Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-212391-24
Datum uitspraak: 30 september 2026
Datum zitting: 16 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. A. Boumanjal
Officier van justitie: mr. R.P. van der Pijl
Benadeelde partij: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Advocaten van de benadeelde partij: mrs. L.J. Knap en A.E.C. Wissink.
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever (samen met anderen) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van twaalf maanden en een bestuursverbod voor vijf jaren. De vordering van de benadeelde partij het ministerie van VWS wordt toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van betrokkenheid bij valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1. primair
[verdachte rechtspersoon] . op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-WA- 004)
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in strijd met de waarheid op dat geschrift — zakelijk weergegeven - te vermelden dat:
- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en/of
- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en/of
- de werkelijke kosten voor periode 2 611.696,90 EUR bedroegen en/of
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld,
met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken
terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, tot dit feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging;
1. subsidiair
[verdachte rechtspersoon] , op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC -WA- 004) als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en in strijd met
de waarheid - zakelijk weergegeven - was vermeld dat:
- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en/of
- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en/of
- de werkelijke kosten voor periode 2611.696,90 EUR bedroegen en/of
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld, door dat geschrift te versturen en/of te doen toekomen aan de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport, dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl [verdachte rechtspersoon] . en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik,
terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, tot dit feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging;
2
[verdachte rechtspersoon] ., op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24
september 2021 tot en met 11juli 2023, in Amsterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal
opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van 621836,83 EUR, althans enig geldbedrag, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) (DOC-WA-004)
heeft aangewend voor:
- ( in)directe betalingen aan bedrijven in de consulting sector en/of de technologie sector en/of de schoonmaakbranche en/of overige branche onlogische bedrijven;
- ( in)directe betalingen aan aan bedrijven met (een) buitenlandse bankrekening(en) zonder werknemers; in elk geval niet zijnde bedrijven met (voldoende) (zorg)personeel in
dienst en/of in elk geval voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt (AMB-002-01 /AMB-004-01)
terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, tot dit feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2. Voor feit 2 dient een bewezenverklaring te volgen voor een bedrag van € 436.932,51.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair
[verdachte rechtspersoon] . op 28 september 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-WA-004)
valselijk heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op dat geschrift - zakelijk weergegeven - te vermelden dat:
- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en
- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en
- de werkelijke kosten voor periode 2 611.696,90 EUR bedroegen en
- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en
- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid was ingevuld, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging;
Feit 2
[verdachte rechtspersoon] ., op tijdstippen in de periode van 24
september 2021 tot en met 11 juli 2023, in Amsterdam, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van 621.836,83 EUR inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in de bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
Uit het dossier blijkt dat [verdachte rechtspersoon] . (hierna: [verdachte rechtspersoon] ) een subsidiebedrag van in totaal € 621.836,83 heeft ontvangen voor Coronabanen in de zorg (hierna COZO). De verdachte is de bestuurder van [verdachte rechtspersoon] . Na het verkrijgen van de subsidiegelden is een COZO-vaststelling ingediend ten behoeve van [verdachte rechtspersoon] (DOC-WA-004). Daarop staat aangegeven dat het volledige bedrag aan subsidiegelden is gebruikt ter invulling van tijdelijke coronabanen. De medeverdachte [medeverdachte] , de accountant van [verdachte rechtspersoon] , heeft deze vaststelling ingediend.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzoek gedaan naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] . Vanaf de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] is – in de periode dat zij de subsidiegelden heeft ontvangen – een bedrag van in totaal € 988.151,80 overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf A] . Tijdens het onderzoek zijn facturen van [bedrijf A] aan [verdachte rechtspersoon] aangetroffen met de omschrijving ‘PROJECT CORONABANEN’. De betalingen aan [bedrijf A] kunnen middels de factuurnummers worden gekoppeld aan de aangetroffen facturen. Dit geldt in het bijzonder voor de factuur met kenmerk [kenmerknummer] , die verdachte op 12 januari 2022 aan [medeverdachte] heeft verstuurd. Daarop staat “project coronabanen, periode juli 2021”. [verdachte rechtspersoon] had op 9 december 2021 een bedrag van € 48.796,54 aan [bedrijf A] betaald onder vermelding van dat kenmerk.
Van de € 988.151,80 aan betalingen aan [bedrijf A] is € 623.183,20 in 2021 in de administratie van [verdachte rechtspersoon] als arbeidscapaciteit/uitzendkrachten verwerkt. In de concept jaarrekening van 2021 zijn transacties met een totaalwaarde van € 623.183 naar [bedrijf A] opgenomen als kosten voor arbeidscapaciteit. In de boekhouding zijn ze geboekt onder de post ‘ [naam omschrijving] ’. Daar tegenover staat € 621.837,00 aan ontvangen COZO-subsidie, zodat na saldering een bedrag resteert van ongeveer € 1.346. Dit betreft het bedrag dat in de VPB aangifte onder "overige personeelskosten" is opgenomen. Ook uit de bedrijfsadministratie volgt zodoende een rechtstreekse koppeling tussen de ontvangen COZO-subsidie en de betalingen aan [bedrijf A] .
De verdediging heeft aangevoerd dat de betalingen aan [bedrijf A] geen verband houden met de COZO-subsidie, maar met de overname van een gecontracteerde zorgpartij. [verdachte rechtspersoon] heeft COZO-personeel ingehuurd bij [bedrijf B] . en [bedrijf C] . Volgens de verdachte hebben [verdachte rechtspersoon] , [bedrijf B] en [bedrijf C] elkaar over en weer COZO-personeel uitgeleend, zoals aangegeven op het vaststellingsformulier. Er is geen valsheid in geschrifte gepleegd en de subsidiegelden zijn aangewend voor het doel waarvoor ze waren verstrekt.
Uit nader onderzoek van de Arbeidsinspectie naar facturen, werknemerslijsten en loonstroken die de verdachte heeft aangeleverd blijkt dat geen van de door de verdachte verstrekte namen voor 36 uur per week gedetacheerd kan zijn geweest bij [verdachte rechtspersoon] . Uit onderzoek naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] blijkt dat er betalingen zijn gedaan aan [bedrijf B] en dat in diezelfde periode gelijkwaardige bedragen retour zijn ontvangen van de bestuurder van [bedrijf B] , te weten [bedrijf D] . Dat betekent dat sprake is van egaliserende betalingen, waardoor [verdachte rechtspersoon] feitelijk geen geld besteedde aan de inhuur van personeel. Dat dit ook niet de bedoeling was volgt uit een e-mail die de verdachte op 3 november 2021 heeft gestuurd naar medeverdachte [medeverdachte] . Hij vraagt om een terugkoppeling over de subsidieregeling en om ‘de bedragen en facturen van de afgelopen maanden over en weer’. De medeverdachte [medeverdachte] stuurt vervolgens vier facturen naar de verdachte en de bestuurder van [bedrijf C] . Deze facturen zijn gelijk aan de facturen die de verdediging heeft verstrekt.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt geen bevestiging in het dossier. Omdat het dossier ook overigens geen aanknopingspunten bevat voor het scenario dat [verdachte rechtspersoon] (via [bedrijf B] en [bedrijf C] ) ‘COZO-personeel’ heeft ingehuurd, schuift de rechtbank dit scenario als onaannemelijk terzijde. De rechtbank komt tot de conclusie dat de COZO-vaststelling met opzet valselijk is opgemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat de coronasubsidie is gebruikt voor betalingen aan [bedrijf A] . Uit de verklaring van verdachte volgt dat de betalingen aan [bedrijf A] geen verband hielden met de realisatie van coronabanen. Zodoende is de subsidie niet besteed voor het doel waarvoor zij werd verstrekt en heeft de verdachte opzettelijk met de coronasubsidie gefraudeerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich als feitelijke leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en subsidiefraude door [verdachte rechtspersoon] .
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
Feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden en een bestuursverbod voor de duur van vijf jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De door de verdachte gepleegde strafbare feiten houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ondersteunen.
De verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een vals vaststellingsformulier COZO in te laten dienen bij het Ministerie van VWS ter vaststelling van de eerder verleende COZO-subsidie van € 621.836,83. De verdachte deed, om aanspraak te kunnen maken op de COZO-subsidie, het voorkomen alsof zijn onderneming zorgpersoneel had ingehuurd en had aangenomen, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Op basis van het vaststellingsformulier heeft het Ministerie van VWS de COZO-subsidie van [verdachte rechtspersoon] vastgesteld op € 611.696,90. De verdachte heeft het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften - juist in een periode van een wereldwijde pandemie waarin de overheid snel moest handelen - op ernstige wijze beschaamd.
Daarnaast heeft de verdachte zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan subsidiefraude door de ontvangen COZO-subsidie te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. De COZO-subsidie werd verstrekt met als doel coronabanen in de zorg te realiseren tijdens de coronacrisis. Het ten onrechte verkregen subsidiegeld is echter gebruikt voor overboekingen naar een zakelijke bankrekening van een medeverdachte. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen.
De verdachte heeft misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid met eenvoudig toegankelijke regelingen geprobeerd snel geld beschikbaar te stellen op plekken waar dat op dat moment hard nodig was. De overheid heeft dit gedaan in het vertrouwen dat hiervan geen misbruik gemaakt zou worden. De verdachte heeft hiervan geprofiteerd en zich slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op oudjaarsdag 2025 een vuurwerkongeluk heeft gehad. Hij heeft nog steeds fysieke en mentale klachten, maar is inmiddels weer begonnen met werken. De verdachte is getrouwd en heeft vier minderjarige kinderen. De verdachte is mantelzorger voor zijn vrouw, die een hersenaandoening heeft. De zorg voor het gezin rust in belangrijke mate op hem. De verdachte heeft schulden van ongeveer € 30.000,-.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 21 maart 2024, omdat de verdachte toen voor het eerst is verhoord. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en zes maanden verstreken. In deze periode heeft de zaak 3 keer eerder op zitting gestaan. Pas bij de zitting in september 2025 heeft de verdediging nadere stukken overgelegd. Mede door het onderzoek naar die stukken heeft de behandeling van de zaak langer geduurd dan twee jaar. De rechtbank volstaat met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het hoge benadelingsbedrag van € 611.696,87 kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij een benadelingsbedrag van in totaal € 621.836,83 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien tot vierentwintig maanden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf op te leggen, zoals is verzocht door de verdediging. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens de zitting naar voren zijn gekomen, wel aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Daarom wordt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
Bestuursverbod
De verdachte heeft de strafbare feiten gepleegd in zijn hoedanigheid als bestuurder van zijn vennootschap. Hij heeft deze vennootschap misbruikt voor het plegen van subsidiefraude, waardoor de samenleving is benadeeld. De rechtbank heeft vanwege de proceshouding van de verdachte niet kunnen zien dat hij de ernst van zijn handelen inziet. De verplichting de toegekende subsidie terug te betalen zal bovendien een forse financiële last op de verdachte leggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een verbod tot het uitoefenen van een beroep als bestuurder van een rechtspersoon als bijkomende straf is aangewezen. Het bestuursverbod zorgt ervoor dat verdachte niet in staat is om een rechtspersoon te misbruiken voor het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarmee wordt de samenleving beschermd tegen verder frauduleus handelen door de verdachte. Tegelijkertijd wordt de verdachte daardoor niet gehinderd om in loondienst werkzaamheden te verrichten en zo inkomen te genereren. De rechtbank zal de termijn van deze bijkomende straf vaststellen op vijf jaren.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering Ministerie van VWS
Het Ministerie van VWS heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 571.776,83 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dat schadebedrag bestaat uit het toegekende subsidievoorschot van € 621.836,83 verminderd met het reeds uitgewonnen bedrag van € 50.060,00. Daarnaast wordt een bedrag gevorderd van € 7.446,- aan proceskosten en € 3.286,56 aan beslagkosten.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 413.872,51, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade. Voor het overige kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat een machtiging van VWS om de vordering in te dienen ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
Op 8 september 2025 is de vordering tot schadevergoeding namens het ministerie van VWS ingediend door mr. P.J. Tanja. Op diezelfde dag is door het ministerie van VWS een machtiging verstrekt aan mrs. Tanja en Wissink om namens de minister van VWS een vordering in te dienen als benadeelde partij. Dat betekent dat de indiener van ‘het verzoek tot schadevergoeding’ gemachtigd was om het slachtoffer te vertegenwoordigen. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom ontvankelijk in de vordering.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. Deze schade bestaat uit de verstrekte subsidie, die immers blijkens de bewezenverklaring in zijn geheel is besteed aan een ander doel dan waarvoor die subsidie werd verstrekt, verminderd met het bedrag dat de benadeelde partij al heeft teruggekregen. De vordering wordt volledig toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als (een van) de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) heeft/hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente en proceskosten
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 september 2021.
De benadeelde partij heeft voorts vergoeding van de beslagkosten van € 3.286,56 gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de kosten die worden gevorderd voor het conservatoir beslag. Uit de vordering en de toelichting ter zitting blijkt niet wanneer en op welke vermogensbestanddelen beslag is gelegd. Evenmin blijkt welke werkzaamheden en verschotten met het opgevoerde bedrag verband houden en hoe dit bedrag is opgebouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen waaruit het bedrag bestaat. De nadere bewijslevering die daarvoor nodig is, zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen.
De gevorderde proceskosten van € 7.446,00 zullen worden toegewezen. Deze kosten zijn gebaseerd op en in overeenstemming met het liquidatietarief.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 28, 31, 51, 57, 63, 225 en 323a van het Wetboek van Strafrecht
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
Bestuursverbod
ontzet de verdachte van het recht van de uitoefening van het beroep van statutair
bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van
het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 (vijf) jaren;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de benadeelde partij Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (feiten 1 primair en 2), te betalen een bedrag van € 571.776,83 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2024 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 7.446,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. D.C.J. Peeck en R.P.W. van de Meerakker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.
Mr. Van de Meerakker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.