Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 84-186116-22
Datum uitspraak: 30 september 2026
Datum zitting: 16 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager
Officier van justitie: mr. M.A. van Rijswijk
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan fraude met coronasubsidies en eenvoudig witwassen. De verdachte wordt vrijgesproken van valsheid in geschrift. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uren.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van valsheid in geschrift, fraude met coronasubsidies en het witwassen van geldbedragen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op of omstreeks 18 juni 2021 te Arnhem, althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een subsidieaanvraag Coronabanen in de zorg ten behoeve van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] (DOC-029-01); valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door te vermelden dat- het totaal aantal coronabanen 11 bedroeg en/of- het totaal aantal coronabanen via detachering 11 bedroeg en/of- het subsidiebedrag moest worden vastgesteld op EUR 236.209,32- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd aangevraagd was nageleefd en/of- de aanvraag (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren ingevuld,met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2hij op of omstreeks 16 september 2021 tot en met heden te Arnhem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk middelen, te weten:- een subsidiebedrag van EUR 236.209,32, althans enig geldbedrag, welke geldbedragen met een bepaald doel door en/of vanwege de overheid zijn verstrekt, te weten: zorgmedewerkers te ontlasten bij de buitengewoon hoge zorgvraag van corona; (geheel of gedeeltelijk) heeft/hebben aangewend en/of heeft/hebben doen aanwenden voor (een) ander(e) doeleind(en) dan voor het ontlasten van zorgverleners bij de buitengewoon hoge zorgvraag van corona, althans voor (een) ander(e) doeleind(en) aangewend en/of doen aanwenden dan waarvoor zij zijn/is verstrekt;
3 primairhij op of omstreeks 16 september 2021 tot en met heden te Arnhem, althans in Nederland, een of meerdere geldbedragen, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;
3 subsidiairhij, op of omstreeks 16 september tot en met heden te Arnhem, althans in Nederland, van een of meerdere geldbedragen, althans een of meer voorwerpen,Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2. Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit, voor zover het de woorden ‘een of meerdere geldbedragen’ betreft. Nergens in de tenlastelegging wordt gespecificeerd om welke geldbedrag(en) of welke transacties het gaat. Dit gebrek maakt dat de verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen en het voor de rechtbank onduidelijk is waarover moet worden geoordeeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de woorden ‘een of meerdere geldbedragen’ betrekking hebben op het bedrag van € 236.209,32 dat onder feit 1 is ten laste gelegd. In samenhang met het dossier moet het voor de verdediging voldoende duidelijk zijn waarop de witwasverdenking ziet. Gelet daarop kan van partiële nietigheid geen sprake zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Uit de tenlastelegging, bezien in samenhang met de inhoud van het dossier, moet het voor de verdediging voldoende duidelijk zijn geweest wat de verdenking tegen de verdachte concreet behelst. Uit de pleitnota blijkt dat de verdediging heeft begrepen waarvan de verdachte werd verdacht en waar hij zich tegen diende te verdedigen. Het verweer wordt verworpen. De dagvaarding is ook ten aanzien van het derde feit geldig.
3. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde voor een geldbedrag van € 23.000,- gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de overige feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
Het eerste feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de subsidieaanvraag Coronabanen in de zorg (hierna: COZO) heeft ingediend. Volgens de verdachte hebben anderen op naam van zijn eenmanszaak de subsidieaanvraag gedaan. Hij zou hier verder geen bemoeienis mee gehad hebben. Hoewel getwijfeld kan worden aan de juistheid van deze verklaring, wordt die door het dossier onvoldoende weersproken. Uit het dossier blijkt dat de COZO-aanvraag is ingediend vanaf een IP-adres dat niet aan de verdachte kan worden gekoppeld. Ook bevat het dossier een verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , aan wie het ip-adres wel kan worden gekoppeld, waaruit blijkt dat hij voor meerdere personen COZO-aanvragen heeft ingediend. Uit zijn verklaring blijkt niet dat de verdachte één van die personen was. De rechtbank komt daarom tot een vrijspraak van valsheid in geschrift.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 2hij in de periode van 16 september 2021 tot en met 18 juli 2022 te Arnhem, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk middelen, te weten:- een subsidiebedrag van EUR 23.000,00 welk geldbedrag met een bepaald doel door of vanwege de overheid zijn verstrekt, te weten: zorgmedewerkers te ontlasten bij de buitengewoon hoge zorgvraag van corona; heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij is verstrekt;
3 primairhij in de periode van 16 september 2021 tot en met 9 juli 2022 te Arnhem, een geldbedrag, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 primair is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik had een eenmanszaak genaamd [naam eenmanszaak] . Ik had niemand in dienst. Ik werd door een groep jongens benaderd met de vraag of ik geld wilde verdienen met coronabanen. Zij hebben via een andere persoon een aanvraag voor subsidie ingediend namens mijn eenmanszaak. U, voorzitter vraagt mij of ik wist dat een COZO-aanvraag werd ingediend. Ja, ik wist dat er iets aangevraagd zou worden. Ik heb een groot geldbedrag ontvangen op mijn zakelijke bankrekening. Ik heb daarna alles uit handen gegeven aan hen, ook mijn pinpas en bankrekeningnummer. Zij hebben geregeld dat mijn eenmanszaak werd omgezet en dat de B.V. op iemand anders zijn naam kwam.
Het geldbedrag van € 13.000,- dat ik op mijn privébankrekening heb ontvangen, was afkomstig van de COZO-subsidie. Dat bedrag is naar mijn bankrekening overgemaakt om mij tevreden te houden.
2. Proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie
De KvK heeft de inschrijving van [naam eenmanszaak] verstrekt, de eenmanszaak van [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1992. Hieruit komt naar voren dat de onderneming is gestart op 8 mei 2017 onder de handelsnaam [naam eenmanszaak] .
Op 12 mei 2022 is, door elektronische verzending en ondertekening door notaris [persoon A] , geregistreerd dat de eenmanszaak van [verdachte] beëindigd is op 9 mei 2022. De beëindiging vond plaats in verband met het voortzetten van de onderneming door een BV, te weten [naam eenmanszaak] B.V.
Op 12 mei 2022 is, door elektronische verzending en ondertekening door dezelfde notaris, de nieuwe BV geregistreerd. Als datum akte van oprichting van [naam eenmanszaak] B.V. is 9 mei 2022 geregistreerd.
Op het opgaveformulier van de voortzetting is als bestuurder opgenomen [naam holding 1] B.V., KvK-nummer [kvK-nummer] , met als ingangsdatum 9 mei 2022. Deze bestuurder is alleen/zelfstandig bevoegd en is tevens enig aandeelhouder. Uit het handelsregister van de KvK komt naar voren dat [naam holding 1] B.V. als bestuurder/enig aandeelhouder heeft [verdachte] .
Op 11 juli 2022 is, door elektronische verzending en ondertekening door notaris [persoon A] , een bestuurswijziging geregistreerd. In het formulier is aangegeven dat [naam holding 1] B.V. per 7 juli 2022 is uitgetreden als bestuurder. Op dezelfde datum is als bestuurder en tevens enig aandeelhouder geregistreerd [persoon B] , geboren [geboortedatum 2] 1974 te [geboorteplaats 2] .
Er hebben geen wijzigingen in de activiteiten plaatsgevonden met terugwerkende kracht. Op het moment van de aanvraag van de COZO-subsidie, was [naam eenmanszaak] een eenmanszaak op naam van [verdachte] .
3. Proces-verbaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie
Door de Rabobank is een document met transactiegegevens en algemene informatie verstrekt. Ik zag dat [rekeningnummer 1] een rekening-courant betrof met als naam rekeninghouder [naam eenmanszaak] en als gemachtigde [verdachte] als eigenaar van de eenmanszaak.
Door de Rabobank is een document met transactiegegevens en algemene informatie verstrekt. Ik zag dat [rekeningnummer 2] een Rabo DirectRekening betrof met als naam rekeninghouder [verdachte] .
Voor deze analyse is gebruik gemaakt van de transactiegegevens van de zakelijke bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van [naam eenmanszaak] en de privérekening [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] . Eerst is gekeken naar mogelijke salarisbetalingen en inhuur van derden, aangezien de COZO bestemd was voor het uitbetalen van (extra) personeel. Daarbij valt te verwachten dat salarisbetalingen of betalingen voor inhuur van personeel terug is te zien; bovendien valt te verwachten dat die betalingen vanaf 1 juli 2021 hoger worden. Uit het aanvraagformulier voor
de COZO-subsidie komt immers naar voren dat [naam eenmanszaak] reeds elf personen in dienst zou hebben en daarbij elf ondersteunende werknemers via detachering zal inhuren .
Uit de analyse van beide bankrekeningen komt naar voren dat in de periode 1 januari 2021 tot en met 18 juli 2022 geen betalingen zijn aangetroffen die duiden op salarisbetalingen. Ook betalingen die inhuur van zorgpersoneel zouden kunnen betreffen zijn vrijwel niet aangetroffen. Alleen een betaling van € 39.333 aan [medeverdachte rechtspersoon] zou hierop kunnen duiden; [medeverdachte rechtspersoon] is een van de medeverdachten in onderzoek EDEN. [medeverdachte rechtspersoon] heeft blijkens FIU meldingen nauwelijks zorggerelateerde inkomsten en uitgaven en uit onderzoek bij de Belastingdienst komt naar voren dat het bedrijf geen personeel in dienst heeft of heeft gehad.
Uit de analyse van de rekening-courant op naam van [naam eenmanszaak] komt naar voren dat de gehele externe voeding van de bankrekening in de periode 1 januari 2021 tot en met 18 juli 2022 komt van de uitbetaling van de COZO-subsidie van € 236.209. In totaal wordt € 122.613 van dit subsidiegeld uitgegeven en vermoedelijk is deze besteding niet conform doelstelling. Naast de hierboven vermelde betaling aan [medeverdachte rechtspersoon] , wordt
€ 35.000 overgemaakt aan [naam holding 2] voor bouwmaterialen, € 23.000 naar de privérekening van [verdachte] en € 6.000 wordt contant opgenomen. Naast € 4.351 naar een notariskantoor, gaat geld naar reisbureaus, warenhuizen, tankstations,
nutsbedrijven en supermarkten. Het transactieverkeer op de zakelijke bankrekening is niet passend bij dat van een zorgonderneming, waarbij de inkomsten afkomstig zouden zijn van andere zorgondernemingen, cliënten, zorgverzekeraars, gemeenten of de SVB en de uitgaven grotendeels besteed zouden worden aan het uitbetalen van lonen/inhuren van personeel bij derden.
De ontvangsten op de privérekening van [verdachte] in de periode 24 september 2021 tot en met 18 juli 2022 bedragen € 34.490, waarvan € 23.000 afkomstig van de rekening-courant van [naam eenmanszaak] . Gezien de voeding van die rekening, betreft die € 23.000 dus COZO-subsidiegeld. Op deze rekening vinden privéuitgaven plaats.
4. Schriftelijk stuk
Bewijsmotivering feit 3 primair
De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij derden gegevens van zijn eenmanszaak heeft gegeven zodat zij een aanvraag voor COZO-subsidie konden doen. Hierdoor is de verdachte medeplichtig geweest aan de door die anderen gepleegde valsheid in geschrift. De COZO-subsidie die op 16 september 2021 op zijn bankrekening is overgemaakt is indirect de opbrengst van dat misdrijf. De verdachte heeft dit bedrag op zijn bankrekening voorhanden gehad.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, meermalen gepleegd;
Feit 3 subsidiair
eenvoudig witwassen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden en een bestuursverbod voor de duur van vijf jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een geldboete van hoogstens € 23.000,- op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De door de verdachte gepleegde strafbare feiten houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ondersteunen.
De verdachte heeft derden gegevens van zijn eenmanszaak gegeven zodat zij een aanvraag voor COZO-subsidie konden doen. Op naam van de eenmanszaak van de verdachte is op basis van een valse COZO-aanvraag een subsidie van € 236.209,32 ontvangen. Door de ten onrechte verkregen COZO-subsidie op zijn bankrekening voorhanden te hebben, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen.
De verdachte heeft de COZO-subsidie gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. Van het ten onrechte verkregen subsidiegeld is € 23.000,- overgeboekt naar de bankrekening van de verdachte die daarmee privé uitgaven heeft gedaan, terwijl hij wist wat de herkomst van het geld was.
De verdachte heeft misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid met eenvoudig toegankelijke regelingen geprobeerd snel geld beschikbaar te stellen op plekken waar dat op dat moment hard nodig was. De overheid heeft dit gedaan in het vertrouwen dat hiervan geen misbruik gemaakt zou worden. De verdachte heeft hiervan geprofiteerd en zich slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. De verdachte heeft een moeilijke periode gehad vanwege het overlijden van zijn moeder. Hij werkt inmiddels weer in de zorg. De verdachte heeft een vrouw en twee jonge kinderen. Hij heeft geen schulden.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het benadelingsbedrag, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS oriëntatiepunten voor fraude. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij een benadelingsbedrag van € 23.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf. Het opleggen van een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten.
De ouderdom van de bewezen feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op te leggen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van 180 uur opgelegd. De voorwaardelijke gevangenisstraf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Bestuursverbod
De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte te ontzetten uit de uitoefening van het beroep van (middelijk of onmiddellijk) bestuurder van rechtspersonen of daarmee gelijkgestelde rechtsvormen.
6. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 125.483,- wordt verbeurd verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het geldbedrag in beslag is genomen onder de medeverdachte B. Markx.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank neemt geen beslissing over een eventueel nog bestaand beslag, omdat het geldbedrag van € 125.483,- in beslag is genomen vanaf de bankrekening van een besloten vennootschap en de bestuurder van die vennootschap afstand heeft gedaan van het geld.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, , 57, 323a en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding geldig;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3 primair, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en R.P.W. van de Meerakker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 september 2026.
Mr. Van de Meerakker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.