ECLI:NL:RBROT:2026:13484

ECLI:NL:RBROT:2026:13484

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 12164276 CV FORM 26-4861
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk niet of onjuist en onvolledig doen van aangiftes omzetbelasting en inkomstenbelasting en premies Volksverzekeringen over de jaren 2019 tot en met 2022 (artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De verdachte wordt een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-277842-24

Datum uitspraak: 25 september 2026

Datum zitting: 11 september 2026

Verstek

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] (Servië),

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

Officier van justitie: mr. M.A. van Rijswijk

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk niet of onjuist en onvolledig doen van aangiftes omzetbelasting en inkomstenbelasting en premies Volksverzekeringen over de jaren 2019 tot en met 2022. De verdachte wordt een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – over de jaren 2019 tot en met 2022 opzettelijk niet (tijdig) en onjuiste en/of onvolledige aangiftes inkomsten- en omzetbelasting en premie Volksverzekeringen heeft gedaan.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2022 tot en met 15 april 2025 in de gemeente Breda en/of Roosendaal, althans elders in Nederland, opzettelijk, (een) bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte voor de omzetbelasting over het eerste kwartaal 2022, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 25 april 2019 tot en met 30 januari 2023, in de gemeente Breda en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk, (een) bij de Belastingdienst voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het:

immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting en/of elektronische aangifte (biljet) omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

3

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2021 tot en met 9 augustus 2023, in de gemeente Breda en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk, (een) bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting/premie Volksverzekeringen, over het jaar/de jaren:

niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

4

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 april 2021 tot en met 9 augustus 2023, in de gemeente Breda en/of Roosendaal, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk, (een) bij de Belastingweg voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één (of meer) digitale aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte] over het jaar/de jaren:

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte [verdachte] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde en/ of ingediende (digitale) aangifte(n) over genoemd(e) jaar/jaren, een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen opgegeven, althans een te laag bedrag opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 tot en met 4.

Oordeel van de rechtbank

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. De verdachte diende zowel de aangiften inkomstenbelasting als de aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak zelf in. Als belastingconsultant was de verdachte als geen ander op de hoogte van de geldende belastingwetgeving en de verplichtingen voor de omzet- en inkomstenbelasting.

Ten aanzien van de aangiften omzetbelasting heeft de verdachte verklaard dat hij deze aangiften niet deed aan de hand van zijn bankafschriften en dat de aangiften te snel zijn ingediend. Wat betreft de aangiften inkomstenbelasting bleken niet alle inkomsten van alle debiteuren als omzet te zijn verantwoord. Door de ingekomen omzet niet zorgvuldig te controleren aan de hand van zijn bankafschriften alvorens aangiften omzet- en inkomstenbelasting te doen, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting, zoals vermeld op de tenlastelegging, op onjuiste wijze zou doen.

Wat betreft de niet gedane aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2022 en de niet gedane aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2020 en 2021 geldt dat, mede gelet op zijn werkzaamheden als belastingconsultant, het niet anders kan zijn dat dat de verdachte zich bewust was van het feit dat hij ten onrechte geen aangifte had gedaan. Ten aanzien van de inkomstenbelasting komt daar bij dat de verdachte herinneringen en aanmaningen voor het doen van aangifte heeft ontvangen.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte:

1

in de periode 1 mei 2022 tot en met 15 april 2025, in Nederland, opzettelijk, een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het eerste kwartaal 2022, niet heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2

in de periode 25 april 2019 tot en met 30 januari 2023, in Nederland, telkens opzettelijk, een bij de Belastingdienst voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het:

- eerste kwartaal en tweede kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal 2019, en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal 2020, en

- eerste kwartaal en tweede kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal 2021, en

- tweede kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal 2022,

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst, ingeleverde elektronische aangiften omzetbelasting over genoemde jaren telkens een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

3

in de periode 1 mei 2021 tot en met 9 augustus 2023, in Nederland, telkens opzettelijk, een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Inkomstenbelasting/premie Volksverzekeringen, over de jaren:

- 2020, en

- 2021

niet heeft gedaan, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

4

in de periode 30 april 2021 tot en met 9 augustus 2023, in Nederland, telkens opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van [verdachte] over de jaren:

- 2019, en

- 2022,

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte [verdachte] telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde en ingediende aangiften over genoemde jaren, een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

Feit 2:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 3:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 4:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft gedurende vier jaren aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting niet of onjuist en onvolledig ingediend.

De verdachte bood vanuit zijn eenmanszaak financiële en fiscale dienstverlening aan en heeft niet alle omzet die hij heeft behaald met die werkzaamheden fiscaal verantwoord. In de periode 2019 tot en met 2022 heeft de verdachte te lage bedragen aangegeven in de aangiften omzetbelasting. Voor de inkomstenbelasting heeft de verdachte in de jaren 2020 en 2021 geen aangifte gedaan en voor de jaren 2019 en 2022 is in de aangiften inkomstenbelasting een te lage omzet aangegeven. De Belastingdienst heeft hierdoor in totaal een fiscaal nadeel geleden van € 121.014,- (€ 62.937,- + € 55.220,- + € 2.857,-).

Het belastingsysteem berust erop dat op de juistheid van belastingaangiften moet kunnen worden vertrouwd. De verdachte heeft door zijn handelen het belastingsysteem ondermijnd. Hierdoor is de overheid en daarmee de gehele samenleving benadeeld. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien aan dat hij deze feiten heeft gepleegd terwijl hij werkzaam was in de financiële en fiscale dienstverlening.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte is niet verschenen op de zitting om over zijn persoonlijke omstandigheden te vertellen. Uit het dossier volgt dat verdachte een forse belastingschuld heeft. De officier van justitie heeft tijdens de zitting toegelicht dat de belastingschuld in maart 2026 ongeveer € 500.000,- bedroeg. Op zijn belastingschuld heeft de verdachte de afgelopen jaren (nagenoeg) niets betaald.

Oplegging straffen

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Volgens de LOVS is, gezien het totale nadeelbedrag van € 121.014,-, een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Alles afwegend ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Aan de verdachte wordt daarom conform de eis een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

6. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

Voorwaardelijke gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.H. Kroon, voorzitter,

en mrs. S.W.H. Bootsma en A.C.M. Klaasse, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. H.A. Wolterink en E. Naaijen-van Kleunen, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 september 2026.

Mr. A.C.M. Klaasse is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 – Bewijsmiddelen

1. Proces-verbaal van de politie

Volgens de Kamer van Koophandel heeft [verdachte] sinds 1 november 2012 de eenmanszaak [naam eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak] ). Hij biedt vanuit daar financiële en fiscale dienstverlening aan en voert interim werkzaamheden uit bij derden.

Naar aanleiding van een intern signaal bij de Belastingdienst is er een boekenonderzoek gestart in maart 2023.

De omzetten op deze overlegde facturen waren veel omvangrijker dan de bij de omzetbelasting (2019 t/m 2022) aangegeven omzetten. De controlerend ambtenaar heeft in januari 2024 bankafschriften opgevraagd bij ING- en SNS bank. Er is een vergelijking gemaakt tussen de totalen van de ontvangen facturen en de totalen van de betalingen op de bankafschriften. Hieruit blijkt dat er meer betalingen zijn ontvangen dan er aan facturen is overlegd en er in de aangiftes is opgegeven.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte

Wij, verbalisanten, beiden opsporingsambtenaar, rechercheur, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, verklaren het volgende:

Op 30 januari 2025 hoorden wij de verdachte:

Voornamen: [voornaam verdachte]

Achternaam: [achternaam verdachte]

Vraag verbalisanten: Wie doet de administratie en belastingaangiftes voor [naam eenmanszaak] ?

Antwoord: De belastingaangiftes voor [naam eenmanszaak] diende ik zelf in.

Vraag verbalisanten: Wie heeft deze aangiftes (IH van 2019 t/m 2022) ingediend?

Antwoord: Ik heb deze samen met mijn ex-partner ingediend. Meestal waren ze al vooral door fiscus volledig ingevuld. Alleen het gedeelte met betrekking tot [naam eenmanszaak] niet.

Vraag verbalisanten: Kunt u verklaren waarom de omzet van [naam eenmanszaak] op de aangiftes IH hoger is dan op de aangiftes OB?

Antwoord: Het heeft reden, dat sommige aangiftes te snel zijn ingediend. Sommige aangiftes waren te hoog en sommige te laag. De aangiftes OB kloppen niet. De inspecteur heeft mij er op gewezen.

3. Een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring Omzetbelasting van ambtenaar van de Belastingdienst, met als datum 15 april 2025

De ondergetekende, als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, verklaart dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen ten behoeve van [verdachte] (hierna: de belastingplichtige):

X dat tot op heden geen elektronische aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1e kwartaal 2022 van belastingplichtige is ontvangen.

3. Een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring Behandelfunctionaris van de Belastingdienst

Ik, behandelfunctionaris, werkzaam bij de Belastingdienst/MKB-Belastingen verklaar op de belofte bij aanvang mijner bediening afgelegd het volgende:

Belastingplichtige

Deze ambtsedige verklaring heeft betrekking op de onderstaande belastingplichtige:

Naam: [verdachte]

Nadeelberekening

Uit de documenten komt naar voren dat:

Een specificatie per jaar van de hierboven genoemde bedragen is weergegeven in de onderstaande tabel.

Berekening belastingnadeel

Bij beoordeling heb ik vastgesteld dat het belastingnadeel aan omzetbelasting voor de Nederlandse Staat, ten aanzien van de niet aangegeven omzet, in totaal € 62.937 bedraagt.

4. Een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring Behandelfunctionaris van de Belastingdienst met bijlage

Ik, behandelfunctionaris Inkomstenbelasting, werkzaam bij de Belastingdienst/MKB-Belastingen verklaar op de belofte bij aanvang mijner bediening afgelegd het volgende:

Inhoud ambtsedige verklaring

Deze ambtsedige verklaring bevat een nadeelberekening voor de inkomstenbelasting.

Belastingplichtige

Deze ambtsedige verklaring heeft betrekking op de onderstaande belastingplichtige:

Naam: [verdachte]

Nadeelberekening

Op 12 februari 2025 heeft Belastingdienst/FIOD Zuidwest (hierna: FIOD) mij de onderstaande informatie voorgelegd:

De hierboven genoemde gegevens komen niet overeen met de aangiftes inkomstenbelasting en de ambtshalve vastgestelde winst over de betreffende jaren:

• Belastingplichtige heeft in zijn aangifte 2019 aangegeven een bruto-omzet € 122.012 met een fiscale winst van € 40.059;

• Belastingplichtige in het jaar 2020 geen aangifte heeft gedaan; de fiscale winst ambtshalve werd vastgesteld op € 15.000;

• Belastingplichtige in het jaar 2021 geen aangifte heeft gedaan; de fiscale winst ambtshalve werd vastgesteld op € 40.000;

• Belastingplichtige in het jaar 2022 een bruto-omzet heeft aangegeven van € 110.273 met een fiscale winst van € 66.559.

Berekening belastingnadeel

Bij beoordeling van de hierboven genoemde cijfers en de bij de belastingdienst bekende aangiftegegevens alsmede de ambtshalve vastgestelde gegevens dat het belastingnadeel aan inkomstenbelasting voor de Nederlandse Staat, ten aanzien van de niet aangegeven omzet, in totaal € 55.220 bedraagt en voor de premies Zorgverzekeringswet € 2.857.

Bijlage II: data verzending aangifte, aanmaning en indiening aangiftes

5. Proces-verbaal van de politie

Ik verbalisant, als opsporingsambtenaar en rechercheur werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, verklaar het volgende:

Resumé

Uit mijn aanvullend onderzoek komt naar voren dat:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand