ECLI:NL:RBROT:2026:13482

ECLI:NL:RBROT:2026:13482

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 10.110515.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt een 38v-maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een gebiedsverbod voor een periode van 5 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.110515.25

Datum uitspraak: 11 september 2026

Datum zitting: 28 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1972 in [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. J.J. Lieftink

Officier van justitie: mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi

Benadeelde partij: [benadeelde]

Gemachtigde: [naam gemachtigde]

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt een 38v-maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een gebiedsverbod voor een periode van 5 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – [slachtoffer] heeft mishandeld en heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.hij op 16 maart 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] te duwen,

2.hij in de periode van 24 maart 2025 tot en met 8 april 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (indirect) via [persoon A] veelvuldig berichten te sturen met de strekking dat hij, verdachte, [slachtoffer] zal doden, zoals

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging met de dood en met zware mishandeling.

Bewezen is dat:

1.hij op 16 maart 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] te duwen.

2.hij in de periode van 24 maart 2025 tot en met 8 april 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door indirect via [persoon A] veelvuldig berichten te sturen met de strekking dat hij, verdachte, [slachtoffer] zal doden, zoals

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Feit 1

1. Verklaring van de verdachte

Op 16 maart 2025 ben ik langs geweest bij de woning van mijn ex-partner [slachtoffer] in Rotterdam.

2. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]

[voornaam verdachte] heeft mij op 16 maart 2025 in Rotterdam vastgepakt en naar beneden geduwd. Ik ben hierbij hard gevallen. Ik voelde direct hevige pijn in mijn rug en rechterhand. Ik heb lopen schreeuwen en van angst heb ik ook in mijn broek geplast.

3. Proces-verbaal van de politie

Op 16 maart 2025 kregen wij, verbalisanten, de volgende melding. De ex van de meldster stond onverwachts voor de deur van haar woning in Rotterdam en had haar een duw gegeven waardoor zij was gevallen. De meldster bleek [slachtoffer] . De ex bleek later te zijn [verdachte] . Ter plaatse hoorden wij een mannen- en vrouwenstem door elkaar heen schreeuwen. Bij de woning zagen wij dat [verdachte] voor de voordeur stond, tegenover [slachtoffer] . Wij hoorden dan [slachtoffer] meerdere malen tegen [verdachte] zei: "Ga weg." Ik zag en hoorde dat [slachtoffer] tijdens ons gesprek hevig geëmotioneerd was. Ik zag dat de broek van [slachtoffer] tussen haar benen nat was. Ik hoorde haar zeggen dat zij van angst in haar broek had geplast.

Feit 2

1. Verklaring van de verdachte

Ik heb in de tenlastegelegde periode in Rotterdam contact met [persoon A] opgenomen. De appberichten zoals die zijn opgenomen in het dossier zijn door mij aan hem verstuurd.

2. Proces-verbaal van politie, verklaring [slachtoffer]

Op 24 maart begon [voornaam verdachte] met bedreigingen te uiten en leugens naar mijn familie te sturen over mij. De berichten zijn doorgegaan t/m 8 april 2025.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon A]

Vanaf 24 maart 2025 kreeg ik, [persoon A] , van [voornaam verdachte] meerdere berichten. Hij wilde mijn tante heel graag terug. Vanaf dat moment ging het alleen maar over de dood. Ik heb alles doorgestuurd naar mijn tante. Mijn tante schrok hier zo erg van dat ze aangifte wilde gaan doen. Ik stuur alle berichten naar jullie toe.

4. Proces-verbaal van de politie

Het account [voornaam verdachte] met telefoonnummer [gsm-nummer] heeft onder meer de volgende berichten verzonden:

Bewijsmotivering feit 2

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen berichten, gezien de context waarin deze berichten zijn verzonden, niet als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling kunnen worden beschouwd.

Niet ter discussie staat dat de betreffende berichten van de verdachte afkomstig zijn. De berichten zijn weliswaar naar een neef van aangeefster verzonden, maar gelet op de bewoordingen kunnen de berichten niet anders worden opgevat dan een bedreiging van aangeefster met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. Met het versturen van de berichten naar de neef van aangeefster heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster daarvan op de hoogte zou raken. Daarnaast is het, zeker na het incident op 16 maart 2025, objectief gezien voorstelbaar dat bij aangeefster een reële angst kon ontstaan dat verdachte zijn dreigementen zou uitvoeren. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde bedreigingen bewezen.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

mishandeling

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en dat daarnaast de maatregel van ongemaximeerde terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit geen tbs met dwangverpleging op te leggen, maar in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit een vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr) op te leggen. Voor zover de rechtbank dit anders ziet, wordt verzocht om de tbs met dwangverpleging gemaximeerd op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner. Uit de dossierstukken komt naar voren dat hij zijn ex-partner bij haar woning heeft opgezocht. Hij heeft haar ter plekke geduwd, waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft met dit handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het geweld heeft in de huiselijke omgeving plaatsgevonden, een omgeving waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Daarnaast heeft verdachte in de periode daarna via Whatsapp-berichten aan haar neef bedreigende teksten geuit richting zijn ex-partner. Door zijn handelen heeft de verdachte zijn ex-partner vrees aangejaagd.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

- Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten, maar niet in de afgelopen vijf jaren. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

- Rapporten van deskundigen

Er is in de afgelopen jaren veel tijd en energie geïnvesteerd in (pogingen tot) onderzoek naar de persoon van verdachte. Van belang is dat de verdachte in 2003 is veroordeeld tot gevangenisstraf en een tbs-maatregel met dwangverpleging. Deze maatregel heeft van 2004 tot en met 2020 geduurd en vervolgens is hij in vrijheid gesteld. In 2024 is de verdachte wederom onderzocht door deskundigen in het kader van een verdenking waarvoor hij uiteindelijk is vrijgesproken.

In het kader van deze zaak is de verdachte klinisch geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Uit de pro Justitia rapportage van het PBC van 9 juli 2026 komt naar voren dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Het was hierdoor voor de deskundigen niet mogelijk om met hem in gesprek te gaan over zijn innerlijke beleving en zij hebben geen zicht gekregen op de periode vanaf het einde van de tbs-maatregel in 2020 tot op heden. Het is de deskundigen niet gelukt om diagnostische conclusies te trekken die betrekking hebben op deze periode. Hierdoor kunnen zij ook geen uitspraken doen over de doorwerking van een eventuele stoornis in het ten laste gelegde. Dat geldt ook voor de vraag of sprake is van een mogelijk recidiverisico. Vanwege deze beperkingen in het onderzoek onthouden de deskundigen zich van een advies ten aanzien van een eventuele behandeling in een strafrechtelijk kader.

Oplegging straf en maatregel

De vraag ligt voor of aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd en of hij onder dwang moet worden verpleegd, zoals door de officier van justitie is geëist. De wet stelt daarvoor de volgende eisen, te weten:

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op basis van de in de loop der jaren over verdachte uitgebrachte rapporten - zij het in marginale mate - zou kunnen worden onderbouwd dat formeel aan deze vereisten wordt voldaan.

De rechtbank is echter van oordeel dat oplegging van een tbs met dwangverpleging op dit moment, mede in het licht van de aard van de in deze zaak bewezen feiten, niet de aangewezen maatregel is. Van belang is dat de verdachte sinds het einde van de tbs-maatregel in 2020 tot op heden niet opnieuw is veroordeeld. Over deze periode hebben de deskundigen van het PBC ook geen conclusies kunnen trekken. Het is in zoverre niet concreet geworden dat op dit moment sprake is van een zodanig algemeen gevaar voor de veiligheid van anderen dat dit de vergaande maatregel van tbs met dwangverpleging rechtvaardigt. Op basis van de in deze zaak bewezen feiten kan enkel geoordeeld worden dat het gevaar zich beperkt tot de veiligheid van de aangeefster. De verdachte zit echter inmiddels ruim anderhalf jaar in voorlopige hechtenis en het is niet gebleken dat hij haar in die periode op wat voor manier dan ook (indirect) heeft benaderd. De verdachte heeft ook ter zitting benadrukt dat hij geen enkele reden meer heeft om contact met haar op te nemen. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de hierna te bespreken 38v-maatregel voldoende waarborgen biedt om de veiligheid van aangeefster te beschermen.

Het voorgaande leidt tot het volgende oordeel.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank ziet daarnaast de noodzaak een maatregel te treffen ter bescherming van aangeefster en zal daarom aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten gericht tegen aangeefster. Deze maatregel houdt in:

Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van maximaal 2 weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank verklaart ter bescherming van de aangeefster de maatregel dadelijk uitvoerbaar. Er moet namelijk ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangeefster.

Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer]

heeft als benadeelde partij voor de feiten € 1.100,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op het ingenomen standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair wordt verzocht de vordering te matigen, nu de benadeelde partij de vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de onderbouwing van de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit). Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.110,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 maart 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)

legt de verdachte voor het feit op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar, inhoudende dat de verdachte:

- zich niet bevindt in het gebied dat zich bevindt in de gemeenten Schiedam en Rotterdam ten noorden van de rivier de Maas. Het gebied wordt begrensd door de rivier de Maas, de A4, de A20, de A13 en de A16. Hierbij wordt verwezen naar de kaart die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht;

- op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1970;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van maximaal 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van

€ 1.100,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 1.100,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. H. Wielhouwer en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 september 2026.

Bijlage 1

Kaart ten behoeve van het gebiedsverbod zoals opgenomen in de 38v-maatregel:

Het gebiedsverbod betreft een gedeelte van de gemeenten Schiedam en Rotterdam ten noorden van de rivier de Maas. Het gebied wordt begrensd door de rivier de Maas, de A4, de A20, de A13 en de A16.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.H. Janssen

Griffier

  • mr. H.A. Wolterink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand