ECLI:NL:RBROT:2026:13411

ECLI:NL:RBROT:2026:13411

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL:TZ:2615419:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dwangakkoord afgewezen. Onvoldoende controleerbaar dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Onvoldoende aannemelijk dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [rekestnummer]

Vonnis van 2 oktober 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 18 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- Stichting Woonplus Schiedam, in behandeling bij AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders, Juristen en Incassospecialisten, hierna te noemen: Woonplus;

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Woonplus heeft voorafgaand aan de zitting op 23 september 2026 een verweerschrift ingediend.

Ter zitting van 25 september 2026 zijn verschenen en gehoord:

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zestien concurrente schuldeisers en geen preferente schuldeisers. Deze concurrente schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 24.841,16 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 9 januari 2026 een schuldregeling aangeboden aan zijn (concurrente) schuldeisers, inhoudende een betaling van 63,29% tegen finale kwijting. De schuldenlast betrof volgens de aanbodbrief € 15.788,70. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat de schuldenlast in de aanbodbrief verkeerd is opgenomen. In plaats van de juiste schuldenlast is het totale uit te keren bedrag opgenomen.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is voor een aantal maanden gebaseerd op zijn Participatiewet-uitkering. Voor de andere maanden is de afloscapaciteit van verzoeker gebaseerd op het salaris dat verzoeker als beveiliger zal ontvangen, inclusief één schooldag per week. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat zijn Participatiewet-uitkering over twee weken zal stoppen en dat hij dan zal gaan werken als beveiliger. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden.

Vijftien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Woonplus stemt hier niet mee in. Zij heeft volgens de overgelegde crediteurenlijst en de aanbodbrief van 9 januari 2026 een vordering van € 7.873,41 op verzoeker. In het verzoekschrift ex artikel 287a lid 1 Faillissementswet is een vordering van € 8.765,92 opgenomen, die 35,29% van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

Woonplus heeft de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen en is van oordeel dat zij haar instemming met de schuldregeling in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

In 2024 is het schuldhulpverleningstraject gestart en Woonplus heeft op 29 juli 2024 haar vordering aan schuldhulpverlening doorgegeven. De vordering van Woonplus bedroeg op dat moment € 1.136,57. In december 2024 heeft Woonplus aan schuldhulpverlening kenbaar gemaakt dat inmiddels sprake was van een nieuwe huurachterstand en dat haar vordering inmiddels was opgelopen naar € 2.999,32. Schuldhulpverlening heeft destijds erkend dat sprake is van een nieuwe huurschuld en heeft verzoeker destijds daarop aangesproken. Toch bleef de huurachterstand oplopen, waardoor Woonplus de ontruiming heeft aangezegd. Naar aanleiding daarvan heeft verzoeker een voorlopige voorziening (moratorium) voor de duur van zes maanden verzocht en toegewezen gekregen. De huurtermijnen zijn weliswaar vanaf september 2025 voldaan, maar verzoeker heeft wel de servicekostenafrekening van juli 2026 onbetaald gelaten, waardoor de vordering weer is toegenomen. De totaal openstaande vordering van Woonplus bedraagt op dit moment € 8.933,50.

Een belangrijk uitgangspunt bij een schuldhulpverleningstraject is dat geen nieuwe schulden mogen ontstaan. Verzoeker heeft tijdens het schuldhulpverleningstraject wel een nieuwe huurschuld laten ontstaan. Vanaf Woonplus heeft er geen vertrouwen in dat verzoeker zijn schuldregeling zal nakomen. Gedurende het schuldhulpverleningstraject zijn verschillende verklaringen afgelegd over de financiële situatie van verzoeker en is toegezegd dat verzoeker budgetbeheer zou krijgen. Bovendien is de huurovereenkomst van verzoeker reeds door de kantonrechter ontbonden. Gelet op de kosten die Woonplus voor verschillende procedures heeft gemaakt kan van haar niet worden verlangd dat zij afstand doet van een gedeelte van haar vordering.

Ook blijkt volgens Woonplus, onder meer uit het lage energieverbruik van verzoeker, dat verzoeker feitelijk niet of nauwelijks (meer) in zijn woning verblijft. Woonplus heeft een groot belang bij het terugbrengen van de woning in haar woningvoorraad, zodat deze beschikbaar kan worden gesteld aan woningzoekenden.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Woonplus bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Woonplus in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vordering van Woonplus een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 35,29% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Woonplus in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Het aanbod waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan wijkt voor wat betreft de hoogte van de schuldenlast af van hetgeen in het verzoekschrift staat. Dit is het gevolg van het feit dat schuldhulpverlening in de aanbodbrief het beschikbare uit te keren bedrag heeft opgenomen in plaats van de schuldenlast. De verklaring van schuldhulpverlening dat de aanbodbrieven geautomatiseerd verstuurd worden volgt de rechtbank niet. Van schuldhulpverlening mag verwacht worden dat zij haar voorstellen controleert alvorens zij deze verstuurt. Bovendien is de berekening van het saneringskrediet en het gedane aanbod voor de schuldregeling gebaseerd op een vordering van Woonplus van € 7.874,41, terwijl die volgens het verzoekschrift € 8.765,92 en volgens Woonplus € 8.933,50 beloopt. Daarnaast heeft schuldhulpverlening verklaard aan Woonplus gedurende het minnelijk traject een verhoogd aanbod te hebben gedaan, maar niet gebleken is dat dit ook aan de overige schuldeisers is gecommuniceerd.

Bovendien blijkt uit het verzoekschrift en uit het verhandelde ter zitting dat verzoeker weliswaar zijn schuldeisers heeft medegedeeld dat hij kind is van een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire, maar hij heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij een vergoeding van € 10.000,- heeft ontvangen en wat hij daarmee heeft gedaan. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij de vergoeding van € 10.000,- drie of vier jaar geleden heeft ontvangen en daarmee schuldeisers heeft betaald, maar niet is onderbouwd welke schuldeisers dit zijn en voor welk bedrag. Ook hierom is naar het oordeel van de rechtbank het voorstel niet goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op geschatte inkomsten voor de duur van achttien maanden, gedeeltelijk uit hoofde van een Participatiewet-uitkering en gedeeltelijk uit hoofde van inkomsten uit dienstbetrekking. Er wordt in het aangeboden akkoord dus niet uitgegaan van de feitelijk ontvangen inkomsten van verzoeker. Hierdoor is de afloscapaciteit in het kader van het aangeboden saneringskrediet dan ook niet te controleren voor de rechtbank.

Bovendien heeft verzoeker volgens de berekening van schuldhulpverlening een afloscapaciteit van in totaal € 16.969,50 tijdens de looptijd van het minnelijke traject, terwijl het saneringskrediet is vastgesteld op € 15.788,70. Daarmee is voor de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen.

Als dit aanbod vergeleken wordt met de situatie dat verzoeker zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan geldt dat dit aanbod gunstiger is voor de schuldeisers omdat daarbij, anders dan in de schuldsaneringsregeling, geen kosten voor bewindvoerderssalaris en griffierecht verschuldigd zijn. Zoals de rechtbank echter heden bij afzonderlijke uitspraak zal beslissen, voldoet verzoeker niet aan de vereisten voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hiervan uitgaande, dient het aanbod vergeleken te worden met de situatie dat geen sprake is van een toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die vergelijking leidt tot de vaststelling dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moeten worden geacht. Immers, verzoeker kan geacht worden in staat te zijn om ook na achttien maanden nog aflossingen te doen aan zijn schuldeisers.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Woonplus als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Woonplus te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.P. van Eeden-van Harskamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand