Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-111827-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-180753-21
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Datum zitting: 30 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1993,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. Z.L. Moezel
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [naam gemachtigde] namens Slachtofferhulp Nederland
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een kassamedewerker van de Kruidvat door bedreiging met een nepwapen gedwongen om contant geld uit twee kassa’s af te geven. Aan de verdachte wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
De verdachte moet ook de door dit feit veroorzaakte immateriële schade van de benadeelde partij vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat –
een kassamedewerker van de Kruidvat door bedreiging met geweld heeft afgeperst.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een contant geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan De Kruidvat en/of een derdetoebehoorde(n), door- zich te voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd en/of gezicht en/of- een vuurwapen, althans (een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer] en/of- te gebaren dat die [slachtoffer] stil moest zijn en/of- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij de kassa(s) open moest maken en/of- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij het geld uit de kassa's moest geven en/of- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij op de kassa(s) moest inloggen.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 12 maart in Rotterdam de afpersing heeft gepleegd.
De volledige bewezenverklaring luidt dat:
hij op 12 maart 2026 te Rotterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een contant geldbedrag, dat aan De Kruidvat toebehoorde, door
- zich te voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd en/of gezicht en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer] en
- te gebaren dat die [slachtoffer] stil moest zijn en
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij de kassa open moest maken en
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij het geld uit de kassa’s moest geven en
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij op de kassa moest inloggen.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hierna opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [aangeefster]Op 12 maart 2026 omstreeks 18.00 uur was ik werkzaam bij de Kruidvat [adres] in Rotterdam. Ik stond achter de kassa. Op een gegeven moment zag ik dat er een man voor mij stond. Ik zag dat de man een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat de man een vinger naar zijn mond bewoog en het gebaar maakte dat ik stil moest zijn. De man zei tegen mij dat ik de kassa moest openmaken en dat ik het geld moest geven. Ik heb de kassa opengemaakt en ik heb briefgeld aan de man gegeven. De man zei tegen mij dat ik in de andere kassa moest inloggen. Ik heb dit gedaan en uit deze kassa heb ik ook geld meegegeven. Nadat de man het geld had is hij naar buiten gelopen en weg gerend.
2. Proces-verbaal van bevindingen van de politie
Op 12 maart 2026, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , aan bij de Kruidvat aan de [adres] te Rotterdam. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb vervolgens meegekeken naar de camerabeelden van het pand middels het aanwezige camerasysteem. Hierbij werden de aanwezige camerabeelden teruggekeken en zag ik dat op deze beelden te zien was dat er op datum 12 maart 2026, te 18:02 uur, een man onder dreiging van een vuurwapen gelijkend voorwerp geld in ontvangst nam van de caissière. Ik zag dat deze man er als volgt uit zag:
- Man
- Blank/licht getint
- Groen/grijskleurige jas
- Zwartkleurige capuchon
- Zwartkleurig sjaal voor mond en neus
- Blauw/zwartkleurige trainingsbroek
- Zwartkleurige schoenen met een witte zool
3. Proces-verbaal van de politie, herkenning persoon door opsporingsambtenaar
Tijdens de briefing op 3 april 2026 werd er een fotografische afbeelding getoond van een man, waarbij werd gevraagd naar de herkenning van de man die verdacht werd van een overval op de drogisterij Kruidvat in [adres] op 12 maart 2026, omstreeks 18.02 uur. Vanwege mijn eerdere rol als zijn mentor herken ik specifiek zijn gelaatstrekken en postuur. Op foto 3 bevindt de persoon zich in een gangpad van de winkel. Hij draagt hij een lichtblauwe jas met zwarte mouwen en rits, een zwarte rugtas en een zwarte sjaal of doek om zijn mond en neus heen, op zijn ogen en voorhoofd na is zijn gezicht volledig bedekt. Ondanks de andere kleding en de gezichtsbedekking herken ik hem aan zijn specifieke postuur en tengere lichaamsbouw, die ik goed ken vanuit mijn oude rol als zijn mentor.
Ik herken hem onmiskenbaar als de persoon aan wie ik als mentor gekoppeld was, namelijk [verdachte] .
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als vanuit mijn vorige rol als zijn mentor in de gevangenis. In de periode van 2021 tot en met 2024 was deze persoon tweemaal gedetineerd in de [eerdere verblijfplaats 1] waarbij ik tweemaal zijn mentor was.
4. Proces-verbaal van bevindingen,
Op 26 maart 2026 werd de tas van de verdachte [verdachte] gecontroleerd. In de tas werd een zwart vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.
5. Proces-verbaal van bevindingen vergelijking rugtas
Op donderdag 12 maart 2026 omstreeks 18:02 uur vond er in een filiaal aan de Kruidvat gelegen aan de [adres] te Rotterdam een gewapende overval plaats.
Na onderzoek van de camerabeelden van de Kruidvat, Cameratoezicht, Prorail en de Nederlandse Spoorwegen kon er van de verdachte een signalement worden verkregen.
Opvallend hierin bleek een zwarte rugtas welke de verdachte op alle beelden met zich droeg.
Tijdens de insluiting bleek [verdachte] in het bezit van een zwarte rugtas. Op 2 april 2026 heb ik onderzoek gedaan naar de uiterlijke kenmerken van de inbeslaggenomen rugtas en de rugtas zichtbaar op bovengenoemde camerabeelden. Van dit onderzoek zijn foto's gemaakt welke als bijlage bij dit proces-verbaal zijn gevoegd. Na onderzoek bleek de rugtas de volgende overeenkomsten te hebben:
• Dezelfde grootte
• Rits aan bovenzijde tas
• Zwarte gespen aan weerszijde bovenkant en halverwege
• Kliphaak aan linkerbovenzijde
• 2 ritsen aan rechterzijde voorkant
• Stiksel aan de linkerzijde van het midden voorkant
• Verstelbanden weerszijde tas
6. Proces-verbaal van bevindingen vergelijking kleding ,
Door politiefunctionarissen [politieagent 1] en [politieagent 2] werd op 21 april 2026 verdachte [verdachte] op de locatie [eerdere verblijfplaats 2] aangehouden. (…)
Tijdens zijn aanhouding droeg [verdachte] een opvallende zwarte capuchontrui met een beeltenis op de voorzijde van de rapper Tupac. Daarnaast werd een mintgroene jas van het merk Air Force van [verdachte] in beslaggenomen.
Wij hebben de kleding van verdachte [verdachte] vergeleken met de kleding van de dader van de overval op de Kruitvat. Wij zagen dat op de still, afkomstig van de camerabeelden van het Kruitvat, de zwarte capuchontrui deels zichtbaar was. Wij zagen dat er een klein stukje van de print van de capuchontrui zichtbaar was. Wij zagen dat deze overeen kwam met de trui die [verdachte] bij zijn aanhouding aanhad.
Tevens is te zien dat de jas van verdachte [verdachte] exact overeenkomt met de jas die de dader van de overval op de Kruitvat aan heeft. Dit is te zien aan:
- de mintgroene kleur
- de capuchon
- het merklogo van Airforce op de linkermouw
- en een unieke inktvlek, rechts onder het merklogo op de linkermouw
Met name de inktvlek duidt erop dat het om dezelfde jas gaat, aangezien deze geen onderdeel uitmaakt van het originele ontwerp van de jas.
Bewijsmotivering
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast:
Op 12 maart 2026 heeft een overval plaatsgevonden op de Kruidvat aan de [adres] te Rotterdam. De overvaller, een man, kwam met deels gezichtsbedekkende kleding en een op een wapen gelijkend voorwerp voor de caissière staan en gebood haar stil te zijn, twee kassa’s open te maken en hem daaruit geld te geven. Dat deed zij, waarna de man naar buiten is gelopen. De man had een groen/mint grijze jas aan met daaronder een grijze hoodie. Deze overval is vastgelegd op camerabeelden van de Kruidvat. Op een still van deze camerabeelden, verspreid in het kader van een politie-briefing is de verdachte door een verbalisant herkend. Deze verbalisant kende de verdachte omdat hij zijn mentor was toen de verdachte ingesloten zat in de [eerdere verblijfplaats 1] .
De verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij dit feit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de verdachte de schuldige is van dit feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet zonder gerede twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de caissière heeft afgeperst. De wijze waarop de foto’s ter herkenning van de verdachte zijn verspreid zijn sturend geweest. Dit maakt de herkenningen door de verbalisanten onbetrouwbaar. Er is geen enkel objectief bewijs (bijvoorbeeld DNA of zendmastgegevens) dat de verdachte aan de overval koppelt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die deze overval heeft gepleegd en overweegt als volgt.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de verbalisant [verbalisant 3] . De verbalisant heeft de verdachte in persoon gezien en heeft langere tijd met hem gewerkt. Verder heeft hij duidelijk aangegeven waaraan hij de verdachte herkent. Anders dan door de verdediging is gesuggereerd, heeft de verbalisant op goede gronden tot een positieve herkenning van de verdachte kunnen komen.
De overtuiging van de rechtbank wordt sterker door de volgende bevindingen.
De verdachte is op 21 april 2026 aangehouden. Tijdens zijn aanhouding was hij in het bezit van een zwarte rugtas die qua uiterlijke kenmerken overeenkwam met de rugtas van de dader, zoals zichtbaar op de camerabeelden van de Kruidvat. Ook is bij de verdachte een zwarte hoodie met daarop een Tupac beeltenis en een mintgroene jas van het merk Air Force in beslag genomen. De dader van de overval droeg deze zelfde kleding. Dat het om hetzelfde kledingstuk gaat, wordt bevestigd door de blauwe vlek op de mouw van de mintgroene jas die bij de verdachte in beslag is genomen, die op precies dezelfde plek ook zichtbaar is op de jas van de dader op de camerabeelden. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat, zoals is gesuggereerd, nu juist die jas door een ander is achtergelaten in de cel waarin de verdachte was opgesloten.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de man is die de overval heeft gepleegd. Dat de verdachte op het moment van zijn aanhouding ook nog een (nep)wapen bij zich had, net als de dader op de camerabeelden, draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft afgeperst door haar te bedreigen met geweld.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
afpersing
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor dit feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 250,-
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een fors lagere straf dan door de officier van justitie is geëist en een groot voorwaardelijk strafdeel met als voorwaarde reclasseringstoezicht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft een kassamedewerkster van de Kruidvat onder dreiging van een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen om twee kassalades te openen en contant geld aan hem af te staan.
Dit is een ernstig feit.De verdachte heeft geen oog gehad voor de zeer beangstigende situatie die hij hiermee voor het slachtoffer heeft gecreëerd en heeft hij kennelijk enkel gehandeld uit financiële motieven. De ervaring leert dat de slachtoffers van dit soort delicten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat dit ook geldt voor het slachtoffer blijkt uit haar (aanvullende) aangifte en haar toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Daarnaast nemen door dergelijke feiten de gevoelens van angst en gevoelens van onveiligheid in de samenleving toe.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 22 juli 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van verdachte leidt daarmee tot een hogere straf. Bij dit vonnis wordt ook de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke straf, die hem is opgelegd voor een soortgelijke overval.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de Reclassering van 15 juli 2026 staat het volgende.
De verdachte heeft niet meegewerkt aan totstandkoming van het rapport. Doordat hij zwijgt is er geen zicht gekomen op delictgerelateerde risicofactoren, terwijl er op basis van de beschikbare informatie wel zorgen zijn over de situatie en het gedrag van de verdachte.
Het recidiverisico wordt hoog ingeschat, evenals het risico op letsel of onttrekken aan voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventie of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Bij bewezenverklaring wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij niet veel schulden meer heeft.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Uitgaande van een overval waarbij geen geweld is gebruikt geldt als uitgangspunt twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het strafblad van de verdachte en het feit dat is gedreigd met een voorwerp lijkend op een vuurwapen zijn strafverzwarende factoren. Daarom wordt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een geldboete op te leggen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
Als benadeelde partij heeft [benadeelde] (hierna ook: de benadeelde partij) zich gevoegd in het strafproces met betrekking tot het feit en vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient de vordering worden gematigd tot € 1.000,-,
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij houdt de rechtbank rekening mee dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit last heeft van onder andere herbelevingen, nachtmerries en angst en daarvoor is verwezen naar een traumapsycholoog. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Bij de begroting is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is gekeken naar de bandbreedte voor afpersing in de Rotterdamse Schaal. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum waarop het feit is gepleegd, namelijk 12 maart 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak is primair verzocht om de vordering af te wijzen. Subsidiair is verzocht, om ondanks het advies van de reclassering, de proeftijd te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit onder parketnummer 10-111827-26 is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf. Dat betekent dat de verdachte 80 dagen naar de gevangenis moet voor het uitzitten van de straf onder dit parketnummer.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14g, 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-180753-21)
beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 80 dagen, zoals opgelegd in het vonnis van 10-180753-21;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte om voor het bewezenverklaarde feit aan de benadeelde partij [benadeelde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van
€ 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat
€ 2.500,-- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf
12 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Stevens, voorzitter,
en mrs. A.J.P. van Essen en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 augustus 2026.