RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [rekestnummer]
Vonnis van 2 oktober 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 25 september 2026. Op de zitting zijn verschenen:
2. De feiten
[verzoeker] ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 24.841,16.
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. [verzoeker] heeft tijdens de zitting van 25 september 2026 meermaals laten doorschemeren dat hij geen gebruik wil maken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard op eigen benen te willen staan en dat hij niet achter een Wsnp-traject staat, maar als het echt moet, het te doen, voor het behoud van zijn woning.
Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Gelet op de houding van [verzoeker] ter zitting is onvoldoende aannemelijk dat hij de verplichtingen, voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling, naar behoren zal nakomen. [verzoeker] heeft ter zitting geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. De rechtbank weegt hierbij mee dat [verzoeker] tijdens de zitting diverse malen heeft aangegeven eigenlijk niet in de wettelijke schuldsaneringsregeling te willen en er niet achter te staan, maar als het moet, het te doen om een dak boven zijn hoofd te houden.
Ook wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan [verzoeker] dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin [verzoeker] kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van [verzoeker] voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
[verzoeker] heeft, binnen de driejaarstermijn, schulden bij het CJIB van in totaal € 3.696,65 laten ontstaan. Deze boetes hebben betrekking op het niet de juiste verzekering hebben afgesloten op zijn auto en het niet hebben van een geldig keuringsbewijs voor zijn auto. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. [verzoeker] heeft de auto nog immer op zijn naam staan.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.