Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verlening schone lei
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 30 september 2026
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2025 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar],
[straatnaam]
[postcode] [woonplaats],
schuldenaar,
bewindvoerder: mr. W.P. Groenendijk.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende gedingstukken:
De beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld ter terechtzitting van 15 september 2026. Ter terechtzitting zijn verschenen en gehoord:
2. De Standpunten
Voor de standpunten van de bewindvoerder, schuldenaar en de schuldeisers verwijst de rechtbank mede naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting. De standpunten komen in het kort op het volgende neer.
Standpunt van de bewindvoerder
De bewindvoerder heeft de rechtbank geadviseerd om aan schuldenaar de schone lei te verlenen. Schuldenaar is namelijk de verplichtingen, met behulp van de beschermingsbewindvoerder, in de schuldsaneringsregeling goed nagekomen. Verder hebben de schuldeisers weliswaar meerdere stukken overgelegd en daarin bezwaren tegen het verlenen van de schone lei opgeworpen, maar die zien niet op de periode na ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling en behoeven daarom geen verdere bespreking. Uit die stukken blijkt niet dat schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling niet heeft voldaan aan de in de schuldsaneringsregeling geldende verplichtingen.
Standpunt van schuldenaar
Schuldenaar heeft te kennen gegeven graag rust te krijgen. Hij is nog steeds arbeidsongeschikt en het is niet de verwachting dat dit verbetert. Verder heeft hij alle door de schuldeisers geuite bezwaren besproken met de bewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder heeft nog verklaard dat schuldenaar goed meewerkt. Als de beschermingsbewindvoerder om informatie vraagt, levert schuldenaar deze informatie steeds snel aan.
Standpunt van de schuldeisers
De schuldeisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de schone lei niet moet worden verleend. Subsidiair vragen zij de rechtbank om een oordeel te vellen over de vraag of hun vorderingen al dan niet onder de werking van de schone lei vallen. De advocaat van de schuldeisers heeft ter zitting verklaard dat hij begrijpt dat de vraag in deze procedure uitsluitend ziet op de nakoming van de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling. De advocaat en de ter terechtzitting aanwezige schuldeisers hebben aangegeven te begrijpen dat deze procedure zich niet leent voor een antwoord op de vraag of de vorderingen van de schuldeisers al dan niet onder de reikwijdte van de eventueel te verlenen schone lei zullen vallen. Voor het antwoord op deze vraag zijn zij aangewezen op een andere procedure. De schuldeisers zitten hier evenwel ook om uiting te geven aan hun emoties en wilden zich ook daarom graag uitspreken.
3. De beoordeling
Als de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet reeds is beëindigd, dan bepaalt de rechtbank een datum voor een (eind)zitting waar de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (artikel 353 Fw). De rechtbank doet vervolgens bij vonnis uitspraak of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend (artikel 354 Fw).
Het voorgaande betekent dat de schuldenaar aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling een schone lei krijgt, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en geen toepassing geeft aan artikel 354 lid 2 Fw.
De vraag die hier dus centraal staat, is of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Indien dat niet het geval is, dan heeft de rechtbank geen verdere beslissingsruimte en wordt de schone lei verleend. Hoewel de schuldsaneringsregeling geen duidelijk overzicht geeft van de in de schuldsaneringsregeling geldende verplichtingen, gaat het om de volgende verplichtingen:
De rechtbank oordeelt dat schuldenaar niet (toerekenbaar) in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt namelijk dat schuldenaar zich heeft gehouden aan de informatie- en inlichtingenplicht. Hij heeft aan de boedel afgedragen wat hij moest afdragen. Er zijn geen nieuwe schulden ontstaan en hij heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Schuldenaar is namelijk door de rechter-commissaris gedurende de schuldsaneringsregeling vrijgesteld van de sollicitatieplicht, omdat hij arbeidsongeschikt is. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. Weliswaar hebben de schuldeisers meerdere bezwaarschriften en verklaringen aan de rechtbank doen toekomen, maar daaruit heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat schuldenaar tekort is geschoten in de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting volgt een indicatie dat dit anders zou zijn. Aan schuldenaar zal daarom de zogenoemde “schone lei” worden verleend.
De schuldeisers hebben de rechtbank subsidiair verzocht om in het vonnis een oordeel te vellen over de vraag of de vordering die zij hebben wel of niet onder de schone lei valt en daarmee wel of niet afdwingbaar blijft nadat de schone lei is verleend. De vraag of vorderingen van schuldeisers onder de uitgezonderde schulden van artikel 358, vierde lid, Fw vallen, is echter niet een vraag die ter beoordeling voorligt aan deze rechtbank. In deze beslissing staat namelijk alleen de vraag centraal of aan de schuldenaar al dan niet de schone lei wordt verleend. De vraag of vorderingen van schuldeisers afdwingbaar blijven, komt aan de orde indien na afloop van de schuldsaneringsregeling een executiegeschil ontstaat. Nu het verzoek zich buiten het beoordelingskader van de rechtbank bevindt, zal de rechtbank zich verder niet uitlaten over dit verzoek.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal€ 3.639,08;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.