ECLI:NL:RBROT:2026:1348

ECLI:NL:RBROT:2026:1348

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer ROT 25/5936 V
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie in dit verband ook ECLI:NL:RBROT:2025:12801 en ECLI:NL:RBROT:2025:14811). Indien de zaak op een zitting was behandeld had opposant dit kunnen aanvoeren. Het verzet slaagt dus. Gelet op de samenhang met een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen en hetgeen hierna wordt overwogen, ziet de rechtbank wegens bijzondere omstandigheden aanleiding om een beperkte dwangsom vast te stellen. Op basis van de voorliggende stukken stelt de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van opposant een zeer beperkte kans van slagen heeft. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat alleen de aanvrager aanspraak maakt op een toeslag of compensatie (vgl. ECLI:NL:RVS:2025:2045 en ECLI:NL:RVS:2025:5980). Het enkel instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar zal er echter wel telkens toe leiden dat opposant opnieuw dwangsommen en een proceskostenvergoeding incasseert. In dit verband speelt mee dat vanwege het grote aantal (ook repeterende) aanvragen en beroepen wegens niet tijdig beslissen sprake is van een overmachtssituatie bij de Dienst Toeslagen waardoor nimmer op tijd wordt beslist en dus dwangsommen oplopen (zie daarover bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:1301 en ECLI:NL:RBMNE:2024:6003). De rechtbank zal in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301) uitgaan van een nadere termijn van 60 weken die ingaat na de beslistermijn van 18 weken. De rechtbank ziet aanleiding de dwangsom vast te stellen op € 10 per dag dat deze termijn wordt overschreden met een maximum van € 1.500.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026

op het verzet van

[opposant], opposant ([opposant]), uit Rotterdam,

(gemachtigde: mr. K. Hoesenie),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2025 (de uitspraak) in het geding tussen

[opposant]

en

Dienst Toeslagen

en uitspraak in de zaak tussen

[opposant]

en

Dienst Toeslagen

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [opposant] gaat over de uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Het verzet is behandeld op een zitting van 27 januari 2025. Verschenen zijn de gemachtigde van [opposant] en B. Tarantinao namens de Dienst Toeslagen.

3. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrechtspraak (Awb) uitspraak op het beroep wegens niet tijdig beslissen van [opposant].

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

4. [opposant] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 januari 2025 met kenmerk UHT-DCHOA. In dat besluit is beslist dat [opposant] geen recht heeft op een vergoeding op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een herstelregeling over de jaren 2005 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019. Daarbij is het volgende vastgesteld. [opposant] heeft over de toeslagjaren 2005 tot en met 2010 en over de jaren 2013 tot en met 2019 geen aanvraag gedaan voor kinderopvangtoeslag (KOT). Over 2011 heeft hij KOT aangevraagd en toegekend gekregen, maar in dat jaar is geen sprake van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen en evenmin van een relevante terugvordering. In de zienswijze heeft [opposant] aangevoerd dat er in 2010 KOT is uitbetaald. Volgens de Dienst Toeslagen is echter de ex-partner van [opposant] de aanvrager geweest en niet [opposant]. Op een eerdere aanvraag van [opposant] met betrekking tot toeslagjaar 2012 heeft de Dienst Toeslagen afzonderlijk beslist na herhaalde beroepen wegens niet tijdig beslissen. Ook is met betrekking tot die eerdere aanvraag een bestuurlijke dwangsom verbeurd en vastgesteld bij besluit van 30 november 2022.

5. In de uitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van het gewijzigde verweerschrift van de Dienst Toeslagen overwogen dat de Wht er van uitgaat dat op één aanvraag één beslissing volgt. Een tweede aanvraag kent de Wht niet. De rechtbank heeft daarbij gewezen op haar uitspraken van 17 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:13134) en 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:3467). Dat de Dienst Toeslagen ten onrechte een of meerdere jaren niet beoordeeld zou hebben, dient hersteld te worden via de bezwaarprocedure. Afzonderlijk beroep instellen leidt niet tot dubbele dwangsommen en heeft dus geen zin. Omdat in de uitspraak is overwogen dat [opposant] met dit beroep niet kan bereiken dat de Dienst Toeslagen opnieuw dwangsommen verbeurt wegens niet-tijdig beslissen, is in de uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

6. [opposant] heeft aangevoerd dat de uitspraak tot gevolg heeft dat hem de toegang tot de rechter wordt ontzegd en hij daardoor niet meer kan afdwingen dat de Dienst Toeslagen een besluit op bezwaar neemt. Hij wijst in dit verband op twee uitspraken van 29 oktober 2024 waarin de Rechtbank Noord-Holland wel een rechtsingang bood door te oordelen dat per toeslagjaar een besluit kan worden uitgelokt.

7. De rechtbank oordeelt als volgt.

8. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie in dit verband ook ECLI:NL:RBROT:2025:12801 en ECLI:NL:RBROT:2025:14811). Indien de zaak op een zitting was behandeld had [opposant] dit kunnen aanvoeren. Het verzet slaagt dus.

9. Gelet hierop is het verzet gegrond en kan de uitspraak niet in stand blijven.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

10. De Dienst Toeslagen heeft niet tijdig beslist, zodat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet aanleiding om een nadere beslistermijn vast te stellen. Gelet op de samenhang met een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen en hetgeen hierna wordt overwogen, ziet de rechtbank wegens bijzondere omstandigheden aanleiding om een beperkte dwangsom vast te stellen.

11. Op basis van de stukken waaronder het advies bij het besluit van 22 januari 2025 stelt de rechtbank het volgende vast. Niet in geschil is dat [opposant] over toeslagjaar 2011 KOT is toegekend, maar dat over dat jaar geen compensatie wordt toegekend. Eerdere besluitvorming zag op het jaar 2012. Over dat jaar was [opposant] eveneens KOT toegekend.

[opposant] heeft in dat verband aanspraak gemaakt op de Catshuisregeling en € 30.000 ontvangen. [opposant] heeft voorts eerder geprocedeerd wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar inzake de hersteloperatie toeslagen. Daarbij heeft hij zowel de bestuurlijke dwangsom als de rechterlijke dwangsom verkregen. Volgens het besluit met kenmerk UHT-DC I is de definitieve vergoeding na de integrale beoordeling lager dan het bedrag van de Catshuisregeling. In het besluit op bezwaar van 17 augustus 2023 met kenmerk UHT-BOB is het totale compensatiebedrag vastgesteld op € 30.235. Dit heeft geleid tot een nabetaling van € 235.

12. Nadat de besluitvorming over de Catshuisregeling en toeslagjaar 2012 was afgerond heeft [opposant] opnieuw, maar dan over andere toeslagjaren een aanvraag gedaan. Omdat op die aanvraag niet tijdig was beslist, heeft [opposant] beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen en nadien een herhaald beroep. Ook dit heeft geleid tot de toekenning van diverse dwangsommen. De Dienst Toeslagen heeft aan het besluit van 22 januari 2025 ten grondslag gelegd dat enkel het gegeven dat de toeslag op een bankrekening – mede – op naam van naam van ouder [opposant] is gestort, [opposant] nog niet de aanvrager c.q. rechthebbende van de toegekende toeslag maakt. [opposant] was volgens de Dienst Toeslagen in 2010 niet bij Belastingdienst/Toeslagen bekend als aanvrager van de KOT over 2010. Het standpunt van de Dienst Toeslagen is onderschreven door de Commissie van Wijzen. Uit de stukken blijkt niet dat [opposant] een begin van bewijs heeft geleverd dat hij wel de aanvraag heeft ingediend. In het bezwaarschrift is in dit verband enkel het volgende vermeld: “Volgens de beschikking zou cliënt niet de aanvrager zijn geweest van de KOT in de jaren 2009 en 2010. Cliënt herinnert zich dat anders. Hij was de aanvrager van de KOT en niet zijn ex-partner.”

13. Op basis van de voorliggende stukken stelt de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van [opposant] een zeer beperkte kans van slagen heeft. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat alleen de aanvrager aanspraak maakt op een toeslag of compensatie (vgl. ECLI:NL:RVS:2025:2045 en ECLI:NL:RVS:2025:5980). Het enkel instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar zal er echter wel telkens toe leiden dat [opposant] opnieuw dwangsommen en een proceskostenvergoeding incasseert. In dit verband speelt mee dat vanwege het grote aantal (ook repeterende) aanvragen en beroepen wegens niet tijdig beslissen sprake is van een overmachtssituatie bij de Dienst Toeslagen waardoor nimmer op tijd wordt beslist en dus dwangsommen oplopen (zie daarover bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:1301 en ECLI:NL:RBMNE:2024:6003).

Conclusie en gevolgen

14. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak is komen te vervallen. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb uitspraak op het beroep en verklaard het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond.

15. De rechtbank zal in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301) uitgaan van een nadere termijn van 60 weken die ingaat na de beslistermijn van 18 weken. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen binnen 78 weken te rekenen vanaf de dag na het besluit van 22 januari 2025 dient te beslissen (dat wil zeggen uiterlijk 22 juli 2026). De rechtbank ziet aanleiding de dwangsom vast te stellen op € 10 per dag dat deze termijn wordt overschreden met een maximum van € 1.500.

16. De rechtbank ziet aanleiding tot een proceskostenveroordeling in verzet en in beroep met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), een verzetschrift ingediend (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.167,50 (te weten 2,5 x 0,5 x € 934).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit,

- bepaalt dat de Dienst Toeslagen uiterlijk binnen 78 weken na het besluit van 22 januari 2025 alsnog op het bezwaar beslist;

- bepaalt dat de Dienst Toeslagen bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbeurt van € 10 per dag, met een maximum van € 1.500;

- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53 aan [opposant] moet vergoeden;

- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van [opposant] tot een bedrag van

€ 1.167,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.

De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P. Vrolijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?