proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
2 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
gemachtigde: mr. Z.M. Nasir,
en
de burgemeester van Rotterdam, verweerder,
gemachtigden: mr. C.W. de Jong en mr. V. Aziz.
Openbare zitting gehouden op 2 oktober 2026 om 10:00 uur te Rotterdam.
Tegenwoordig: mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.
Verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. G.A.J. Purperhart, en de gemachtigden van de burgemeester.
Het verzoek richt zich tegen het besluit van de burgemeester van 29 september 2026, waarbij aan verzoeker op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een gebiedsverbod voor het centrum van Rotterdam is opgelegd dat ingaat op donderdag
1 oktober 2026 om 20:00 uur en geldt tot maandag 5 oktober 2026, 08:00 uur. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van dit besluit.
De voorzieningenrechter wijst dit verzoek om voorlopige voorziening toe.
Deze beslissing berust op de volgende gronden.
Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid heeft te gelden als ‘lichte bevelsbevoegdheid’. In urgente en onverwachte situaties kan de burgemeester daarmee snel en doeltreffend optreden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bevelsbevoegdheid met name is bedoeld voor het handhaven van orde en rust in geval van samenscholingen, oploopjes of acties op openbare plaatsen (Kamerstukken I 1990/91,
19 403, 64b, p. 16-17). Als voorbeeld wordt genoemd het optreden tegen rumoerige jeugd op straat in de nachtelijke uren.
In haar uitspraak van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2912) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt dat de burgemeester bij de toepassing van deze bevoegdheid binnen het kader van de overigens geldende wetgeving moet blijven. Dat betekent dat zij geen grondwettelijke grondrechten mag beperken en evenmin mag afwijken van wetten in formele zin.
Uit deze uitspraak volgt ook dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet onder omstandigheden een grondslag kan bieden voor een gebiedsverbod waarbij de bewegingsvrijheid wordt beperkt, zolang dat verbod niet mede de woning omvat. De bewegingsvrijheid is namelijk geen grondwettelijk recht, maar een verdragsrechtelijk beschermd grondrecht.
Ter zitting is namens verzoeker betoogd dat het gebiedsverbod hem niet enkel in zijn bewegingsvrijheid beperkt, maar ook een beperking van zijn grondrechten tot gevolg heeft. Nu het hem feitelijk onmogelijk wordt gemaakt om op 2 oktober 2026 op te treden in Club Villa Thalia, wordt hij onder meer beperkt in zijn artistieke vrijheid, onderdeel van het recht op vrije meningsuiting van artikel 7, derde lid, van de Grondwet, en het recht op vrije arbeidskeuze en beroepsuitoefening van artikel 19, derde lid, van de Grondwet. De burgemeester heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoeker niet wordt beperkt in deze grondrechten, maar dat hem enkel de toegang tot een bepaald gebied voor een bepaalde periode wordt ontzegd. Ook heeft de burgemeester aangevoerd dat een beperking van deze grondrechten wellicht het gevolg is van het gebiedsverbod, maar dat de maatregel deze beperkingen niet ten doel heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat als gevolg van het gebiedsverbod het voor verzoeker feitelijk onmogelijk is om – tegen betaling – op te treden als artiest op 2 oktober 2026 in Club Villa Thalia. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat er met dit feitelijk onmogelijk maken van een concreet optreden van verzoeker, géén sprake zou zijn van een inperking van de grondrechten van verzoeker. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet biedt naar voorlopig oordeel dan ook geen grondslag om het gebiedsverbod op te leggen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 29 september 2026 per direct wordt geschorst.
Omdat het gebiedsverbod maandag 5 oktober 2026 om 08:00 uur is uitgewerkt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de voorlopige voorziening een termijn te verbinden.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De burgemeester moet die vergoeding betalen. De vergoeding stelt de voorzieningenrechter met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Waarvan proces-verbaal,
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: