Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10-405485-24, 10-326948-24, 10-339781-24, 10-343989-25 en 10-076540-26 (gevoegd ter terechtzitting)
Parketnummer vordering TUL: 10-274133-23
Datum uitspraak: 10 september 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. J.F. van Duin, advocaat in Ridderkerk.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 27 augustus 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Vollebregt heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 2, in de zaak met parketnummer 10-326948-24, in de zaak met parketnummer 10-339781-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-076540-26 is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewijswaardering parketnummer 10-405485-24 onder 1 subsidiair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de medeplichtigheid aan de gewapende overval op een filiaal van Used Products. Volgens de verdediging was de verdachte niet bij deze overval betrokken. Hij was weliswaar de bestuurder van de vluchtauto, maar hij wist niet van het plan om de overval te plegen.
Beoordeling
Vaststaat dat op 22 december 2024 een gewapende overval heeft plaatsgevonden op een filiaal van Used Products in Rotterdam. Op de camerabeelden is te zien dat twee personen met bivakmutsen de winkel in lopen terwijl twee medewerkers ( [medewerker 1] en [medewerker 2] ) aanwezig zijn. Persoon 1 droeg een machete, althans een lang voorwerp, en sloeg met een hamer de vitrines kapot, waarna hij meerdere iPhones en iPads pakte en in een zwarte sporttas stopte. Persoon 2 richtte tegelijkertijd met een vuurwapengelijkend voorwerp op de eigenaar van de winkel, sprong over de balie en deed een greep uit de kassalade.
Vervolgens werd waargenomen dat de twee mannen samen de winkel uit renden en instapten in een voertuig, een Renault Clio, waarin op dat moment al twee andere personen zaten. Het voertuig reed vervolgens weg. Even later troffen verbalisanten de Renault Clio geparkeerd aan en observeerden zij het voertuig. Tijdens die observatie zagen zij een Ford Ka met vier inzittenden. Er stapten twee personen uit die richting de Renault Clio liepen. Het voertuig werd geopend en uit de kofferbak werd een zwarte sporttas gepakt. Deze tas werd vervolgens in de kofferbak van de Ford Ka gelegd. Daarna stapten de twee personen weer in de Ford Ka en reed het voertuig weg. De vier inzittenden werden vervolgens aangehouden en blijken [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en verdachte te zijn.
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de verdachte medeplichtig is geweest bij deze overval. Voor medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte gericht was op zowel het gronddelict als op het daarbij behulpzaam zijn.
De verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van de Renault Clio is geweest en dat hij is benaderd om voor ‘7 barkie’ door Rotterdam-Zuid te rijden. Dat de verdachte niets van de overval afwist, acht de rechtbank onder de omschreven omstandigheden niet geloofwaardig. Uit onderzoek in de telefoon van de verdachte is gebleken dat daarin een locatiepin stond van het filiaal van Used Products en dat recent was gezocht op ‘Used Products Rotterdam Zuid’. De verdachte zou ‘7 barkie’ (de rechtbank begrijpt dat hiermee € 700,00 wordt bedoeld) krijgen voor het besturen van een auto. Het is niet geloofwaardig dat de verdachte een dergelijk bedrag betaald zou krijgen voor het zomaar wat door Rotterdam rijden. Daar komt bij dat de medeverdachte [medeverdachte 3] in een Snapchat-gesprek tegen de verdachte zegt: ‘jullie hebben het niet goed gedaan’. Daarnaast is op de camerabeelden te zien dat de twee overvallers met bivakmuts uit de Renault Clio stappen en even later al rennend, en nog steeds met bivakmutsen op, weer instappen. Het kan niet anders dan dat dit de verdachte moet zijn opgevallen. Met die wetenschap is de verdachte blijven wachten op de twee overvallers en is hij met hen en de buit weggereden. Verder blijkt uit de video die is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] , opgenomen een half uur na de overval, dat achter de verdachte op de bestuurdersstoel een tablet lag, die onderdeel was van de buit. De verdachte was dus van de aanwezigheid van de buit op de hoogte. Nadat de verdachte het voertuig had geparkeerd, heeft hij zich ook niet gedistantieerd. Integendeel, hij is opnieuw behulpzaam geweest door samen met medeverdachten in de Ford Ka naar de geparkeerde Renault Clio te rijden, deze met de autosleutel te openen, zodat de buit kon worden opgehaald en kon worden meegenomen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte wist dat er een overval zou plaats vinden en dat hij daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest. De verdachte is dus medeplichtig aan de gewapende overval op Used Products.
Op basis van het dossier kan de rechtbank overigens niet vaststellen dat er bij de overval een (echt) vuurwapen gebruikt is, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Bewijswaardering parketnummer 10-343989-25
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de mishandeling van [slachtoffer 1] , de vriendin van de verdachte. Volgens de verdediging is geen sprake van letsel op grond waarvan tot een bewezenverklaring van mishandeling kan worden gekomen.
Beoordeling
De verdachte heeft verklaard dat een gesprek met zijn vriendin escaleerde en dat hij toen zijn vriendin bij de kraag van haar jas heeft vastgepakt. De vriendin van de verdachte heeft bij de politie verklaard dat haar hals daardoor tegen de rits van haar jas aankwam, waardoor het letsel in haar hals is ontstaan. Op basis van deze verklaringen en het door de politie bij haar waargenomen letsel, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van mishandeling van [slachtoffer 1] .
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-343989-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 subsidiair en 2 en de in de zaak met parketnummer 10-343989-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10-326948-24, de in zaak met parketnummer 10-339781-24 onder 1 en 2 en de in de zaak met parketnummer 10-076540-26 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10-326948-24
hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Keulen, Duitsland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type VZOR 70, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10-339781-24
1
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Rotterdam, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Parketnummer 10-405485-24
1. subsidiair
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 22 december 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere telefoon(s) en/of iPad(s) en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [medewerker 1] en/of Used Products, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [medewerker 1] en/of [medewerker 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- zichzelf en/of en dat zijn mededader(s) zich onherkenbaar te hebben gemaakt door een bivakmuts op te zetten,
- met een vuurwapen de winkel in te komen,
- (vervolgens) het vuurwapen op die [medewerker 1] en/of [medewerker 2] te richten,
- (daarbij) de woorden toe te voegen: “We zoeken geld, waar is de kassa, doe de kassa open”,
- over de balie te springen en/of (vervolgens) de kassalade op open te trekken en geld uit de kassalade te pakken,
- met een machete, althans een lang en/of puntig voorwerp en/of een hamer de vitrines kapot te slaan,
- (vervolgens) diverse iPhones en/of iPads mee te nemen
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 december 2024 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- met voornoemde dader(s) en/of met onbekend gebleven personen het misdrijf te beramen,
- met/voor voornoemde dader(s) en/of met/voor onbekend gebleven personen een chauffeur te regelen,
- voornoemde dader(s) per auto naar de plaats van het misdrijf te vervoeren,
- te wachten in de auto en/of om vervolgens de voornoemde dader(s) van de plaats van het misdrijf te vervoeren,
- behulpzaam te zijn bij het wegmaken van de buit en/of de gebruikte wapens;
2
hij, op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in haar gezicht te slaan;
Parketnummer 10-343989-25
hij op 11 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen en/of die [slachtoffer 1] bij haar kraag en/of jas vast te pakken;
Parketnummer 10-076540-26
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te Dordrecht, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 10,1 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10-326948-24
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Parketnummer 10-339781-24
Feit 1: schuldheling;
Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 10-405485-24 Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2: mishandeling;
Parketnummer 10-343989-25
mishandeling;
Parketnummer 10-076540-26
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De toen zestienjarige verdachte heeft zich allereerst op 15 januari 2024 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen semiautomatisch vuurwapen. Het vuurwapen is in het handschoenenkastje aangetroffen van de auto waarin de verdachte zich bevond. De verdachte heeft foto’s van zichzelf met het vuurwapen gemaakt. Het ongecontroleerd bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens, ook door jongeren, gemakkelijk kan leiden tot gebruik daarvan, met ernstig letsel of de dood tot gevolg.
Daarna is de verdachte op 24 oktober 2024 rijdend op een scooter gezien die gestolen bleek te zijn. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan schuldheling. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. Na fouillering bleek dat de verdachte twee gripzakjes met cocaïne bij zich had, waardoor hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Drugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid.
De toen zeventienjarige verdachte heeft zich vervolgens op 22 december 2024 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende overval op de winkel Used Products in Rotterdam-Zuid. De overval vond plaats op klaarlichte dag en was het resultaat van een vooropgezet plan, waarbij iedere verdachte een eigen rol had. De overvallers hebben het aanwezige personeel van de winkel bedreigd door het tonen van een machete of een langwerpig voorwerp en een op een vuurwapen lijkend voorwerp. Met een hamer zijn vitrines kapotgeslagen en zijn meerdere iPhones en iPads weggenomen. De verdachte was de bestuurder van de vluchtauto. Hij heeft de medeverdachten naar de plaats delict gebracht, daar op hen gewacht en is vervolgens met hen en de buit weggereden. Met zijn rol heeft de verdachte bijgedragen aan de ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit en het veiligheidsgevoel van de winkeleigenaar en zijn echtgenote. Zij hebben zich door het strafbare feit zeer angstig en onveilig gevoeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog langere tijd psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat de impact van de overval op de slachtoffers aanzienlijk is geweest. Zij hebben uiteindelijk zelfs besloten hun winkel vanwege de ervaren stress te verkopen.
Op 11 juni 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn tienjarige zusje. Hij heeft haar een tik op haar neus gegeven, omdat zij niet naar hem luisterde, waardoor zij een bloedneus kreeg. Zes maanden later, op 11 december 2025, heeft de inmiddels achttienjarige verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan mishandeling, ditmaal van zijn vriendin. De verdachte kreeg ruzie met zijn vriendin en heeft haar bij haar jaskraag gegrepen, waardoor de rits van de jas letsel in haar hals heeft veroorzaakt. Het gebruik van geweld geeft mensen een onveilig gevoel. De verdachte heeft met zijn gedrag blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van zijn zusje en zijn vriendin.
Tot slot heeft de verdachte zich op 12 maart 2026 opnieuw schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet doordat hij een behoorlijke hoeveelheid cocaïne bij zich had. Drugs vormen, als gezegd, een ernstig gevaar voor de volksgezondheid.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 29 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer mishandeling en overtreding van de Opiumwet.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad schrijft in het rapport over de verdachte van 26 juli 2026 dat er, naast de beschermende factoren die inmiddels worden gezien, nog steeds risicofactoren aanwezig zijn. De verdachte verblijft al langer dan een jaar in een zorginstelling, omdat zijn moeder in de thuissituatie onvoldoende grip op hem had. Vanwege het negatieve gedrag dat de verdachte op school heeft laten zien, kon hij niet terugkeren naar school. Daardoor heeft hij de afgelopen zes maanden geen onderwijs kunnen volgen. Hoewel het positief is dat de verdachte inmiddels in staat is te reflecteren op zijn eigen handelen, neemt hij nog onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn antisociaal gedrag. Het adequaat reguleren van emoties blijft een punt van aandacht, net als het op orde brengen van zijn financiële zaken en het voorkomen van nieuwe boetes. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog. Om die kans te verlagen, blijft de inzet en begeleiding van de jeugdreclassering noodzakelijk. Omdat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis twee keer opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd, kan de inzet van forensische hulp mogelijk helpend zijn.
De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte dagbesteding zal hebben in de vorm van school en/of werk, zal deelnemen aan coaching van E25 en zal meewerken aan nog in te zetten hulpverlening en de adviezen die daaruit voort komen, voorzover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Daarnaast adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.
De JBRR schrijft in het rapport over de verdachte van 17 augustus 2026 dat sprake is van een lange schorsingsperiode waarin de verdachte een duidelijke positieve ontwikkeling laat zien. Tegelijkertijd bevindt de verdachte zich de komende periode in een belangrijke overgangsfase, met een nieuwe opleiding en het toewerken naar een andere woonvorm. Daarnaast is de verdachte net vader geworden en is hij gestart met een traject om zijn schuldenproblematiek aan te pakken. De jeugdreclassering vindt het daarom belangrijk om de situatie van de verdachte in de komende periode te blijven monitoren.
De JBRR adviseert om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het al ondergane voorarrest. Daarnaast is het advies om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zal meewerken aan de begeleiding door de jeugdreclassering, dagbesteding zal hebben in de vorm van school en/of werk, mee zal werken aan coaching vanuit E25 en zal meewerken aan de nog in te zetten (forensische) hulpverlening en aan de adviezen die daaruit volgen als de jeugdreclassering dit nodig vindt. Gelet op de lange schorsingsperiode is een proeftijd van een jaar passend. Tot slot adviseert JBRR om aan de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen zodat hij de consequenties van zijn handelen ervaart.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in de zaken met de parketnummers 10-343989-25 en 10-076540-26 heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van die bewezenverklaarde feiten op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank constateert dat in de zaken met de parketnummers 10-326948-24, 10-339781-24 en 10-405485-24 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak van een jeugdige behandeld dient te worden.
In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich positief lijkt te ontwikkelen en toekomstgericht bezig is. De rechtbank vindt het wel zorgelijk dat de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorarrest twee keer opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat het laatste contact nog maar enkele maanden geleden plaatsvond. Om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, vindt de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, die hierna worden genoemd, en een proeftijd van twee jaren passend. Het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal gelijk zijn aan de duur van het voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet terug naar de jeugdgevangenis hoeft. Daarnaast ziet de rechtbank in de omvang en de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om aan de verdachte ook een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van na te noemen duur op te leggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd [medewerker 1] en [medewerker 2] , bijgestaan door mr. M.A. Oosterveen, ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partijen vorderen elk afzonderlijk een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen. In de zaken van de medeverdachten is een bedrag van € 3.000,- toegewezen. Gelet op de rol van de verdachte komt de schade voor twee derde aan hem toe, waardoor de vorderingen kunnen worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Het verzoek is de verdachte niet hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade, maar om wel de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadebedragen door de benadeelde partijen te hoog zijn. De toegewezen bedragen van € 3.000,- in de zaken van de medeverdachten lijken eerder de maatstaf te zijn. Omdat de rol van de verdachte bij de overval geringer was, is het verzoek om de schadevergoeding in redelijkheid daarop aan te passen.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partijen hebben sinds de gewapende overval last van herbelevingen, slaapproblemen en hyperalertheid. Daarnaast durfde [medewerker 1] niet meer naar zijn werk en heeft hij uiteindelijk de winkel verkocht. De aard en ernst van het feit brengt mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon aannemelijk is. Anders dan de verdediging en de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om een lager bedrag toe te wijzen dan in de zaken van de medeverdachten is toegewezen. In geval van groepsaansprakelijkheid is de mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen immers niet van belang. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,-. De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen dit deel van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Hoofdelijke veroordeling Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 december 2024.
Omdat de vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partijen [medewerker 1] en [medewerker 2] , elk afzonderlijk, een schadevergoeding betalen van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 24 oktober 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling en het handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 60 uren, waarvan een gedeelte groot 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 8 november 2024.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de gedeeltelijk opgelegde werkstraf dient te worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Beoordeling
De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn deels na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf, zodat de verdachte nog een taakstraf van 30 uren moet doen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 48, 49, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10-405485-24 onder 1 subsidiair en 2, in de zaak met parketnummer 10-326948-24, in de zaak met parketnummer 10-339781-24 onder 1 en 2, in de zaak met parketnummer 10-343989-25 en in de zaak met parketnummer 10-076540-26 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 91 (eenennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van dagbesteding in de vorm van school en/of werk;
- zijn medewerking zal verlenen aan coaching vanuit E25;
- zal meewerken aan nog in te zetten (forensische) hulpverlening, indien de jeugdreclassering dit nodig vindt en zal meewerken aan de daaruit volgende adviezen;
Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 10-405485-24; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [medewerker 1] , te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [medewerker 1] te betalen € 3.000,- (hoofdsom, zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [medewerker 2] , te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [medewerker 2] te betalen € 3.000,- (hoofdsom, zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 24 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 10- 274133-23;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. L.J.M. Janssen en R. van der Wal, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10-405485-24
1
hij op of omstreeks 22 december 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere telefoons en/of iPads, en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [medewerker 1] en/of Used Products, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [medewerker 1] en/of [medewerker 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zichzelf en/of zijn mededader(s) onherkenbaar te hebben gemaakt door een bivakmuts op te zetten,
- met een vuurwapen de winkel in te komen,
- ( vervolgens) het vuurwapen op die [medewerker 1] en/of [medewerker 2] te richten,
- ( daarbij) de woorden toe te voegen: “We zoeken geld, waar is de kassa, doe de kassa open”,
- over de balie te springen en/of (vervolgens) de kassalade op te trekken en geld uit de kassalade te pakken,
- met een machete, althans een lang en/of puntig voorwerp en/of een hamer de vitrines kapot te slaan,
- ( vervolgens) diverse iPhones en/of iPads mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 22 december 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere telefoon(s) en/of iPad(s) en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [medewerker 1] en/of Used Products, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met
geweld tegen [medewerker 1] en/of [medewerker 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
- zichzelf en/of zijn mededader(s) onherkenbaar te hebben gemaakt door een bivakmuts op te zetten,
- met een vuurwapen de winkel in te komen,
- ( vervolgens) het vuurwapen op die [medewerker 1] en/of [medewerker 2] te richten,
- ( daarbij) de woorden toe te voegen: “We zoeken geld, waar is de kassa, doe de kassa open”,
- over de balie te springen en/of (vervolgens) de kassalade op te trekken en geld uit de kassalade te pakken,
- met een machete, althans een lang en/of puntig voorwerp en/of een hamer de vitrines kapot te slaan,
- ( vervolgens) diverse iPhones en/of iPads mee te nemen
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 december 2024 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- met voornoemde dader(s) en/of met onbekend gebleven personen het misdrijf te beramen,
- met/voor voornoemde dader(s) en/of met/voor onbekend gebleven personen een chauffeur te regelen,
- voornoemde dader(s) per auto naar de plaats van het misdrijf te vervoeren,
- te wachten in de auto en/of om vervolgens de voornoemde dader(s) van de plaats van het misdrijf te vervoeren,
- behulpzaam te zijn bij het wegmaken van de buit en/of de gebruikte wapens;
2
hij, op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in haar gezicht te slaan;
Parketnummer 10-326948-24
hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Keulen, Duitsland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type VZOR 70, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10-339781-24
1
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Rotterdam,
een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Rotterdam,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Parketnummer 10-343989-25
hij op 11 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen en/of die [slachtoffer 1] bij haar kraag en/of jas vast te pakken;
Parketnummer 10-/076540-26 hij op of omstreeks 12 maart 2026 te Dordrecht, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 10,1 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
Bijlage II
Bewijsmiddelen
Parketnummer 10-405485-24
Feit 1
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026, inhoudende:
Ik ben via Snapchat benaderd. Aan mij is gevraagd of ik een auto kan regelen en dat heb ik gedaan. Ik was de bestuurder van de Renault Clio en daarvoor zou ik € 700,- betaald krijgen. Ik moest naar de winkel Used Products toe rijden. We zaten met meerdere mensen in de auto. Ze kwamen gehaast terug. Het klopt dat mijn telefoon voor, na en de tijdens de overval in de buurt van Used Products was. Ik heb de auto geparkeerd op de Dennendaal. Ik ben daarna in de Ford Ka gestapt. Ik heb de auto open geklikt.
De foto die u mij toont, screenshot 4 op pagina 180 in het dossier, dat ben ik.
2. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 1] (pagina 1 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als verklaring van aangever [medewerker 1]:
Ik ben eigenaar van de winkel ‘Used Products’ in Rotterdam. Op 22 december 2024 kwam ik samen met mijn vrouw in mijn winkel om de winkel te openen. Ik zag twee personen naar binnen komen in de winkel. Ik zag één persoon met een vuurwapen en zag dat de persoon het vuurwapen op mij richtte. Achter de persoon liep nog een persoon. Ik hoorde allebei de personen roepen: “we zoeken geld, waar is de kassa, doe de kassa open”! Ik zag de persoon die het vuurwapen vast had over de balie springen. De persoon met het vuurwapen trok de kassa open en pakte geld uit de kassa. Ik zag dat de tweede persoon met een lang voorwerp de vitrines insloeg en zag dat een groot deel van de vitrines leeg waren. Hierin zaten iPhones en iPads. De persoon met het vuurwapen liep naar mijn vrouw toe. Kort hierna zag ik de persoon met het vuurwapen weer over de balie springen. Ik zag allebei de personen via de voordeur wegrennen. Voor zover ik nu kan zien zijn er iPads en iPhones gestolen.
3. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 2] (pagina 25 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 1]:
Ik was belast met het uitkijken van camerabeelden van de diefstal met bedreiging bij Used Products. Ik zag op de beelden dat er twee personen de winkel in liepen. Ik zag dat verdachte 1 een bivakmuts op had en een sporttas in zijn hand had. Verdachte 2 had een bivakmuts op. Ik zag dat verdachte 1 de sporttas op de grond zette. Ik zag dat verdachte 1 bij een vitrine in de winkel stond. In de vitrines lagen meerdere telefoons en tablets. Ik zag dat verdachte 1 in zijn rechterhand een hamer of een gelijkend voorwerp vast had. Ik zag dat verdachte 1 in zijn linkerhand een langwerpig voorwerp vast had lijkend op een machete. Ik zag dat verdachte 1 met de hamer of een ander gelijkend voorwerp de vitrine kapot sloeg. Ik zag dat verdachte 1 meerdere telefoons uit de vitrine pakte en richting de plek rende waar hij de sporttas had neergezet. Ik zag dat verdachte 1 hierna met de hamer of ander gelijkend voorwerp op een tweede vitrine sloeg. Ik zag dat verdachte 1 uit deze vitrine meerdere tablets pakte. Ik zag dat verdachte 1 vervolgens weer richting de plek rende waar de sporttas stond en vervolgens weer terug liep richting de vitrine.
4. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 3] (pagina 217 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende de verklaring van getuige [getuige]:
Ik zag omstreeks 12.35 uur dat er twee mannen in het donker gekleed over de groene Hilledijk renden langs de winkel. Deze mannen droegen beiden bivakmutsen. Vervolgens zag ik dat ze instapten in een auto die geparkeerd stond voor de winkel. Deze auto betrof een Renault Clio. Ik zag dat er in deze auto ook twee anderen mannen zaten.
5. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 4] (pagina 9 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] of één van hen:
Na de overval zouden de verdachten zijn weggereden in een Renault Clio met kenteken [kentekennummer] . Op 22 december 2024 omstreeks 13:46 uur reden wij door de straat Dennendaal in Rotterdam. Wij zagen dat er een Renault Clio met kenteken [kentekennummer] geparkeerd stond.
6. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 5] (pagina 11 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 4]:
Op 22 december 2024 zag ik dat er een klein grijs voertuig achter de groene Renault Clio parkeerde. Ik zag dat er twee personen uit het kleine grijze voertuig stapte. Deze jongens bleken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] liepen richting de Renault Clio, terwijl zij daarheen liepen zag ik dat de verlichting eenmaal oranje knipperde. Ik zag dat [medeverdachte 2] het bijrijdersportier opende en hier een zwarte sporttas uit pakte. Ik zag dat hij richting de kleine grijze auto liep. Ik zag dat [medeverdachte 3] de kofferbak van de grijze auto opende. Ik zag dat [medeverdachte 2] de sporttas achterin de kofferbak legde en de kofferbak dicht deed. Ik zat dat het kleine grijze voertuig ging rijden en dat het een grijze Ford Ka betrof.
7. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met documentcode: [proces-verbaalnummer 6] (pagina 65 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 5]:
Ik zag dat van [verdachte] een iPhone in beslag was genomen. Ik stelde handmatig onderzoek in. Ik opende in de app 'Google Maps' en zag dat de geopende kaart stond op de straat Groene Hilledijk in Rotterdam. Ik zag dat er een locatiepin midden in het scherm stond waarop een filiaal van 'Used Products' aangegeven was. Ik zag dat in de zoekgeschiedenis van dezelfde app en ook de recente zoekopdracht 'Used Product Rotterdam Zuid' met adres ' [adres 2] , [postcode 2] Rotterdam'.
8. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met documentcode: [proces-verbaalnummer 7] (pagina 94 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 6]:
Ik voerde onderzoek uit naar de gegevens uit de inbeslaggenomen telefoon van [verdachte] . Op 22 december 2024 om 13:56 uur vond er een chatgesprek plaats via Snapchat tussen verdachte [verdachte] ( [gebruikersnaam verdachte] ) en een contact genaamd ‘ [gebruikersnaam contact] ’.
9. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met documentcode: [proces-verbaalnummer 8] (pagina 178 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Jutter), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 7]:
Op de video is te zien dat degene die filmt meerder iPhones en een gesealde doos met sticker erop filmt. Ook filmt de persoon meerdere iPads die in een zwarte sporttas liggen. Vervolgens filmt de persoon de persoon die ernaast zit. Vervolgens filmt de persoon een jongen die aan de bestuurderszijde van het voertuig staat. Op de bestuurdersstoel ligt ook een tablet.
Feit 2
10. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026, inhoudende:
Ik deed de achterkant van mijn hand tegen de lip van mijn zusje aan en daardoor sloeg ik als een soort corrigerende tik tegen haar neus.
11. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 9] (pagina 8 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] of één van hen:
Op 11 juni 2025 werden wij verzocht naar Rotterdam te gaan. Ter plaatse troffen wij een vrouw aan welke genaamd bleek: [zus van verdachte] . Zij verklaarde: “mijn broertje [verdachte] heeft mijn zusje [slachtoffer 2] een bloedneus geslagen”. Wij zagen een meisje door de woning lopen met haar hand op haar neus. Wij zagen dat deze hand onder het bloed zat. Ik sprak het meisje aan. Zij maakte zich kenbaar als [slachtoffer 2] . Ik vroeg wat er was gebeurd. Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “ [verdachte] heeft mij geslagen”. Zij wees mij op een jongeman die zojuist de woning binnen was komen lopen. [verdachte] kwam op ons erg onrustig dan wel agressief over.
Parketnummer 10-343989-25
12. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026, inhoudende:
Op 11 december 2025 had ik een gesprek met mijn vriendin en dat liep een beetje uit de hand. Ik heb haar een duw gegeven en haar vastgepakt bij haar kraag.
13. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 10] (pagina 20 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 10]:
[slachtoffer 1] verklaarde: Ik zag en voelde dat [verdachte] mijn jaskraag vastpakte. Doordat [verdachte] dit deed kwam de rits van mijn jas tegen de rechterkant van mijn hals. Hierdoor heb ik zichtbaar letsel aan mijn hals.
Ik ( [verbalisant 10] ) heb bij [slachtoffer 1] het volgende zichtbare letsel gezien:
- 2 wat dikkere schrammen van ongeveer 2,5 tot 3 centimeter breed, huid is bij deze schrammen zichtbaar opgezet;- 1 kleinere schram van ongeveer 1,5 centimeter breed;- 1 schram in een soort van kruisvorm van ongeveer 4 centimeter groot.
De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Bijlage III
Opgave van bewijsmiddelen
Parketnummer 10-326948-24
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026;
2. Het rapport over veiligstelling/inbeslagname van politie Keulen met nummer: [nummer 1] (pagina 19 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant 11] .
Parketnummer 10-339781-24
Feit 1
3. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026;
4. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 11] (pagina 17 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant 12] .
Feit 2
5. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026;
6. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 oktober 2024, met nummer: [nummer 2] (aanvraag 001), opgemaakt door [deskundige] (pagina 1 van het aanvullend proces-verbaal van het zaaksdossier);
7. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 oktober 2024, met nummer: [nummer 2] (aanvraag 002), opgemaakt door [deskundige] (pagina 2 van het aanvullend proces-verbaal van het zaaksdossier).
Parketnummer 10/076540-26
8. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026;
9. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 12] (pagina 13 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende het relaas van de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] of één van hen.
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.