleken is dat de aandelen door partijen in mede-eigendom zijn verworven.

Meer subsidiair vordert de vrouw veroordeling van de man tot betaling van een bedrag gelijk aan de verrijking die hij heeft genoten door het gebruik van gemeenschappelijke middelen voor aankoop van de aandelen. Deze vordering wordt afgewezen omdat gesteld noch gebleken is dat de man door de aankoop van de aandelen is verrijkt.

Uit het voorgaande volgt dat de man € 14.672,94 aan de vrouw moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling.

in conventie en in reconventie

Een aantal vorderingen van partijen in conventie en in reconventie heeft betrekking op de woonlasten van de woning. Het betreft de vorderingen 6, 9, 10, 11 en 12 van de vrouw en de vorderingen in reconventie sub 13, 14, 15, 16 en 17 van de man.

Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst (artikel 7) overeenstemming bereikt over hun onderlinge draagplicht van de woonlasten na 1 maart 2025. Die overeenstemming houdt in dat de aflossingen op de hypotheek en op de lening van Paribas na 1 maart 2025, door partijen 50/50 worden gedragen, en dat de overige woonlasten van 1 maart 2025 tot eind maart 2026 door de vrouw worden gedragen en na maart 2026 door partijen 50/50 worden gedragen. Gelet op deze overeenkomst, beschouwt de rechtbank de vorderingen 9, 10 en 12 van de vrouw en de vorderingen 13 en 14 van de man als ingetrokken. De overige vorderingen die zien op woonlasten (dus vorderingen 6 en 11 van de vrouw, en vorderingen 15, 16 en 17 van de man) moeten aan deze overeenkomst worden getoetst.

De gemeentelijke heffingen over 2025 (vordering 6 van de vrouw); de vordering wordt deels toegewezen

Onder vordering 6 vordert de vrouw € 780,97 van de man wegens door haar betaalde gemeentelijke heffingen. Zij stelt dat zij de gemeentelijke heffingen over 2025 ten bedrage van € 1.561,93 heeft betaald, en dat die heffingen zijn aan te merken als gezamenlijke lasten. Zij vordert ook wettelijke rente. De man stelt dat hij niet gehouden is bij te dragen in de gemeentelijke heffingen over 2025 omdat de vrouw alleen in de woning woonde.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Vanaf 1 maart 2025 geldt tussen partijen de afspraak als vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. Dat betekent voor de gemeentelijke heffingen over 2025 dat de vrouw geheel draagplichtig is voor de periode na 1 maart 2025. Over de periode tot 1 maart 2025 (januari en februari 2025) hebben partijen geen afspraak gemaakt. Partijen woonden toen samen in de woning. De man moet daarom over die periode de helft van de gemeentelijke heffingen dragen. Dit volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die gelden tussen deelgenoten in een gemeenschap. De man moet dus de helft van de gemeentelijke heffingen (inclusief de aanmaningskosten) over januari en februari 2025, dus over 2/12e van 2025, dragen. Dat betekent dat de man (0,5 x 2/12e x € 1.561,93 =) € 130,16 aan de vrouw moet betalen.

De vrouw vordert vergoeding van de wettelijke rente over het door haar gevorderde bedrag vanaf de datum waarop zij de heffingen heeft betaald. Nu gesteld noch gebleken is dat de man in gebreke is gesteld of anderszins in verzuim is geraakt, zal de rechtbank de wettelijke rente over € 130,16 toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding, 2 september 2025.

Vordering 11 van de vrouw en vorderingen 15, 16 en 17 van de man; de vorderingen worden afgewezen

Onder nummer 11 van de eis in conventie vordert de vrouw een bedrag van € 3.922,06 van de man. De vrouw stelt dat zij van 1 maart 2025 tot 7 augustus 2025 te veel heeft betaald aan de gezamenlijke woonlasten en daarom een regresvordering heeft op de man van € 3.922,06 te vermeerderen met wettelijke rente.

Volgens de man is de vordering van de vrouw niet concreet en onvoldoende onderbouwd; dit bedrag blijkt niet uit het overzicht dat de vrouw heeft overgelegd als productie 2 bij dagvaarding, er zitten overlappende posten in dat overzicht, en vanaf het moment dat de man de woning verliet en eigen woonlasten had was de afspraak dat de vrouw de lasten van de woning zou betalen. Bovendien heeft de man sinds begin maart 2025 nog bijgedragen aan de gezamenlijke lasten, onder meer door geld over te maken op de gezamenlijke rekening van partijen.

De man stelt dat hij een vordering heeft op de vrouw omdat hij vanaf 1 maart 2025 heeft meebetaald aan woonlasten, en vordert onder nummer 15 van zijn eis in reconventie - zo begrijpt de rechtbank - vergoeding van de door hem van 1 maart 2025 tot 31 december 2025 betaalde woonlasten met rente.

Volgens artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst heeft de vrouw over de periode van 1 maart 2025 tot 7 augustus 2025 een vordering op de man voor zover zij meer dan de man heeft afgelost op de hypotheek en op de lening van Paribas. Uit de stellingen van de vrouw valt echter niet op te maken welk bedrag aan aflossingen zij in die periode heeft betaald en welk bedrag aan aflossingen de man heeft betaald. Het is niet aan de rechtbank om dit te destilleren uit de door de vrouw overgelegde producties, als dat al mogelijk is. Dat betekent dat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat zij een vordering heeft op grond van artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst en, zo ja, hoe groot die vordering is. De vordering van de vrouw (vordering 11) wordt daarom afgewezen.

De man heeft volgens artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst over de periode van 1 maart tot eind 2025 een vordering op de vrouw voor zover hij meer dan de vrouw heeft afgelost op de hypotheek en de lening van Paribas, en voor zover hij in die periode heeft bijgedragen in de overige woonlasten. Uit de stellingen van de man valt echter niet op te maken welk deel van de door hem betaalde lasten bestaat uit aflossingen en welk deel uit overige woonlasten, en evenmin hoeveel de vrouw heeft betaald aan aflossingen. Het is niet aan de rechtbank om dit te destilleren uit de door de man overgelegde producties, als dat al mogelijk is. Aldus heeft de man onvoldoende feiten gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van een vordering op grond van artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst en, zo dat het geval is, hoe groot die vordering is. De vordering van de man (vordering 15) wordt daarom eveneens afgewezen.

De man vordert subsidiair dat de rechtbank een regeling met betrekking tot de woonlasten treft die de rechtbank in goede justitie juist acht. Die regeling hebben partijen echter zelf getroffen in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst. De man heeft dus geen belang bij deze vordering.

Meer subsidiair vordert de man een vergoeding voor het gebruik van de woning met ingang van 17 april 2025. Die vordering verhoudt zich echter niet tot de afspraken die partijen met betrekking tot de woonlasten hebben gemaakt in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst en wordt daarom ook afgewezen.

Uit 5.27 tot en met 5.38 volgt dat de man € 130,16 aan de vrouw moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling. Tezamen met het in 5.26 genoemde bedrag heeft de vrouw dus (€ 130,16 + € 14.672,94 =) € 14.803,10 van de man te vorderen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling. De rechtbank zal de man tot betaling van dat bedrag veroordelen.

in reconventie

Vordering 7 van de man en zijn subsidiaire vorderingen 8, 9 en 10; vordering 7 wordt deels toegewezen

De man stelt dat hij € 250.000,- heeft geleend van zijn broer en dat hij met dat geld - zo begrijpt de rechtbank - de volgende betalingen ten behoeve van partijen heeft verricht:

- € 80.000,- ter gedeeltelijke betaling van drie facturen van [bedrijf B] van in totaal € 108.079,62;

- € 1.972,99 ter betaling van een factuur van Westwing;

- € 27.715,58 ter betaling van een factuur van Batenburg;

- € 75.000,- ter aflossing van een lening van Defam;

- € 12.000,- in contanten aan [bedrijf B]; en

- € 18.057,50 ter aflossing van een creditcard-schuld.

De man vordert betaling van de helft van het door hem van zijn broer geleende bedrag, dus € 125.000,-, van de vrouw, te vermeerderen met wettelijke rente (vordering 7), op basis van een uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende overeenkomst, op basis van onverschuldigde betaling, op basis van ongerechtvaardigde verrijking, op basis van de redelijkheid en billijkheid die de tussen partijen bestaande rechtsverhouding beheerst, dan wel op basis van artikel 6:10 BW. Subsidiair (vorderingen 8, 9 en 10) vordert de man - zo begrijpt de rechtbank - een verklaring voor recht dat hij een vordering heeft op de vrouw ter grootte van 50% van de door hem betaalde verbouwingskosten met wettelijke rente, en vaststelling van die vordering door de rechtbank.

De vrouw betwist de betalingen en betwist haar bijdrageplicht. Ook verhouden de stellingen van de man zich volgens de vrouw niet tot zijn stelling dat € 100.000,- van de lening van de broer is gebruikt voor de aankoop van de aandelen.

De man heeft zijn stellingen dat de vrouw partij is bij de leningovereenkomst en dat partijen ieder voor een gelijk deel verbonden zijn voor de terugbetaling van de lening ter zitting ingetrokken. Aldus staat vast dat alleen de man jegens zijn broer aansprakelijk is voor de terugbetaling van de lening. Waarom de vrouw desalniettemin moet bijdragen in de schuld aan de broer is door de man noch toegelicht, noch onderbouwd. De rechtbank begrijpt de primaire vordering van de man daarom aldus dat een bijdrage van de vrouw wordt gevorderd voor zover de man met het geleende geld kosten van de verbouwing van de woning of kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald.

De rechtbank zal hierna beoordelen of de verschillende door de man gestelde betalingen tot een vordering op de vrouw leiden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de man zijn vordering uitsluitend heeft onderbouwd voor zover die is gebaseerd op artikel 6:10 BW. Dat sprake is van een vordering op één van de overige door de man genoemde rechtsgronden is door de man op geen enkele wijze met feiten onderbouwd. Nu de vrouw de vordering van de man heeft betwist, had dat wel op zijn weg gelegen. Voor zover zijn vordering is gebaseerd op die rechtsgronden, wordt die vordering daarom afgewezen.

De rechtbank zal hierna beoordelen of de man een regresvordering heeft op de vrouw op grond van artikel 6:10 BW, dus op de grond dat de man schulden heeft betaald waarvoor partijen hoofdelijk verbonden waren.

De betaling van € 80.000,- aan [bedrijf B]

De stellingen van de man komen erop neer dat van het bedrag van € 90.000,- dat hij op 10 november 2022 heeft overgeboekt naar de gezamenlijke rekening van partijen (zie 5.17), € 80.000,- is gebruikt om een deel te betalen van drie facturen van [bedrijf B] in verband met de verbouwing van de woning. Partijen waren volgens de man hoofdelijk verbonden voor die facturen (de facturen staan op naam van “[naam man]”) en de vrouw moet daarom volgens de man de helft van het bedrag van € 80.000,- aan hem vergoeden. Echter, met het bedrag van € 80.000,- dat volgens de man is gebruikt om een deel van drie facturen van [bedrijf B] te betalen, is een deel van een schuld van de man aan de gemeenschap voldaan, zie 5.18. Als dat bedrag vervolgens is gebruikt om een deel van drie facturen van [bedrijf B] te betalen, zoals de man stelt, dan is die betaling dus niet uit privévermogen van de man gedaan, maar met gemeenschapsgeld. De man heeft dus geen regresvordering op de vrouw vanwege de gedeeltelijke betaling van de drie facturen van [bedrijf B].

De betaling van € 1.972,99 aan Westwing

De man stelt dat hij een factuur van Westwing van € 1.972,99 heeft betaald en dat hij daarom een regresrecht heeft op de vrouw. De factuur staat echter op naam van de man alleen, en de vrouw heeft betwist dat zij met de man hoofdelijk aansprakelijk is jegens Westwing. Het lag daarom op de weg van de man om met feiten te onderbouwen dat, zoals hij kennelijk stelt, sprake is van een hoofdelijke schuld. Dat heeft de man niet gedaan. Daarom wordt de vordering van de man, voor zover gebaseerd op de betaling van de factuur van Westwing, afgewezen.

De betaling van € 27.715,58 aan Batenburg

De man stelt dat hij ook wegens de betaling van een factuur van Batenburg van € 27.715.58 een regresvordering heeft op de vrouw. Volgens de man is de schuld uit hoofde van die factuur een hoofdelijke schuld van partijen, en is de vrouw op grond van artikel 6:10 BW verplicht voor de helft in die schuld bij te dragen. De vrouw heeft de betaling en de hoofdelijkheid betwist.

Dat de factuur van Batenburg door de man is betaald, blijkt uit de door de man als productie 13 overgelegde afschriften van zijn privérekening bij ABN Amro. De betaling staat daarmee vast. Dat sprake is van een hoofdelijke schuld is door de man onderbouwd met een kopie van de factuur waaruit blijkt dat de factuur op naam van beide partijen is gesteld. In het licht hiervan, lag het op de weg van de vrouw om haar betwisting met feiten te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan en daarom staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de vrouw met de man hoofdelijk aansprakelijk was voor de schuld aan Batenburg. Omdat die schuld ziet op de verbouwing van de woning aan de [straatnaam 2] , waar partijen samen, elk voor de onverdeelde helft, eigenaar van zijn, gaat die schuld ieder van partijen in hun onderlinge verhouding voor de helft aan. De vrouw moet dus voor de helft bijdragen in die schuld. Dat betekent dat de man op grond van artikel 6:10 BW een vordering van ( € 27.715,58 : 2 =) € 13.857,79 heeft op de vrouw.

De betaling van € 75.000,- aan Defam

Volgens de man zijn partijen samen een lening van € 75.000,- aangegaan bij Defam ten behoeve van de verbouwing van de woning. De man stelt dat hij € 75.000,- heeft betaald ter aflossing van deze lening en vordert vergoeding van de helft van dat bedrag door de vrouw. De vrouw heeft de betaling en haar bijdrageplicht betwist.

De man heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een kopie van de leningsovereenkomst van partijen met Defam overgelegd waaruit blijkt dat partijen hoofdelijk aansprakelijk waren voor de schuld aan Defam. De man heeft ook afschriften van zijn privérekening bij ABN Amro overgelegd waaruit blijkt dat hij op 11 mei 2022 € 45.000,- heeft betaald aan Defam en op 3 juni 2024 € 24.684,78 aan Alfam. Defam is, zo blijkt uit de leningovereenkomst, onderdeel van Alfam. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de man uit privémiddelen € 69.684,78 heeft betaald op de gezamenlijke schuld aan Defam. Dat de man méér dan dat heeft betaald op die schuld, blijkt niet uit de stukken en staat dus niet vast.

Omdat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld aan Defam en die schuld, zoals de man onbetwist heeft gesteld, is aangegaan ten behoeve van de verbouwing van de woning waar partijen samen, elk voor de onverdeelde helft, eigenaar van zijn, gaat die schuld partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft aan. Dat betekent dat de man op grond van artikel 6:10 BW een vordering van (€ 69.684,78 : 2 =) € 34.842,39 heeft op de vrouw.

De contante betaling van € 12.000,- aan [bedrijf B]

De man stelt dat hij zes opnames van € 2.000,- heeft gedaan van zijn privérekening en dat hij daarmee € 12.000,- contant heeft betaald aan [bedrijf B]. De vrouw moet hiervan de helft aan hem terugbetalen, aldus de man. Zoals in 5.18 overwogen, staat de door de man gestelde contante betaling echter niet vast en wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen. De rechtbank wijst de vordering van de man daarom af.

De aflossing van de creditcardschuld

De man stelt dat hij € 18.057,50 heeft afgelost op een creditcardschuld die is ontstaan door betalingen ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. De man vordert de helft van dat bedrag van de vrouw. De vrouw betwist haar bijdrageplicht. Tegenover deze betwisting heeft de man geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat sprake was van een hoofdelijke schuld. Ook heeft de man geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat hij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan hem in de onderlinge verhouding van partijen aangaat. De rechtbank wijst de vordering van de man daarom af.

Slotsom met betrekking vordering 7 van de man

Uit 5.40 tot en met 5.54 volgt dat de vrouw (€ 13.857,79 + € 34.842,39 =) € 48.700,18 aan de man moet betalen. De rechtbank zal de vrouw daartoe veroordelen. De man vordert vergoeding van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat de vrouw deze veroordeling niet nakomt tot de dag van algehele voldoening. Deze vordering zal, als onbetwist, worden toegewezen.

De subsidiaire vorderingen van de man (vorderingen 8, 9 en 10); deze vorderingen worden afgewezen

Omdat de primaire vordering van de man (€ 125.000,-) niet geheel wordt toegewezen, komt de rechtbank toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering.

De man vordert subsidiair - zo begrijpt de rechtbank - een verklaring voor recht dat hij een vordering heeft op de vrouw ter grootte van 50% van de door hem betaalde verbouwingskosten met wettelijke rente, en vaststelling van die vordering door de rechtbank. Bij de beoordeling van de primaire vordering van de man heeft de rechtbank echter al beoordeeld of de man een vordering heeft op de vrouw wegens betaling van de in 5.40 genoemde verbouwingskosten. Dat de man nog andere verbouwingskosten uit privévermogen heeft betaald, is gesteld noch gebleken. De subsidiaire vordering van de man wordt daarom afgewezen.

proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen (ex-partners) zullen de proceskosten in conventie en in reconventie, inclusief de beslagkosten van de vrouw, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

uitvoerbaarheid bij voorraad

De vrouw vordert dat de veroordeling van de man in conventie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd zodat die vordering zal worden toegewezen. De man heeft in reconventie níet gevorderd dat de veroordeling van de vrouw uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de veroordeling van de vrouw in reconventie niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 14.803,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling;

verklaart de veroordeling in 6.1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 48.700,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW tot aan de dag van betaling als de vrouw niet tijdig betaalt;

in conventie en reconventie

compenseert de kosten van de procedure, inclusief de beslagkosten, tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026

3246/3310

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand