Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-044868-25
Datum uitspraak: 5 oktober 2026
Datum zitting: 21 september 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1984 in [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Advocaat van de verdachte: mr. P. van de Kerkhof
Officieren van justitie: mrs. B. van Heemst en I. Barendregt.
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang
Kern van het vonnis
De verdachte heeft in de periode van 20 maart 2019 tot en met 2025 in Rotterdam zijn ex-partner gestalkt door veelvuldig te bellen, langs te gaan bij haar woning, brieven en kaarten te sturen, aangiftes te doen tegen haar en op sociale media en in de media berichten over haar te plaatsen. Daarnaast heeft verdachte valsheid in geschrifte gepleegd.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte de maatregel op zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en locatieverbod. De maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard.
1. Tenlastelegging
De officieren van justitie beschuldigen de verdachte ervan dat hij - samengevat – in de periode van 20 maart 2019 tot en met 30 april 2025 in Rotterdam zijn ex-partner heeft belaagd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1
hij in de periode van 20 maart 2019 tot en met 30 april 2025 te Rotterdam, althans in
Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer]
door veelvuldig
- te bellen met die [slachtoffer] en/of
- langs te gaan bij de woning van die [slachtoffer] en/of (daarbij) foto’s te sturen naar
die [slachtoffer] en/of
- brieven en/of kaarten te sturen die geadresseerd zijn aan de dochter van die
[slachtoffer] en (daarbij) gebruik te maken van valse/vervalste postzegels en/of
- rechtszaken te starten tegen die [slachtoffer] en/of
- aangiftes te doen tegen die [slachtoffer] en/of
- dwangsommen te sturen naar die [slachtoffer] en/of
- klachten en/of aangiftes in te dienen tegen (hulpverlenende) instanties (onder
andere de politie, gemeente, het leger des heils, jeugdbeschermingsplein) en/of
medewerkers van die instanties en/of
- op social media en/of in de media berichten te plaatsen over die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of
vrees aan te jagen;
2
hij op of omstreeks 28 november 2024 te Rotterdam, opzettelijk gebruik heeft
gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van
enig feit te dienen, te weten verslagen van Penitentiaire Inrichting [locatie 1] , als
ware het echt en onvervalst, door voornoemde verslagen te tonen tijdens het doen
en/of ter onderbouwing van een aangifte bij de politie.
2. Bewijs
Vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officieren van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
Feit 1
Vaststaande feiten
De verdachte en de aangeefster hadden een relatie. In 2015 werd aangeefster zwanger van dochter [naam dochter] . Tijdens de zwangerschap is de relatie geëindigd. In de jaren daarna is de verstandhouding tussen de verdachte en de aangeefster verslechterd. Zij voerden veel procedures over het gezag over en/of de omgang met [naam dochter] . Volgens aangeefster heeft de verdachte zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belaging.
Niet ter discussie staat dat de verdachte aangeefster belde, bij haar woning was, haar foto’s, brieven en kaarten stuurde, meerdere aangiftes tegen haar deed en op sociale media en in de media berichten over haar plaatste. De verdachte heeft toegegeven een aantal van deze handelingen te hebben verricht, terwijl de overige handelingen niet worden ontkend of betwist. Wel geeft de verdachte een andere lezing aan de intenties achter deze gedragingen en verzet hij zich tegen de beschuldiging dat zijn gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als belaging.
Kader
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte met zijn gedragingen wederrechtelijk opzettelijk en stelselmatig een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Bij de beoordeling van die vraag zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Gelet op de lengte van de ten laste gelegde periode en de aard van de ten laste gelegde gedragingen stelt de rechtbank voorop dat bij de beantwoording van deze vraag de verschillende feitelijke handelingen van de verdachte niet elk afzonderlijk moeten worden beoordeeld, maar juist in onderlinge samenhang en binnen de achterliggende context van de jarenlange gespannen verhouding tussen de verdachte en aangeefster moeten worden bezien.
Pleegperiode
De rechtbank stelt vast dat de start van de pleegperiode zes jaar teruggerekend is vanaf de datum van de voorgeleiding van de verdachte en daarmee aanvangt op 20 maart 2019 en doorloopt tot en met 30 april 2025.
Rechtszaken starten
De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat de verdachte buitensporig veel en lang tegen aangeefster heeft geprocedeerd, vaak met zeer geringe aanleiding en op basis van niet onderbouwde stellingen of soms valse voorwendselen. Volgens de officieren van justitie kan het handelen van de verdachte hierdoor worden gekwalificeerd als belaging.
Ter onderbouwing verwijzen zij naar het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de RvdK) en het overzicht dat aangeefster met haar advocaat heeft opgesteld. De rechtbank stelt voorop dat de verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in beginsel het recht heeft op toegang tot de rechter om zijn geschillen met aangeefster te beslechten. Dit is een groot goed, dat in de Nederlandse rechtsorde vergaande bescherming geniet. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte rechtszaken tegen aangeefster heeft gestart kan mede daarom niet (zonder meer) worden afgeleid dat hij stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met het oogmerk om haar te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen.
Meer feiten en omstandigheden zijn nodig om tot deze conclusie te komen, zoals de duur, de frequentie, de intensiteit en de bedoeling van de verdachte. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
In de eerste plaats kan op grond van het procesdossier niet precies worden vastgesteld hoeveel rechtszaken door de verdachte tegen aangeefster zijn aangespannen. Een duidelijk overzicht ontbreekt. Wel blijkt dat ook aangeefster procedures aanhangig maakte en dat een aantal rechtszaken op initiatief van de gecertificeerde instelling bij de rechtbank zijn aangebracht, met name voor de verlenging van de ondertoezichtstelling van [naam dochter] of de aanpassing van de omgangsregeling. Nu de meeste uitspraken van de civiele rechter zich niet in het dossier bevinden, kan evenmin worden vastgesteld hoe vaak de rechtbank in het nadeel van de verdachte heeft geoordeeld. Ook kan niet worden vastgesteld of en wanneer bijvoorbeeld de verzoeken en vorderingen van de verdachte af zijn gewezen en of de verdachte is veroordeeld in de proceskosten. Evenmin blijkt uit de stukken in het strafdossier of is geoordeeld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Gezien het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de verdachte onterecht rechtszaken heeft aangespannen. Tegelijkertijd kan de rechtbank wel vaststellen dat er sinds de relatiebreuk veel onenigheid was over het gezag over en de omgang met [naam dochter] . Dat de verdachte naar aanleiding daarvan meerdere rechtszaken is gestart met het uiteindelijke doel om zijn rechtspositie als vader te verbeteren, is niet onbegrijpelijk.
Dwangsommen sturen
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster heeft belaagd door haar dwangsommen, dan wel stuitingsbrieven te sturen. Bij vonnis van 26 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aangeefster veroordeeld om uitvoering te geven aan de omgangsregeling die bij beschikking van 2 augustus 2019 door de kinderrechter van deze rechtbank is vastgesteld, onder oplegging van een dwangsom van € 750,00 (met een maximum van € 15.000,00). Bij exploot van 6 februari 2021 heeft de deurwaarder aangeefster aangezegd dat zij de omgangsregeling niet is nagekomen en over de periode van 2 juni 2020 € 15.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij is bevel gedaan tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de executiekosten. Sindsdien heeft de deurwaarder op verzoek van de verdachte periodiek stuitingsbrieven aan aangeefster gestuurd teneinde de verjaring van de dwangsommen te voorkomen. Dat is op zichzelf een legitiem doel. Nu uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren komen die erop wijzen dat deze dwangsommen evident ongegrond zijn en aangeefster bij de politie heeft verklaard dat zij de omgangsregeling soms expres niet is nagekomen en om die reden eerder dwangsommen aan de verdachte verschuldigd was, kan de rechtbank niet uitsluiten dat dit ook ten aanzien van de onderhavige dwangsommen het geval is.
Indienen van klachten tegen verschillende instanties en hun medewerkers
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier niet zonder meer worden vastgesteld dat de verdachte met het indienen van klachten tegen (medewerkers van) instanties als onder andere de politie, gemeente, het Leger des Heils en het jeugdbeschermingsplein het oogmerk had om aangeefster iets te laten doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte (zeer) ontevreden was over de manier waarop hij door (de medewerkers van) deze instanties werd bejegend, dan wel over hoe er met zijn geuite grieven over aangeefster werd omgegaan en dat hij daar veelvuldig over klaagde. Niet gebleken is of (en in welke mate) de klachten ongegrond waren en op basis van de stukken in het strafdossier kan ook niet worden vastgesteld in hoeverre klaagster daar last van had.
De rechtbank kan de officieren van justitie dan ook niet volgen in hun standpunt dat de verdachte met het indienen van de klachten heeft getracht de hele vangnet van aangeefster, waaronder ook de voornoemde instanties en hun medewerkers, bij haar weg te halen.
Bellen, aanwezigheid bij woning (en foto’s maken/sturen), brieven, aangiftes en social media
Conform de omgangsregeling die destijds van kracht was, had de verdachte op 10 april 2023 om 18:30 uur een belmoment met zijn dochter. Omdat aangeefster dit belmoment had gemist, werd zij vervolgens en tot 20:53 uur in totaal 77 keer gebeld door de verdachte. De rechtbank overweegt dat de verdachte in deze korte periode zó vaak belde dat het enkel in contact willen komen met [naam dochter] niet zijn daadwerkelijke doel meer kon zijn. De verdachte had na enkele belpogingen moeten concluderen dat aangeefster op dat moment niet bereikbaar was en dat het belmoment niet doorging. Dat de verdachte dit omgangsmoment niet wilde missen is begrijpelijk, maar hij had op een andere manier, bijvoorbeeld door tussenkomst van zijn advocaat, een oplossing kunnen en moeten zoeken. Door in die korte periode zo vaak achter elkaar te bellen, kan het niet anders zijn dan dat hij aangeefster daarmee vrees heeft aan willen jagen.
De verdachte is tijdens zijn detentieverlof op 28 september 2024, 2 oktober 2024 en 18 november 2024 naar het appartementencomplex van aangeefster gegaan en heeft daar fotos gemaakt en gestuurd naar aangeefster van het flatgebouw, het balkon van aangeefster en van zichzelf samen met twee buren van aangeefster in de lobby. De verdachte had geen gezag en mocht in het kader van de omgangsregeling alleen op maandagen vanaf 18:30 uur voor maximaal twintig minuten met [naam dochter] bellen. Enig ander contact was hem niet toegestaan. Gelet hierop was er voor de verdachte geen enkele aanleiding om op deze data bij de woning van aangeefster te verschijnen, zich in de lobby van haar appartementencomplex op te houden, foto’s te maken en haar deze foto’s te sturen waaruit zij kon opmaken dat hij daar aanwezig was. Aangeefster heeft verklaard dat zij dit als zeer bedreigend en intimiderend heeft ervaren.
De verdachte heeft in een periode van twee jaar ruim driehonderd brieven en kaarten gestuurd aan [naam dochter] , vaak met een vervalste postzegel en soms zonder frankering. De verdachte heeft verklaard dat hij dit bewust deed, onder meer omdat hij meer postzegels nodig had dan dat hij in de P.I. kon krijgen. Hij wist dat aangeefster als ontvanger alsnog de portokosten moest betalen. De brieven waren vaak lang, emotioneel en negatief over aangeefster. Omdat [naam dochter] in de periode dat de verdachte de brieven en kaarten verstuurde zeven à acht jaar oud was en aangeefster (ook) in het kader van de overeengekomen informatieverplichting gehouden was de brieven aan [naam dochter] te geven, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kon dan dat de verdachte wist dat de brieven en kaarten uiteindelijk door aangeefster werden gelezen, terwijl de inhoud daarvan ook (in een negatieve zin) betrekking had op haar. Ook met het versturen van deze enorme hoeveelheid brieven en kaarten, heeft verdachte dus het oogmerk gehad om aangeefster te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.
Op 20 april 2021 heeft de rechtbank Rotterdam het gezamenlijk gezag toegekend aan beide ouders. Op 31 mei 2023 heeft het gerechtshof Den Haag die uitspraak vernietigd. Vast staat dus dat de verdachte voorgaand aan en na afloop van die periode geen gezag had over [naam dochter] . De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode achttien keer aangifte gedaan, dan wel aangifte pogen te doen, van onttrekking aan het ouderlijk gezag, omdat aangeefster zich naar zijn mening niet hield aan de omgangsregeling.
Uit het dossier blijkt dat de politie meerdere malen, en in ieder geval op 14 juni 2019 ( [proces-verbaalnummer 1] ), aan de verdachte heeft uitgelegd dat zijn aangifte niet in behandeling kan worden genomen of dat de zaak geseponeerd wordt omdat het niet naleven van een omgangsregeling in dit geval louter een civielrechtelijke kwestie betreft.
De verdachte is desondanks verdergegaan met het doen van aangiftes tegen aangeefster, waarbij hij steeds stelde dat zij [naam dochter] onttrekt aan het gezag, terwijl hij wist dat hij geen gezag had. Daarbij heeft de verdachte bij zijn aangifte op 28 november 2024, ter onderbouwing daarvan, valse observatieverslagen overgelegd die door medewerkers van P.I. [locatie 1] zouden zijn opgemaakt, maar later door hemzelf bleken te zijn gefabriceerd. Door op deze manier, tegen beter weten in, aangifte blijven doen tegen aangeefster van onttrekking aan het gezag, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte aangeefster daarmee heeft willen raken in haar persoonlijke levenssfeer en haar ook hiermee vrees heeft willen aanjagen.
De verdachte was in de ten laste gelegde periode actief in de media en op social media. De verdediging heeft betoogd dat de verdachte zich in de berichten en artikelen in het dossier vooral in algemene zin heeft uitgelaten over zijn onvrede of onbegrip over het gebrek aan omgang met zijn dochter en dat hij niet over aangeefster heeft gesproken. Verder zou aangeefster niet door de geplaatste berichten zou zijn getroffen, omdat niet is gebleken dat zij steeds ervan op de hoogte was. In tegenstelling tot de verdediging stelt de rechtbank vast dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode op verschillende momenten op verschillende openbare media platforms berichten en artikelen heeft geplaatst die rechtstreeks betrekking hebben op aangeefster. Zo heeft de verdachte onder andere in een post op LinkedIn geschreven dat aangeefster tijdens hun relatie met een getrouwde man vreemd is gegaan. Ook heeft hij voor verschillende nieuwswebsites een interview gegeven en heeft hij zelf een bijdrage geschreven voor een website. Gezien het feit dat aangeefster in de ten laste gelegde periode zelf meerdere mediaberichten bij de politie heeft aangeleverd en daarnaast aangifte heeft gedaan van smaad en laster in verband met een aantal berichten die door de verdachte op LinkedIn zijn gepost, is het duidelijk dat aangeefster kennis had van berichten die over haar werden geplaatst. Dat zulke uitspraken rechtstreeks impact hebben gehad op aangeefster, blijkt onder andere uit de aangifte waarin aangeefster heeft verklaard dat de verdachte ten tijde van hun relatiebreuk diezelfde boodschap in hun Turkse sociale kringen had verspreid en dat zij daardoor niet langer welkom was bij haar vaste Turkse bakker en daarnaast ook een keer, vanwege haar stempel als een vreemdgaande Turkse vrouw, van een indoor speeltuin werd weggestuurd. De rechtbank constateert verder dat de uitspraken van de verdachten met de tijd steeds heftiger zijn geworden. Niet alleen ten aanzien van vrouwen in het algemeen, maar ook vooral richting aangeefster. De voortdurende negatieve uitingen van de verdachte over aangeefster op social media en in de media hebben aangeefster rechtstreeks in haar persoonlijke levenssfeer geraakt.
Oogmerk
Tijdens de aanhouding van de verdachte op 18 maart 2025 is zijn telefoon in beslag genomen en later uitgelezen door de politie. Op de telefoon zijn onder meer Whatsapp groepsgesprekken aangetroffen. De verdachte was deelnemer aan de chatgroep ‘ [naam chatgroep] ’. In die groep schreef de verdachte op 22 februari 2025 om 16:10 uur: “[naam] , mijn kinderen zijn 9 en 5. Ik heb al jaren gemist, mijn hechting zal nooit meer zijn wat het had kunnen zijn. Nooit. Dat heb ik al verloren”. Om 16:12 uur schrijft de verdachte vervolgens: “Mijn strijd is niet om te winnen, mijn strijd is om ze het leven zo zuur mogelijk te maken uit wraak dat ik mijn kinderen niet zie.”
Hieruit blijkt volgens de rechtbank onmiskenbaar dat de verdachte het oogmerk had om wederrechtelijk opzettelijk en stelselmatig een inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Conclusie
De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan belaging van aangeefster. Gelet op de frequentie van de gedragingen en de – naar objectieve maatstaven begrijpelijke – impact daarvan op de aangeefster en haar dagelijks leven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door zo te handelen, wederrechtelijk opzettelijk en stelselmatig een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Uit het karakter van de bewezen verklaarde gedragingen, in samenhang bezien, volgt dat de verdachte daarbij het oogmerk heeft gehad de aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
Niet is bewezen dat de verdachte aangeefster heeft belaagd door meerdere rechtszaken tegen aangeefster te starten, dwangsommen te sturen aan aangeefster, dan wel door klachten in te dienen en aangiftes te doen tegen (medewerkers van) verschillende instanties. De verdachte wordt van dit deel van de beschuldiging partieel vrijgesproken.
Feit 2
De verdachte heeft op 28 november 2024 tegen aangeefster aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag. Hij heeft daarbij ter onderbouwing van zijn aangifte doelbewust tientallen observatieverslagen overgelegd waarover hij heeft verklaard dat deze afkomstig zijn en geschreven door medewerkers van de P.I. [locatie 1] . Uit het dossier blijkt dat de overgelegde verslagen niet door de medewerkers van de P.I. zijn geschreven, maar door de verdachte zelf. De verdachte heeft weliswaar de inhoud van een klein deel van de verslagen door de desbetreffende medewerkers laten lezen, maar heeft het vervolgens doen lijken alsof ze door de medewerkers van de P.I. zelf zijn geschreven om op die manier zijn aangifte te kunnen onderbouwen. De verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan vervalsing.
Ook wanneer zou blijken dat de inhoud van de verslagen volledig juist is, ontneemt dat niet het valse karakter van de verslagen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij in de periode van 20 maart 2019 tot en met 30 april 2025 te Rotterdam
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer]
door veelvuldig
- te bellen met die [slachtoffer] en
- langs te gaan bij de woning van die [slachtoffer] en (daarbij) foto’s te sturen naar
die [slachtoffer] en
- brieven en kaarten te sturen die geadresseerd zijn aan de dochter van die
[slachtoffer] en (daarbij) gebruik te maken van vervalste postzegels en
- aangiftes te doen tegen die [slachtoffer] en
- op social media en in de media berichten te plaatsen over die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of vrees aan te jagen;
Feit 2
hij op 28 november 2024 te Rotterdam, opzettelijk gebruik heeft
gemaakt van een vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van
enig feit te dienen, te weten verslagen van Penitentiaire Inrichting [locatie 1] , als
ware het echt en onvervalst, door voornoemde verslagen te tonen tijdens het doen
en ter onderbouwing van een aangifte bij de politie.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
belaging;
Feit 2
valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf en maatregel
Eis van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) worden opgelegd, inhoudende een contactverbod ten aanzien van aangeefster en haar dochter en een locatieverbod ten aanzien van heel Rotterdam voor de maximale duur van vijf jaren, waarbij per overtreding vervangende hechtenis van vier weken wordt toegepast met een maximale duur van zes maanden. De officieren van justitie vorderen daarbij dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Verder moet aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende (hierna: GVM) maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De officieren van justitie zijn in de strafmaatoverwegingen uitgebreid ingegaan op de inhoud van gesprekken in een Whatsappgroep die in de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte zijn aangetroffen, maar deze hebben niet tot een strafrechtelijke verdenking geleid. Daarbij komt dat de verdachte daarover heeft verklaard dat de Whatsappgroep voor hem een besloten uitlaatklep was.
De verdediging wijst op het dubbel psychologisch onderzoeksrapport van het NIFP waarin is vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een gespecificeerde stoornis in de impulsbeheersing. Als de rechtbank het advies van de deskundigen volgt om de belaging in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, zou dat tot uitdrukking moeten komen in de strafmaat. Verder is de verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Gezien het feit dat de verdachte momenteel in [land] verblijft, is het advies uit het dubbel psychologisch onderzoeksrapport om een ambulante behandeling bij een forensische kliniek als bijzondere voorwaarde op te leggen niet uitvoerbaar. Datzelfde geldt voor terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden dan wel tbs met dwangverpleging. De verdediging meent dat niet aan de vereisten voor oplegging van tbs is voldaan, zodat de oplegging van deze maatregel niet proportioneel is. Nu in het NIFP-rapport het risico op geweld als laag tot matig wordt ingeschat, zijn de veiligheidsrisico’s niet zo groot dat oplegging van tbs gerechtvaardigd is. Ten aanzien van de GVM-maatregel merkt de verdediging op dat deze niet aan de verdachte kan worden opgelegd aangezien hem geen zedendelicten, geweldsdelicten of terroristische delicten worden verweten. De oplegging van de 38v-maatregel ten aanzien van aangeefster is te volgen, maar gaat bij oplegging ten aanzien van de dochter van de verdachte te ver. De strafzaak gaat immers niet over belaging van zijn eigen dochter. Aangezien er in de afgelopen periode geen contact is geweest, is niet voldaan aan het criterium voor de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel. De verdediging acht een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest in combinatie met eventueel een voorwaardelijk strafdeel passend. Hoewel bijzondere voorwaarden vanwege het verblijf van de verdachte buiten Nederland niet uitvoerbaar zijn, zou een voorwaardelijk strafdeel als een stok achter de deur kunnen dienen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig en vervelend strafbaar feit dat een grote impact heeft gehad op het leven van aangeefster en [naam dochter] . Sinds de geboorte van [naam dochter] heerst een gespannen verhouding tussen de verdachte en aangeefster. De verdachte is in zijn zoektocht naar meer omgang met zijn dochter de grenzen van wat in zo’n ingewikkelde situatie redelijk en gepast is compleet voorbijgegaan. De verdachte lijkt alleen zijn eigen doelen na te willen streven en geen enkel oog te hebben voor belangen van aangeefster en zijn dochter. De verdachte heeft met zijn gedragingen actief bijgedragen aan de verslechtering, dan wel de instandhouding van de verstoorde relatie met aangeefster. Zo heeft de verdachte jarenlang op social media en in de media aangeefster afgeschilderd als een wraakzuchtige en vreemdgaande vrouw die alles op alles zet, om te voorkomen dat de verdachte een relatie heeft met zijn dochter. Naast de berichten die de verdachte in het openbaar over aangeefster heeft geplaatst, heeft hij ook in een besloten Whatsappgroep op een zeer stuitende en zorgwekkende manier gesproken over vrouwen in het algemeen, maar ook over aangeefster in het bijzonder. De verdachte blijft volharden in en vasthouden aan zijn eigen denkbeelden en overtuigingen en heeft op geen enkel moment enige vorm van zelfinzicht getoond. Ook heeft hij tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbare handelen. Sterker nog, de verdachte is voor zijn verantwoordelijkheid gevlucht door gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis naar [land] af te reizen met de (kennelijke) intentie om niet meer terug te keren naar Nederland. En in plaats van zich ten overstaan van de rechtbank te verantwoorden en uitleg te geven over zijn gedrag, kiest hij er ook nu nog voor om zich via sociale media uit te laten over de zaak en zichzelf als slachtoffer te presenteren.
De verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan een tweede ernstig feit, namelijk valsheid in geschrift. De verdachte heeft op 28 november 2024 bij het doen van aangifte tegen aangeefster vervalste documenten van de P.I. [locatie 1] aan de politie overhandigd om zijn (ongegronde) aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag te staven. Een aangifte waarvan hij wist dat deze nergens toe zou leiden. Hij was er immers door de politie al meermalen op gewezen dat dit een civielrechtelijke kwestie was en dat hij hiervan geen aangifte kon doen. De verdachte heeft met zijn handelen doelbewust de politie willen misleiden en een onterechte vervolging van aangeefster willen uitlokken. Daarbij komt dat de verdachte is blijven volharden in de misleiding, ook nadat de P.I. [locatie 1] de valsheid van de stukken heeft bevestigd en de verdachte eerder door de civiele rechter op zijn vingers is getikt voor het overleggen van diezelfde vervalste stukken tijdens een civiele procedure. Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte zich al eerder in de ten laste gelegde periode heeft beziggehouden met vervalsing, namelijk door gebruik te maken van vervalste postzegels om brieven en kaarten aan [naam dochter] en aangeefster te sturen. De rechtbank acht het gemak waarmee de verdachte gebruik maakt van zulke bedrieglijke tactieken zeer zorgelijk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf, maar ook niet tot een lagere straf.
Rapporten van deskundigen
In de rapporten van de psychiater [naam psychiater] van 24 juli 2025 en de psycholoog [naam psycholoog] van 11 juli 2025 staat het volgende. Beide deskundigen stellen vast dat de verdachte lijdt aan een gespecificeerde stoornis in de impulsbeheersing en dat deze stoornis ten tijde van het ten laste gelegde heeft bestaan en de gedragingen van de verdachte heeft beïnvloed. Het advies van beide deskundigen is om de belaging in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en om de valsheid in geschrifte volledig aan de verdachte toe te rekenen.
Het risico op recidive van belaging wordt door de psychiater ingeschat als matig tot hoog, waarbij het risico op daadwerkelijk geweld en belaging van een ander slachtoffer dan aangeefster wordt ingeschat als laag tot matig. De psycholoog stelt vast dat het risico op recidive van belaging zonder interventie als hoog wordt ingeschat.
Volgens de psychiater is het hoofdprobleem de impulsproblematiek van de verdachte. De daarmee samenhangende problemen zouden verminderd kunnen worden door behandeling en begeleiding die gericht is op het leren beheersen van de impulsen en boosheid en aan zichzelf kwetsbaar en zelfkritisch op te stellen. Een dergelijke behandeling zou het risico op recidive kunnen verminderen. Ook de psycholoog adviseert ter preventie van recidive een behandeling die gericht is op de impulsregulatieproblematiek, zodat gedragspatronen doorbroken worden en de kerncognities veranderen. Er wordt namelijk gezien dat de verdachte vanuit zijn problematiek moeite heeft om zijn emoties te kanaliseren. Hij reageert impulsief en ondoordacht, houdt onvoldoende rekening met het effect van zijn gedragingen op de ander en toont onverantwoordelijk gedrag. Hij maakt veelvuldig gebruik van primaire afweermechanismen zoals bagatelliseren, ontkennen en verdraaien. Hij kan overtuigend zijn, maar gebruikt ook agressie in de vorm van intimideren en dreigen.
Het advies van beide deskundigen is om de verdachte een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek met ervaring op het gebied van belaging (zoals De Waag).
Indien onsuccesvol kan volgens de psychiater de ambulante behandeling worden omgezet in een klinische behandeling. De psychiater betwijfelt of de verdachte duurzaam in staat is om afstand te houden van aangeefster en zijn dochter. Indien mogelijk wordt daardoor ook een GVM-maatregel geadviseerd, zodat het toezicht en de bijbehorende behandeling bij een tenuitvoerlegging door kunnen gaan. Een zwaarder juridisch kader, zoals tbs met voorwaarden, wordt niet nodig geacht indien een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met een GVM-maatregel wordt opgelegd. Daarbij is van belang dat het risico op daadwerkelijk geweld laag tot matig wordt ingeschat. De psycholoog adviseert naast de poliklinische behandeling om tevens de GVM-maatregel op te leggen zodat de verdachte langer onder intensief toezicht komt te staan en zijn functioneren aan voorwaarden is gebonden.
Op basis van de rapporten van de psychiater [naam psychiater] en de psycholoog [naam psycholoog] stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het onder 1 ten laste gelegde strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend en daarmee wordt in strafmatigende zin bij de strafoplegging rekening gehouden.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 29 december 2025 staat het volgende. De reclassering ziet de door de NIFP-deskundigen vastgestelde stoornis in de impulsbeheersing, alsook de proceshouding van de verdachte, als een risicofactor ten aanzien van recidive. De reclassering acht de vermeende gedragingen jegens aangeefster en [naam dochter] en de uitspraken die de verdachte over vrouwen heeft gedaan binnen een besloten Whatsappgroep zorgelijk. Deze zorgen worden versterkt door de onvoorspelbaarheid van de verdachte, die zich plots heeft onttrokken aan het schorsingstoezicht. Daarentegen kunnen geen beschermende factoren worden vastgesteld, omdat de reclassering onvoldoende weet over de huidige leefsituatie van de verdachte en zijn toekomstplannen. Gezien de risicofactoren en het ontbreken van beschermende factoren, acht de reclassering interventies gericht op het verminderen van het risico op recidive noodzakelijk. Nu de reclassering geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte en hij zich heeft onttrokken aan het reclasseringstoezicht, kan geen uitvoering worden gegeven aan een tbs maatregel met voorwaarden. De reclassering adviseert om bij een veroordeling tot tbs of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM-maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de tbs of gevangenisstraf kunnen worden toegepast. Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht vanwege de zorgen die er zijn en de aanwezigheid van een gedragspatroon ten aanzien van het delictgedrag.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte verblijft momenteel in [land] en heeft via zijn raadsman te kennen gegeven niet voornemens te zijn terug te keren naar Nederland.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafverminderende zin heeft de rechtbank meegewogen dat het onder 1 ten laste gelegde strafbaar feit verminderd aan de verdachte wordt toegerekend. In strafverhogende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de zeer lange duur van de belaging.
Daarom wordt een gevangenisstraf van veertien maanden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officieren van justitie is geëist, omdat zij verdachte partieel vrijspreek van een deel van de ten laste gelegde handelingen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaar. Deze maatregel houdt in:
een gebiedsverbod voor de gemeente Rotterdam;
een contactverbod met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1987 en [naam dochter] , geboren op [geboortedatum 3] 2015.
De rechtbank vindt ook een contactverbod met [naam dochter] aangewezen, mede gelet op het laatste rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 oktober 2025.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van maximaal vier weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar. Zij heeft bij de totstandkoming van dit oordeel rekening gehouden met de adviezen van de NIFP-deskundigen waarbij het recidiverisico ten aanzien van belaging door de psychiater als matig tot hoog wordt ingeschat en door de psycholoog zonder interventie als hoog wordt ingeschat. Daarnaast constateert de rechtbank dat de verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis, waarbij als voorwaarde een contactverbod ten aanzien van aangeefster en [naam dochter] is opgelegd, alsnog (via zijn zus) een pakket heeft gestuurd naar aangeefster. Gezien deze omstandigheden dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen ten aanzien van [aangeefster] en [naam dochter] . De dadelijke uitvoerbaarheid betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
Geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr
De rechtbank leest in de rapporten van de psycholoog en de psychiater en ook in het rapport van de reclassering dat zij een langer toezicht op verdachte en een mogelijk langere begeleiding en behandeling nodig vinden, gelet op de aanwezige problematiek en zorgen. De maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr kan worden opgelegd wanneer sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
In het geval van een veroordeling voor belaging is daarvan niet per definitie sprake, maar moet de rechtbank feiten en omstandigheden vast kunnen stellen waaruit gedragingen van de verdachte kunnen worden afgeleid die onmiskenbaar zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit concrete geval - gelet op de feiten en omstandigheden zoals die volgen uit het dossier - geen sprake is, zodat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een dergelijke maatregel.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de in beslag genomen telefoon van de verdachte verbeurd wordt verklaard, nu de feiten deels door middel van deze telefoons zijn gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat de inbeslaggenomen telefoon niet voldoet aan de vereisten voor verbeurdverklaring, zodat het aan de verdachte moet worden teruggegeven.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave
Het is de rechtbank niet gebleken dat de telefoon van de verdachte door middel van of uit de baten van de strafbare feiten is verkregen, de strafbare feiten met betrekking tot de telefoon zijn gepleegd, de opsporing van de misdrijven met behulp van de telefoon is belemmerd, de strafbare feiten met behulp van de telefoon zijn gepleegd of voorbereid of dat de telefoon voor het plegen van de misdrijven is gemaakt of bestemd. De telefoon is daarmee niet vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank beslist om die reden tot de teruggave van de in beslag genomen telefoon aan de verdachte.
6. Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek af, gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
7. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
[aangeefster] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 11.137,81 als vergoeding voor materiële schade, € 60.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 300,00 als vergoeding voor toekomstige schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officieren van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering van toekomstige schade.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de (reis)kosten voor het volgen van therapeutische behandelingen en de eigen bijdrage voor de voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft de verdediging inhoudelijk betwist. Daarbij komt dat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en de strafbare feiten op dit moment onvoldoende is komen vast te staan. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte partieel is vrijgesproken van het deel van de beschuldiging dat inhoudt dat hij aangeefster heeft gestalkt door rechtszaken tegen aangeefster te starten en dwangsommen aan aangeefster te sturen, wordt het deel van de vordering dat ziet op de reiskosten voor de bezoeken aan de rechtbank en het gerechtshof vanwege de rechtszaken en de kosten voor de juridische bijstand in de aangespannen procedures afgewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van feit 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. Zij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbij in het bijzonder acht is geslagen op de categorieën van de Rotterdamse schaal in hoofdstuk 17 (belaging) onder a en b. De rechtbank is daarbij van oordeel dat dit concrete geval, gelet op de duur van de belaging enerzijds en de concrete stalkingshandelingen anderzijds, aan de ondergrens van categorie a zit en aan de bovengrens van categorie b. De vordering wordt dus toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 als vergoeding voor immateriële schade. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen.
Toekomstige schade
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering van toekomstige schade ter hoogte van € 300,00.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 20 maart 2019.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 225 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
wijst af het verzoek om opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor feit 1 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaar, inhoudende dat de verdachte:
1a. zich niet bevindt in de gemeente Rotterdam gedurende vijf jaar na de datum van dit vonnis;
2a. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1987 en [naam dochter] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 gedurende vijf jaar na de datum van dit vonnis;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van maximaal vier weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de teruggave van de telefoon aan de verdachte;
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het deel van de vordering van de materiële schadevergoeding dat ziet op de (reis)kosten voor het volgen van therapeutische behandelingen, de eigen bijdrage voor de Wmo-voorziening en de toekomstige schade (feit 1) en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af het deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] dat ziet op de reiskosten voor de bezoeken aan de rechtbank en het gerechtshof vanwege de rechtszaken en de kosten voor de juridische bijstand in de aangespannen procedures (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de gevorderde toekomstige schade (feit 1) en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 1), te betalen een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 20 maart 2019 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 5.000,00 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 (vijftig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
10. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Oord, voorzitter,
en mrs. N. van Esch en A. Kortrijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 oktober 2026.
Mrs. Kortrijk en Jacobino zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 2 – Bewijsmiddelen
Feit 1
1. Proces-verbaal van de politie, aangifte van [aangeefster] Ik doe aangifte van belaging gepleegd door mijn ex-partner en vader van mijn dochter [naam dochter] genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1984 te [geboorteplaats] .Op 2 oktober 2024 stuurde [verdachte] via Whatsapp een foto naar mij van mijn balkon. Op 28 november 2024 heeft [verdachte] aangifte tegen mij gedaan betreffende onttrekking van het gezag.In de periode van juli 2022 tot juli 2024 heeft [verdachte] [naam dochter] in totaal meer dan driehonderd brieven en kaarten gestuurd. Op deze brieven en kaarten zaten vaak vervalste postzegels. Daarover heb ik in die periode 34 berichten ontvangen van PostNL over te weinig betaalde portokosten.
2. Proces-verbaal van de politie, aanvullend verhoor van aangeefsterOp [datum 1] zond BNNVARA een documentaire uit met als thema verstoten vaders. In deze documentaire vertelde [verdachte] dat hij zijn kind niet mocht zien, terwijl hij omgang had op dat moment en dat hij beschuldigd werd van seksueel misbruik. Na de uitzending waren er op diverse websites interviews met [verdachte] . Ik werd in de documentaire en op deze websites heel kwaad weggezet, er was veel smaad en laster voor mij als persoon.
In mei 2021 werd de auto van [verdachte] voor zijn huis in brand gestoken. Hij schreef na de brand een bericht op LinkedIn waarin hij mij beschuldigde van dit feit.
Op 10 april 2023 had [verdachte] een belmoment om 18:30 uur met [naam dochter] . [verdachte] belde destijds vanuit de Penitentiaire Inrichting in [locatie 1] . Ik heb dit moment gemist door persoonlijke omstandigheden. Ik zag dat [verdachte] 75 keer achter elkaar had gebeld.
3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring aangeefster U houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat [verdachte] brieven zond en u vraagt mij aan wie die brieven gericht waren. Aan [naam dochter] . Een paar brieven waren aan mij geadresseerd. U vraagt mij waar de brieven aan mij over gingen. Ik kan mij een brief over een herfstkamp herinneren en een briefvol met verwijten. De brieven aan mijn dochter waren soms hele lange brieven.
4. Proces-verbaal van de politie, klacht van aangeefsterIk heb een mondelinge klacht ontvangen terzake stalking in Rotterdam in de periode van 2016-2025. De klacht werd gedaan door:Achternaam: [achternaam aangeefster]
Voornamen: [voornaam aangeefster]De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan.
5. Proces-verbaal van de politie, verhoor verdachte op 15 april 2025Ik moet postzegels kopen in de Pl. Je mag maar 20 postzegels kopen. Ik gebruikte er veel meer.
6. Proces-verbaal van de politie, foto’s van het balkon van aangeefsterTijdens de aangifte verklaarde [aangeefster] dat [verdachte] foto’s had gemaakt van haar balkon op [locatie 2] te Rotterdam. Ik ontving deze foto’s met de betreffende data van aangeefster.
7. Proces-verbaal van de politie, incident van 28 september 2024
Op 28 september 2024 stuurt het operationeel centrum van de politie eenheid Rotterdam een eenheid naar [adres] te Rotterdam. Meldster is [aangeefster]
. Ze is enorm in paniek en bang en zegt dat haar ex, [verdachte] , voor de deur staat. Hij zou aangeven dat hij niet eerder weg zal gaan totdat hij zijn
dochter heeft gezien. Later zou blijken dat de portier van de woonflat de ex had weggestuurd.
8. Proces-verbaal van de politie, verhoor verdachte betreffende o.a. mail van de receptie van [wooncomplex] aan aangeefster
9. Proces-verbaal van de politie, chronologische weergave van registraties betreffende de verdachte en aangeefster[proces-verbaalnummer 2] 16 juni 2019 Mutatie
[verdachte] maakte zich zorgen dat zijn dochter met moeder in het buitenland zou zijn. [verdachte] zou aangifte hebben gedaan voor onttrekken aan ouderlijk gezag op 15 juni in Utrecht. Verder hebben agenten geadviseerd om geen contact met de politie hierover op te nemen maar in plaats daarvan contact op te nemen met zijn raadsman en Jeugdzorg.
[proces-verbaalnummer 3] 21 mei 2020 Aangifte
[aangeefster] doet aangifte tegen [verdachte] van smaad en laster. [aangeefster] heeft via vrienden
begrepen dat [verdachte] via Linkedln berichten heeft geplaatst over haar en dochter. Hierin zou hij oproep doen naar [aangeefster] die met de dochter aan het 'zwerven' is. [aangeefster] vindt dit extra erg omdat hij haar bij haar volledige naam noemt en verwijzing doet naar haar woonadres (straatnaam).
[proces-verbaalnummer 4] 24 mei 2020 Aangifte
[verdachte] deed aangifte tegen [aangeefster] van onttrekking aan het ouderlijk gezag.
[proces-verbaalnummer 5] 29 mei 2020 Mutatie
[verdachte] had een afspraak ingepland voor het doen van aangifte betreffende onttrekking aan het ouderlijk gezag. [verdachte] vertelde dat hij geen gezag heeft over het kind. [verdachte] is aanbevolen om een civiele advocaat in te schakelen en bij deze te melden dat de moeder van het kind zich wederom niet aan de gemaakte afspraak houdt.
[proces-verbaalnummer 6] 4 juni 2020 Aangifte
[verdachte] deed aangifte tegen [aangeefster] dat dochter op 26 mei 2020 niet aan hem zou zijn meegegeven.
[proces-verbaalnummer 7] 8 juni 2020 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag.
[proces-verbaalnummer 8] 19 juni 2020 Aangifte
[verdachte] deed aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 9] 27 juni 2020 Aangifte
[verdachte] deed aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 10] 4 maart 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 11] 20 maart 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag door [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 12] 16 april 2021 Aangifte |
[verdachte] deed aangifte van onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 13] 16 juni 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 14] 23 juli 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 15] 6 augustus 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 16] 20 augustus 2021 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 17] 10 januari 2022 Aangifte
[verdachte] deed aangifte onttrekken ouderlijk gezag tegen [aangeefster] .
[proces-verbaalnummer 18] 8 april 2022 Aangifte
[verdachte] deed aangifte tegen [aangeefster] van onttrekking ouderlijk gezag.
[proces-verbaalnummer 19] 28 november 2024 Aangifte
Op 28 november deed [verdachte] aangifte ter zake onttrekking aan gezag tegen [aangeefster] . [verdachte]
overhandigde ter ondersteuning van zijn aangifte verslagen vanuit de penitentiaire inrichting [locatie 1] en verklaarde dat deze verslagen door de penitentiaire inrichting [locatie 1] waren opgemaakt. Uit onderzoek is gebleken dat de verslagen niet door de Penitentiaire Inrichting [locatie 1] waren opgemaakt.
10. Proces-verbaal van de politie, weigering aangifte van verdachte vanwege civiel karakterOp 20 februari 2025 verklaarde [verdachte] ons dat hij aangifte wilde doen tegen zijn ex-vrouw welke is genaamd [aangeefster] vanwege het niet nakomen van een omgangsregeling en het onttrekken aan het ouderlijk gezag van hun kind genaamd [naam dochter] . [verdachte] toonde op zijn telefoon een uitspraak van de rechtbank waaruit blijkt dat [verdachte] al langere tijd geen gezag meer heeft over zijn dochter [naam dochter] . Wij verbalisanten hebben uitgelegd dat hij geen aangifte kan doen van onttrekking aan het ouderlijk gezag, omdat [verdachte] dus geen gezag heeft over zijn kind. Aan [verdachte] werd uitgelegd dat wij alleen aangifte kunnen opnemen als er sprake is van enig strafbaar feit en dat dit niet het geval is. Wij vertelden dat [verdachte] geen aangifte kon doen van het niet nakomen van de omgangsregeling. De omgangsregeling is een civiele kwestie waarbij in de uitspraak stond dat beide partijen er dienen uit te komen met tussenkomst van een bemiddelingsinstantie. Indien dat niet zou lukken zouden ze dit civielrechtelijk moeten indienen bij een rechter die daarover zou beslissen.
Wij hoorden dat [verdachte] hier geen genoegen mee nam. [verdachte] begon te bellen met zijn advocaat. Wij hoorden duidelijk het gesprek tussen [verdachte] en zijn advocaat. Wij hoorden de advocaat zeggen dat als [verdachte] geen ouderlijk gezag heeft over zijn kind hij geen aangifte kan doen van onttrekking van het ouderlijk gezag. Vervolgens hoorden wij dat de advocaat zei dat het niet nakomen van een omgangsregeling een civiel rechtelijke kwestie was en niet strafrechtelijk en dat [verdachte] hier ook geen aangifte van kan doen.
11. Proces-verbaal van de politie, onderzoek naar verdachte via openbare bronnenOm een indruk te krijgen van wat [verdachte] online zoal deelt, heb ik een onderzoek verricht binnen verschillende openbare bronnen.Allereerst heb ik het Linkedin profiel van [verdachte] bekeken. Dit LinkedIn profiel is openbaar en derhalve zijn alle bijdragen en commentaren voor eenieder te lezen.
Ik zag dat [verdachte] veel berichten over rechtszaken met betrekking tot omgangsregelingen plaatst. Bij een aantal van deze rechtszaken is [verdachte] zelf betrokken. Ik heb gekeken naar bijdragen geplaatst door [verdachte] en daarbij vielen mij er een aantal op:
Op bovenstaande schermafbeelding is het begin van een interview met [verdachte] te zien dat op [datum 2] werd gepubliceerd op de website geenstijl.nl
12. Proces-verbaal van de politie, onderzoek naar media aandacht omtrent verdachteIk deed onderzoek naar alle media aandacht omtrent de verdachte. De aandacht betrof podcasts, een documentaire en diverse nieuws artikelen.
13. Proces-verbaal van de politie, onderzoek in de telefoon van verdachte
22-02-2025
Ik zag dat er op 22 februari 2025 een chatgesprek plaatsvond in de voornoemde chatgroep ' [naam chatgroep] '. Onderstaande bevat een passage uit dit gesprek.
Feit 2
1. Proces-verbaal van de politie, verdachte doet aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag tegen [aangeefster]Op 28 november 2024 hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn:
Aangever
Achternaam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Geboren: [geboortedatum 1] 1984
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Ik wil aangifte doen van het opzettelijk een minderjarige aan het wettig gestelde
gezag onttrekken. Het gaat om onttrekking van mijn dochter, [naam dochter] ,
aan mijn gezag, door mijn ex-partner [aangeefster] .
Vanaf 26 maart 2023 zijn er verslagen gemaakt door de PI [locatie 1] over de
contactmomenten, tussen mij en [naam dochter] . Deze zal ik u overhandigen om aan deze aangifte bij te voegen. Hieruit blijkt dat de omgang vaker niet dan wél werd nagekomen.
Eén voorbeeld uit die verslagen is dat vermeld wordt dat "tussen februari 2023 en juni 2023 vader 145 keer heeft gebeld maar er is slechts 39 keer opgenomen". De andere keren is er geen contact tot stand gekomen tussen vader en dochter. Dit is illustratief voor de gehele omgangsregeling.
Bijlagen
Als bijlagen zijn bij dit proces-verbaal gevoegd:
- Verslagen PI [locatie 1]
2. Proces-verbaal van de politie, onderzoek naar observatieverslagen van P.I. [locatie 1]Ik heb per email contact opgenomen met de PI [locatie 1] met de vraag:
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat bijgevoegde gespreksverslagen opgesteld zijn DOOR een medewerker van de PI? Ze zijn niet ondertekend.
Als bijlage voegde ik de bijlage die door [verdachte] ter beschikking was gesteld ten behoeve van de aangifte. Ik kreeg vanuit de PI [locatie 1] een email terug met de volgende inhoud:
Naar aanleiding van uw verzoek om te bevestigen of de bijgevoegde gespreksverslagen zijn opgesteld door medewerkers van onze inrichting, hebben wij de documenten zorgvuldig bekeken. Tevens wil ik benadrukken dat de (observatie)verslagen en brieven waarin de naam van [persoon A] wordt verwezen, niet opgesteld door [persoon A] noch door medewerkers van PI [locatie 1] . Het is onduidelijk waarom er in deze stukken naar [persoon A] wordt verwezen of waarom de indruk wordt gewekt dat hij deze heeft geschreven, hieronder vindt u onze bevindingen per document.
Ik zie vervolgens per verslag uitgeschreven een opmerking.
- Bij alle observatieverslagen die enkel ondertekend zijn met P.I. [locatie 1] staat de opmerking: niet opgesteld door medewerkers van de PI.
- bij de observatieverslagen waar een naam van een medewerker onder staat de opmerking: Dit verslag is niet door deze medewerker opgesteld. Uit onderzoek blijkt dat deze door [verdachte] zijn opgesteld. De genoemde persoon heeft de inhoud van deze verslagen gelezen, nadat [verdachte] deze heeft opgesteld.