ECLI:NL:RBROT:2026:13384

ECLI:NL:RBROT:2026:13384

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 83-177827-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte rechtspersoon heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt een geldboete op van € 60.000,-. De vordering van de benadeelde partij het Ministerie van VWS wordt toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-177827-23

Datum uitspraak: 30 september 2026

Datum zitting: 16 september 2026

Tegenspraak

Verdachte rechtspersoon:

[verdachte rechtspersoon] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

bezoekadres volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 20 juli 2026:

[adres] , [postcode] [plaats] .

Advocaat van de verdachte rechtspersoon: mr. A. Boumanjal

Officier van justitie: mr. R.P. van der Pijl

Benadeelde partij: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS)

Advocaten van de benadeelde partij: mrs. L.J. Knap en A.E.C. Wissink.

Kern van het vonnis

De verdachte rechtspersoon heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt een geldboete op van

€ 60.000,-. De vordering van de benadeelde partij het Ministerie van VWS wordt toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte rechtspersoon – samengevat – van betrokkenheid bij valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1. primair

zij, op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-WA-004)

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in strijd met de waarheid

op dat geschrift – zakelijk weergegeven - te vermelden dat:

- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en/of

- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en/of

- de werkelijke kosten voor periode 2 611.696,90 EUR bedroegen en/of

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of

- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

1. subsidiair

zij, op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-WA-004) als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – was vermeld dat:

- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en/of

- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en/of

- de werkelijke kosten voor periode 2 611.696,90 EUR bedroegen en/of

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of

- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld, door dat geschrift te versturen en/of te doen toekomen aan de Dienst

Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport, dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

2

zij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 september 2021 tot en met 11 juli 2023, in Amsterdam, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:

- een subsidiebedrag van 621.836,83 EUR, althans enig geldbedrag, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) (DOC-WA-004)

heeft aangewend voor:

- ( in)directe betalingen aan bedrijven in de consulting sector en/of de technologie sector en/of de schoonmaakbranche en/of overige branche onlogische bedrijven;

- ( in)directe betalingen aan bedrijven met (een) buitenlandse bankrekening(en) zonder werknemers;

in elk geval niet zijnde bedrijven met (voldoende) (zorg)personeel in dienst en/of in elk geval voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt (AMB-002-01 / AMB-004-01).

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De verdachte rechtspersoon moet worden veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2. Voor feit 2 dient een bewezenverklaring te volgen voor een bedrag van € 436.932,51.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 primair

zij, op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een aanvraag vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-WA-004)

valselijk heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op dat geschrift -zakelijk weergegeven - te vermelden dat:

- het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg en

- het totaal coronabanen via detachering 21 bedroeg en

- de werkelijke kosten voor periode 2 611.696,90 EUR bedroegen en

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en

- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid was ingevuld, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

2

zij, op tijdstippen in de periode van 24 september 2021 tot en met 11 juli 2023, in Amsterdam, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:

- een subsidiebedrag van 621.836,83 EUR, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in de bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Bewijsmotivering

Uit het dossier blijkt dat [verdachte rechtspersoon] . (hierna: [verdachte rechtspersoon] ) een subsidiebedrag van in totaal € 621.836,83 heeft ontvangen voor Coronabanen in de zorg (hierna COZO). Na het verkrijgen van de subsidiegelden is een COZO-vaststelling ingediend ten behoeve van [verdachte rechtspersoon] (DOC-WA-004). Daarop staat aangegeven dat het volledige bedrag aan subsidiegelden is gebruikt ter invulling van tijdelijke coronabanen. De medeverdachte [medeverdachte 1] , de accountant van [verdachte rechtspersoon] , heeft deze vaststelling ingediend.

De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzoek gedaan naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] . Vanaf de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] is – in de periode dat zij de subsidiegelden heeft ontvangen – een bedrag van in totaal € 988.151,80 overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf A] .. Tijdens het onderzoek zijn facturen van [bedrijf A] aan [verdachte rechtspersoon] aangetroffen met de omschrijving ‘PROJECT CORONABANEN’. De betalingen aan [bedrijf A] kunnen middels de factuurnummers worden gekoppeld aan de aangetroffen facturen. Dit geldt in het bijzonder voor de factuur met kenmerk [kenmerknummer] , die [medeverdachte 2] op 12 januari 2022 aan [medeverdachte 1] heeft verstuurd. Daarop staat “project coronabanen, periode juli 2021”. [verdachte rechtspersoon] had op 9 december 2021 een bedrag van € 48.796,54 aan [bedrijf A] betaald onder vermelding van dat kenmerk.

Van de € 988.151,80 aan betalingen aan [bedrijf A] is € 623.183,20 in 2021 in de administratie van [verdachte rechtspersoon] als arbeidscapaciteit/uitzendkrachten verwerkt. In de concept jaarrekening van 2021 zijn transacties met een totaalwaarde van € 623.183 naar [bedrijf A] opgenomen als kosten voor arbeidscapaciteit. In de boekhouding zijn ze geboekt onder de post ‘ [naam omschrijving] ’. Daar tegenover staat € 621.837,00 aan ontvangen COZO-subsidie, zodat na saldering een bedrag resteert van ongeveer € 1.346. Dit betreft het bedrag dat in de VPB aangifte onder "overige personeelskosten" is opgenomen. Ook uit de bedrijfsadministratie volgt zodoende een rechtstreekse koppeling tussen de ontvangen COZO-subsidie en de betalingen aan [bedrijf A] .

De verdediging heeft aangevoerd dat de betalingen aan [bedrijf A] geen verband houden met de COZO-subsidie, maar met de overname van een gecontracteerde zorgpartij. [verdachte rechtspersoon] heeft COZO-personeel ingehuurd bij [bedrijf B] . en [bedrijf C] .. Volgens [medeverdachte 2] hebben [verdachte rechtspersoon] , [bedrijf B] en [bedrijf C] elkaar over en weer COZO-personeel uitgeleend, zoals aangegeven op het vaststellingsformulier. Er is geen valsheid in geschrifte gepleegd en de subsidiegelden zijn aangewend voor het doel waarvoor ze waren verstrekt.

Uit nader onderzoek van de Arbeidsinspectie naar facturen, werknemerslijsten en loonstroken die [medeverdachte 2] heeft aangeleverd blijkt dat geen van de door hem verstrekte namen voor 36 uur per week gedetacheerd kan zijn geweest bij [verdachte rechtspersoon] . Uit onderzoek naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon] blijkt dat er betalingen zijn gedaan aan [bedrijf B] en dat in diezelfde periode gelijkwaardige bedragen retour zijn ontvangen van de bestuurder van [bedrijf B] , te weten [bedrijf D] . Dat betekent dat sprake is van egaliserende betalingen, waardoor [verdachte rechtspersoon] feitelijk geen geld besteedde aan de inhuur van personeel. Dat dit ook niet de bedoeling was volgt uit een e-mail die [medeverdachte 2] op 3 november 2021 heeft gestuurd naar medeverdachte [medeverdachte 1] . Hij vraagt om een terugkoppeling over de subsidieregeling en om ‘de bedragen en facturen van de afgelopen maanden over en weer’. De medeverdachte [medeverdachte 1] stuurt vervolgens vier facturen naar [medeverdachte 2] en de bestuurder van [bedrijf C] . Deze facturen zijn gelijk aan de facturen die de verdediging heeft verstrekt.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt geen bevestiging in het dossier. Omdat het dossier ook overigens geen aanknopingspunten bevat voor het scenario dat [verdachte rechtspersoon] (via [bedrijf B] en [bedrijf C] ) ‘COZO-personeel’ heeft ingehuurd, schuift de rechtbank dit scenario als onaannemelijk terzijde. De rechtbank komt tot de conclusie dat de COZO-vaststelling met opzet valselijk is opgemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat de coronasubsidie is gebruikt voor betalingen aan [bedrijf A] . Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt dat de betalingen aan [bedrijf A] geen verband hielden met de realisatie van coronabanen. Zodoende is de subsidie niet besteed voor het doel waarvoor zij werd verstrekt en heeft de verdachte rechtspersoon opzettelijk met de coronasubsidie gefraudeerd.

Deze verboden gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon en zijn haar dienstig geweest. Deze gedragingen en het opzet daarop van [medeverdachte 2] , die als bestuurder binnen de rechtspersoon de gedragingen verrichtte, kunnen daarom worden toegerekend aan [verdachte rechtspersoon] .

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

medeplegen van valsheid in geschrift;

Feit 2

opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte rechtspersoon

De feiten en de verdachte rechtspersoon zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte rechtspersoon moet worden veroordeeld tot een geldboete van € 46.000,-.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De door de verdachte rechtspersoon gepleegde strafbare feiten houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ondersteunen.

De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een vals vaststellingsformulier COZO in te laten dienen bij het Ministerie van VWS ter vaststelling van de eerder verleende COZO-subsidie van € 621.836,83. De verdachte rechtspersoon deed, om aanspraak te kunnen maken op de COZO-subsidie, het voorkomen alsof zij zorgpersoneel had ingehuurd en had aangenomen, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Op basis van het vaststellingsformulier heeft het Ministerie van VWS de COZO-subsidie van [verdachte rechtspersoon] vastgesteld op € 611.696,90. De verdachte rechtspersoon heeft het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften - juist in een periode van een wereldwijde pandemie - op ernstige wijze beschaamd.

Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon zich schuldig gemaakt aan subsidiefraude door de ontvangen COZO-subsidie te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. De COZO-subsidie werd verstrekt met als doel coronabanen in de zorg te realiseren tijdens de coronacrisis. Het ten onrechte verkregen subsidiegeld is echter gebruikt voor overboekingen naar een zakelijke bankrekening van een medeverdachte. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen.

De verdachte rechtspersoon heeft misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid met eenvoudig toegankelijke regelingen geprobeerd snel geld beschikbaar te stellen op plekken waar dat op dat moment hard nodig was. De overheid heeft dit gedaan in het vertrouwen dat hiervan geen misbruik gemaakt zou worden. De verdachte rechtspersoon heeft hiervan geprofiteerd en zich slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van haar handelen.

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 augustus 2026 blijkt dat de verdachte rechtspersoon niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte rechtspersoon leidt dus niet tot een hogere straf.

Redelijke termijn

De verdachte rechtspersoon moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 21 maart 2024, omdat de bestuurder van de verdachte rechtspersoon toen voor het eerst is verhoord. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en zes maanden verstreken. In deze periode heeft de zaak 3 keer eerder op zitting gestaan. Pas bij de zitting in september 2025 heeft de verdediging nadere stukken overgelegd. Mede door het onderzoek naar die stukken heeft de behandeling van de zaak langer geduurd dan twee jaar. De rechtbank volstaat met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

Oplegging straf

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten wordt aan de verdachte rechtspersoon een geldboete opgelegd. De rechtbank heeft gekeken naar de hoogte van geldboetes die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegend, legt de rechtbank een geldboete van € 60.000,- op.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering Ministerie van VWS

Het Ministerie van VWS heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 571.776,83 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dat schadebedrag bestaat uit het toegekende subsidievoorschot van € 621.836,83 verminderd met het reeds uitgewonnen bedrag van € 50.060,00. Daarnaast wordt een bedrag gevorderd van € 7.446,- aan proceskosten en € 3.286,56 aan beslagkosten.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 413.872,51, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte rechtspersoon moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade. Voor het overige kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat een machtiging van VWS om de vordering in te dienen ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid

Op 8 september 2025 is de vordering tot schadevergoeding namens het ministerie van VWS ingediend door mr. P.J. Tanja. Op diezelfde dag is door het ministerie van VWS een machtiging verstrekt aan mrs. Tanja en Wissink om namens de minister van VWS een vordering in te dienen als benadeelde partij.

Dat betekent dat de indiener van ‘het verzoek tot schadevergoeding’ gemachtigd was om het slachtoffer te vertegenwoordigen. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom ontvankelijk in de vordering.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. Deze schade bestaat uit de verstrekte subsidie, die immers blijkens de bewezenverklaring in zijn geheel is besteed aan een ander doel dan waarvoor die subsidie werd verstrekt, verminderd met het bedrag dat de benadeelde partij al heeft teruggekregen. De vordering wordt volledig toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte rechtspersoon heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als (een van) de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) heeft/hebben betaald, hoeft de verdachte rechtspersoon (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 september 2021.

De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil omdat in de zaak van de bestuurder van de verdachte rechtspersoon proceskosten zijn toegekend. Het verzoek om vergoeding van de kosten van het beslag worden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 47, 51, 57, 225 en 323a van het Wetboek van Strafrecht

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte rechtspersoon de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

Straf

Geldboete

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 60.000,- (zestigduizend euro);

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte rechtspersoon hoofdelijk met haar mededader(s), aan de benadeelde partij Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (feiten 1 primair en 2), te betalen een bedrag van € 571.776,83 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2024 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

bepaalt dat de verdachte rechtspersoon van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.S. Flikweert, voorzitter,

en mrs. D.C.J. Peeck en R.P.W. van de Meerakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.

Mr. Van de Meerakker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Flikweert

Griffier

  • mr. E.H. Karakus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand