ECLI:NL:RBROT:2026:13398

ECLI:NL:RBROT:2026:13398

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL:TZ:2600433:R-RK - NL:TZ:2600434:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium afgewezen. Tweede verzoek. Eerder afgekondigde moratorium grotendeels verstreken. Geen bijzondere omstandigheden waarom er voor een tweede keer een moratorium zou moeten worden toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]

Uitspraak van 2 februari 2026

In de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats]

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 9 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 12 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.

Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:

Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van drie maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte en de bijhorende garage van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker bevindt zich al een lange tijd in een problematische schuldensituatie. Met behulp van de schuldhulpverlener onderzoekt verzoeker of het mogelijk is om zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Verzoeker ontvangt inkomsten uit onderneming van € 2.000,00 per maand. Per januari 2026 is het inkomen van verzoeker gestegen. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de verschuldigde huur van totaal € 705,63 (= € 562,04 voor de woning en € 143,59 voor de garage) te voldoen. De huur wordt ook door verzoeker voldaan. De huur voor de maand februari 2026 is op 21 januari 2026 voldaan. Verzoeker heeft ter zitting erkend dat hij de huur over de maanden oktober tot en met december 2025 niet tijdig heeft voldaan. Hij is als ondernemer afhankelijk van betaling door zijn debiteuren.

Verzoeker heeft al eerder, op 17 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin gevraagd werd om een voorlopige voorziening bij voorraad. Dit verzoek is bij vonnis van 16 oktober 2025 toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huur tijdig en volledig voldaan zou worden. Door een administratieve fout is de huur voor de maand december 2025 op 9 december 2025 voldaan en is het moratorium van rechtswege komen te vervallen. Gelet op de eerdere looptijd van het moratorium (september tot en met december 2025), verzoekt verzoeker thans om een voorlopige voorziening voor de duur van drie maanden.

3. Het verweer

Verweerster stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans moet worden afgewezen. De huurtermijnen over de maanden oktober 2025 tot en met januari 2026 zijn steeds niet tijdig voldaan. Van de gestelde eenmalige administratieve fout is dan ook geen sprake. Daarnaast heeft verzoeker geen belang bij het verzoek omdat hij niet zelf in de woning woont maar deze aan derden verhuurt, althans door derden laat gebruiken. De woning wordt bovendien in strijd met de bestemming bedrijfsmatig gebruikt. Tot slot stelt verweerster zich op het standpunt dat verzoeker de afgelopen drie maanden geen enkele progressie heeft gemaakt met betrekking tot het schuldhulpverleningstraject. Verweerster vraagt verzoeker in de proceskosten te veroordelen, nu verzoeker geen belang heeft bij toewijzing van het moratoriumverzoek en daarmee verweerster nodeloos op (advocaat)kosten jaagt.

4. De beoordeling

Verval van het eerste moratorium

Bij de toekenning van het moratorium van 16 oktober 2025 is de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker opgeschort. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder is in het dictum van die uitspraak aan het moratorium de voorwaarde verbonden dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald dienden te worden. Verzoeker heeft deze voorwaarde geschonden. Ter zitting is gebleken dat verzoeker de lopende huurtermijnen steeds te laat heeft betaald, behoudens de termijn voor februari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank is de op 16 oktober 2025 afgegeven voorziening, vanaf 17 september 2025, als gevolg van deze tekortkoming komen te vervallen.

Toewijzing van het tweede moratorium

Nu verzoeker opnieuw een moratoriumverzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of een tweede moratoriumverzoek ex artikel 287b Fw ontvankelijk kan worden verklaard nadat een eerder moratorium tussentijds is komen te vervallen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu artikel 287b Fw zich niet verzet tegen een herhaalde aanvraag. In het vijfde lid van artikel 287b Fw is bepaald dat een moratorium maximaal voor de duur van zes maanden wordt uitgesproken. Dat brengt met zich mee dat bij een tweede moratorium in ieder geval de looptijd van het eerdere moratorium dient te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank dient aan het tweede moratoriumverzoek bovendien hogere eisen te worden gesteld. In dit geval gelden die hogere eisen in het bijzonder ten aanzien van de vraag of tijdige nakoming van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd is.

De rechtbank zal tegen deze achtergrond het voorliggende verzoek beoordelen.

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 22 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij uitvoering kan geven aan de uit het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan.

Omdat het onderhavige verzoek een tweede moratoriumverzoek betreft ten aanzien van hetzelfde proces-verbaal tot ontruiming, dient voorts beoordeeld te worden of er gewijzigde omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat tijdige betaling van de lopende huurtermijnen nu wel voldoende gewaarborgd is en een minnelijke regeling een (relevante) kans van slagen heeft. Dat is niet het geval. Daarbij is van belang dat, hoewel verzoeker de huur voor de maand februari tijdig heeft voldaan en heeft aangevoerd dat zijn bedrijf steeds beter loopt, hij dit niet nader heeft geconcretiseerd of met stukken onderbouwd. Verzoeker heeft gesteld dat hij voor de betaling van zijn huur, afhankelijk is van de betaling door zijn debiteuren. Niet gebleken is dat in deze situatie een verandering is opgetreden waaraan het vertrouwen op tijdige betaling van de huur kan worden ontleend.

Er zijn door verzoeker overigens geen omstandigheden aangevoerd waarom er voor een tweede keer een moratorium zou moeten worden toegewezen.

De rechtbank stelt voorts vast dat het minnelijk traject zich nog steeds in het beginstadium bevindt. Het schuldhulpverleningstraject zal naar verwachting dan ook niet op korte termijn zijn afgerond. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde e-mail van de schuldhulpverlener van 9 januari 2026 en hetgeen de schuldhulpverlener ter zitting heeft verklaard, blijkt dat verzoeker in de periode van het eerder toegewezen moratorium slechts één keer contact heeft gehad met de schuldhulpverlener, op 9 december 2025. Er is geen inzicht in schulden van verzoeker en er is nog geen crediteurenlijst opgesteld. Verzoeker heeft deze periode niet actief benut om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoeker om in de woning te kunnen blijven wonen en het minnelijk schuldhulpverleningstraject af te ronden niet langer opweegt tegen het belang van verweerster bij de ontruiming van die woning. Er bestaat dus geen aanleiding voor het opnieuw treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Gelet hierop blijft hetgeen overigens door verweerster is aangevoerd onbesproken.

Nu er geen compleet verzoek ex artikel 284 Fw klaar ligt, zal de rechtbank het voorliggende verzoek niet aanmerken als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw.

Het minnelijk traject zal naar verwachting ook niet op korte termijn zijn afgerond. Verzoeker zal daarom, gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank ziet, mede gelet op de aard van deze procedure, geen aanleiding om de door verweerster verzochte proceskostenveroordeling toe te wijzen. In het algemeen moet men met een dergelijk verzoek met de nodige voorzichtigheid omgaan, alleen al vanwege de reeds bestaande schuldpositie van verzoeker. Daarnaast kan niet gesteld worden dat verzoeker zijn bevoegdheden tot het vragen van een moratorium heeft aangewend voor een oneigenlijk doel.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C. Franken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand