Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-320951-23 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 september 2026
Verstek
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
1. Procedure
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026, 19 juni 2026 en 16 september 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
2. Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 30 september 2026 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor het in voorraad hebben, te koop aanbieden en afleveren van afslankpillen (geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet) die amfetamine bevatten zonder dat daarvoor een handelsvergunning gold, gepleegd in de periode van 21 juni 2023 tot en met 30 januari 2024. De verdachte heeft ook gehandeld in strijd met de Opiumwet, gepleegd in de periode van 21 juni 2023 tot en met 9 juli 2024. Dit vonnis is niet onherroepelijk.
3. Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. R.J. Boswijk strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 21.342,50;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 21.342,50 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel met bepaling dat de veroordeelde daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
4. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) blijkt dat door middel van en uit de baten van deze feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Er bestaan voldoende aanwijzingen in de zin dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan, waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrekking op de periode vanaf 23 juni 2022 tot en met 2 januari 2024. De bewezen verklaarde feiten hebben betrekking op een kortere periode. De periode voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel start op 23 juni 2022, omdat op die dag de eerste Mollie transacties plaatsvinden op naam van [naam] / [veroordeelde] die te relateren zijn aan de handel in afslankpillen. Daarmee is komen vast te staan dat de veroordeelde andere strafbare feiten heeft gepleegd, waaruit wederrechtelijk voordeel is verkregen.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport. Deze berekening is in het ontnemingsrapport voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd en is niet weersproken. Daarom zal worden volstaan met het vermelden van de volgende conclusies en onderdelen van het ontnemingsrapport.
De rapporteur heeft in het ontnemingsrapport het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op transactiebasis. Bij een dergelijke berekening bestaat het voordeel uit de opbrengsten, onder aftrek van de kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, alsmede de kosten die de veroordeelde bespaard zou hebben als hij de strafbare feiten niet had gepleegd. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op € 21.342,50. Bij die schatting, is steeds uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie. In het bijzonder zijn in het voordeel van de verdachte bij de analyse van de opbrengsten uit de verkoop van de afslankpillen op de bankrekeningen en het Mollie account alleen de bijschrijvingen meegenomen van € 99,99, € 100, en € 150.
De berekening is als volgt:
Conclusie
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 21.342,50.
5. Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Aan de veroordeelde zal de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 21.342,50 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde – voor zover bekend – in aanmerking genomen.
9. Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:
Het aantal dagen gijzeling in deze zaak komt dus neer op 153 dagen (21.342,50 /50.000,- X 360).
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 21.342,50 (zegge: eenentwintigduizend driehonderdtweeënveertig euro en vijftig eurocent);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 21.342,50 (zegge: eenentwintigduizend driehonderdtweeënveertig euro en vijftig eurocent) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd, op 153 dagen (zegge: honderddrieënvijftig).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en R.P.W. van de Meerakker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.