[opposante], uit Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2025 in het geding tussen
[opposante]
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (de heffingsambtenaar).
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De rechtbank heeft het verzet op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Verschenen namens de heffingsambtenaar is [naam].
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat [opposante] in verzuim is het verschuldigde griffierecht te voldoen.
5. [opposante] heeft in verzet aangevoerd dat zij een beroep op betalingsonmacht had gedaan en zij in afwachting van een beslissing daarop de uitspraak van 7 februari 2025 ontving. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij op 25 augustus 2024 wel met enige minuten vertraging het verschuldigde parkeergeld had voldaan.
6. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de rechtbank niet zonder zitting heeft kunnen komen tot haar oordeel dat [opposante] in verzuim was om het griffierecht te voldoen, dient de rechtbank zich eerst te buigen over de vraag of Teler met dit verzet nog enig procesbelang heeft. Een gegrond verzet en een inhoudelijke behandeling door de rechtbank heeft alleen zin indien [opposante] met een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde iets kan bereiken.
7. Het beroep van [opposante] is gericht tegen een uitspraak op bezwaar van 25 september 2024 waarbij de naheffingsaanslag parkeerbelasting is gehandhaafd. Op 4 december 2025 heeft de heffingsambtenaar [opposante] bericht dat hij de naheffingsaanslag parkeerbelasting eenmalig uit pragmatische overwegingen zal vernietigen. Voor zover [opposante] griffierecht heeft voldaan, zal dit worden vergoed. [opposante] is verzocht de beroepsprocedure in te trekken, maar heeft dit niet gedaan.
8. Nu de naheffing parkeerbelasting van de baan is, valt niet in te zien welk belang [opposante] nog kan hebben bij een gegrond verzet. Bij een gegrond verzet vervalt de uitspraak van 7 februari 2025, zodat in dat geval opnieuw uitspraak moet worden gedaan op het beroep van [opposante]. Dat beroep kan er echter niet toe leiden dat [opposante] in een betere positie komt dan nu het geval is (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2021:3279, punt 4.5).
Conclusie en gevolgen
9. Het verzet is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat [opposante] zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: