ECLI:NL:RBROT:2026:13345

ECLI:NL:RBROT:2026:13345

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer ROT 26/6530
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Omdat eiseres zich door een gemachtigde (de gemachtigde) laat vertegenwoordigen, vindt naar vaste rechtspraak bekendmaking van het besluit op bezwaar plaats door dit in overeenstemming met artikel 6:17 in samenhang met artikel 7:12 lid 2 Awb aan de gemachtigde te verzenden (bijv. ECLI:NL:CBB:2023:109, punt 3). Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan een besluit op de juiste wijze bekend heeft gemaakt indien dit het besluit naar het laatst opgegeven adres van de belanghebbende heeft verzonden (bijv. ECLI:NL:RVS:2018:3445 en ECLI:NL:CRVB:2022:2056, punt 4.2). Die rechtsregel geldt naar het oordeel van de rechtbank op dezelfde wijze indien de belanghebbende zich – zoals in dit geval – laat vertegenwoordigen. Juist van een professioneel gemachtigde mag immers worden verlangd dat die zijn adreswijziging opgeeft in een lopende bezwaarprocedure. Indien de gemachtigde dit nalaat, komt dit voor risico van zijn cliënt (vgl. ECLI:NL:CRVB:2009:BK8344, punt 5.1 en ECLI:NL:CBB:2024:31, punt 5.1 en 5.2). Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde een adreswijziging heeft doorgegeven, terwijl dit wel van hem mocht worden verlangd. Evenmin zijn er bijzondere omstandigheden naar voren gekomen waaruit volgt dat de minister had kunnen weten dat het in het bezwaarschrift opgegeven adres van de gemachtigde was achterhaald (vgl. ECLI:NL:RVS:2026:4595, punt 2.1). De omstandigheid dat de gemachtigde het besluit pas heeft ontvangen nadat de minister dit opnieuw na adresverificatie heeft verzonden, brengt niet mee dat na die verzending opnieuw een beroepstermijn is aangevangen.

Uitspraak

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de minister van Financiën, Dienst Financieel-Economische Integriteit (de minister).

Inleiding

1. Met het besluit van 19 september 2025 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete van € 2.575 opgelegd wegens overtreding van artikel 19, eerste lid, in samenhang met artikel 15a van de Handelsregisterwet 2007.

2. Met het bestreden besluit op bezwaar van 2 juni 2026 heeft de minister het bezwaar deels gegrond verklaard en de boete verlaagd tot € 1.750.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. In artikel 6:8, eerste lid, is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Uit artikel 6:17 volgt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde stelt. Uit artikel 7:12, tweede lid, volgt dat de beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Gelet op artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6. Het bestreden besluit dateert van 2 juni 2026, terwijl het beroepschrift – dat is gedateerd op 22 juli 2026 – door de rechtbank pas op 7 augustus 2026 is ontvangen. Tussen het besteden besluit en de ontvangst van het beroep ligt meer dan zes weken. Gelet hierop zal de rechtbank zich ambtshalve dienen te buigen over de vraag of tijdig beroep is ingesteld en indien dit niet het geval is over de vraag of verschoonbaar te laat beroep is ingesteld (ECLI:NL:CBB:2024:31, punt 7.1 en ECLI:NL:OGHACMB:2022:116). Beide vragen beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe neemt zij het volgende in aanmerking.

7. Omdat eiseres zich door een gemachtigde (de gemachtigde) laat vertegenwoordigen, vindt naar vaste rechtspraak bekendmaking van het besluit op bezwaar plaats door dit in overeenstemming met artikel 6:17 in samenhang met artikel 7:12, tweede lid, van de Awb aan de gemachtigde te verzenden (bijv. ECLI:NL:CBB:2023:109, punt 3). Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan een besluit op de juiste wijze bekend heeft gemaakt indien dit het besluit naar het laatst opgegeven adres van de belanghebbende heeft verzonden (bijv. ECLI:NL:RVS:2018:3445 en ECLI:NL:CRVB:2022:2056, punt 4.2). Die rechtsregel geldt naar het oordeel van de rechtbank op dezelfde wijze indien de belanghebbende zich – zoals in dit geval – laat vertegenwoordigen. Juist van een professioneel gemachtigde mag immers worden verlangd dat die zijn adreswijziging opgeeft in een lopende bezwaarprocedure. Indien de gemachtigde dit nalaat, komt dit voor risico van zijn cliënt (vgl. ECLI:NL:CRVB:2009:BK8344, punt 5.1 en ECLI:NL:CBB:2024:31, punt 5.1 en 5.2).

8. Als uitgangspunt geldt aldus dat bekendmaking kan plaatsvinden door het besluit op bezwaar te verzenden naar het adres dat de gemachtigde zelf in het bezwaarschrift heeft opgegeven. De minister heeft het bestreden besluit op 2 juni 2026 gezonden naar het adres van de gemachtigde dat in het bezwaarschrift stond vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is met die verzending het bestreden besluit bekendgemaakt. Een bijzondere omstandigheid die maakt dat van de minister had mogen verlangd dat hij in weerwil van bovengenoemd uitgangspunt een adresverificatie zou verrichten alvorens het bestreden besluit te verzenden, is de rechtbank niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde een adreswijziging heeft doorgegeven, terwijl dit wel van hem mocht worden verlangd. Evenmin zijn er bijzondere omstandigheden naar voren gekomen waaruit volgt dat de minister had kunnen weten dat het in het bezwaarschrift opgegeven adres van de gemachtigde was achterhaald (vgl. ECLI:NL:RVS:2026:4595, punt 2.1).

9. Dat het bestreden besluit vanwege de adreswijziging als onbestelbaar aan de minister is geretourneerd, doet daarom niet af aan de bekendmaking. De beroepstermijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb) is daarom gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen de dag volgende op de verzending, dus op 3 juni 2026 en liep tot en met 14 juli 2026. De omstandigheid dat de gemachtigde het besluit pas heeft ontvangen nadat de minister dit opnieuw na adresverificatie heeft verzonden op 8 juli 2026, brengt niet mee dat na die verzending opnieuw een beroepstermijn is aangevangen. De gemachtigde heeft pas op 7 augustus 2026 beroep ingesteld. Dat is dus te laat.

10. De gemachtigde heeft in het beroepschrift over de termijnoverschrijding vermeld dat de eerdere verzending retour bij de minister is gekomen, omdat het adres van de gemachtigde is gewijzigd en dat het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na deze nieuwe toezending van 8 juli 2026, althans zo spoedig mogelijk daarna.

11. Op grond van inmiddels vaste rechtspraak dient, wanneer het niet aan belanghebbende is te wijten dat een wel bekendgemaakt besluit niet is ontvangen, van verschoonbaarheid te worden uitgegaan indien alsnog binnen zes weken bezwaar wordt gemaakt nadat de belanghebbende alsnog op de hoogte is geraakt van het besluit (bijv. ECLI:NL:HR:2024:515, punt 4.2.5 en ECLI:NL:CBB:2024:31, punt 4.2). De gemachtigde kan geen beroep doen op deze rechtspraak, die een verspoeling inhoudt ten opzichte van de eerder in de rechtspraak gehanteerde termijn van twee weken om alsnog verschoonbaar een rechtsmiddel in te stellen. De rechtbank heeft hiervoor immers geoordeeld dat het aan de gemachtigde zelf is te wijten dat het besluit van 2 juni 2026 eerst op of na 8 juli 2026 door hem is ontvangen. De rechtbank acht geen bijkomende omstandigheden aanwezig om toch verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb aan te kunnen nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde niet door de brief van de minister van 8 juli 2026 op het verkeerde been kan zijn gezet over de aanvang van de beroepstermijn (vgl. ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6178, punt 5.3.2). In die brief is namelijk vermeld dat het bestreden besluit op 2 juni 2026 is verzonden naar het in bezwaar opgegeven adres van de gemachtigde, maar dat dit retour is gekomen omdat het adres is gewijzigd. In de brief van 8 juli 2026 is niet vermeld dat met die brief een nieuwe beroepstermijn aanvangt.

12. Omdat de rechtbank de termijnoverschrijding niet verschoonbaar acht, had (de gemachtigde van) eiseres ervoor zorg dienen te dragen dat hij na ontvangst van de brief van 8 juli 2026 alsnog zou zorgdragen voor het desnoods pro forma instellen van beroep op uiterlijk 14 juli 2026. Dat de gemachtigde langer heeft gewacht met het instellen van beroep komt voor rekening en risico van eiseres.

13. Terzijde merkt de rechtbank nog op dat in deze zaak sprake is van een cumulatie van termijnoverschrijdingen. Door de gemachtigde is namelijk volgens het bestreden besluit ook te laat bezwaar gemaakt, dit met de verklaring dat het primaire besluit in de brievenbus van een andere bedrijfsunit (dan die van eiseres) was terecht gekomen. De minister heeft die verklaring geaccepteerd en de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht, maar de minister heeft er wel bij het bestreden besluit op gewezen dat een organisatie verplicht is om een adreswijziging binnen een week aan het handelsregister door te geven.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit, zonder een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J.R. Lautenbach

Griffier

  • mr. R. Stijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand