Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 5 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoekster
1. De procedure
Verzoekster heeft op 7 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 7 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 28 september 2026.
Ter zitting van 28 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens de stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) bij e-mailbericht van 11 september 2026 laten weten dat verweerster zich refereert aan het oordeel van de rechtbank en dat zowel verweerster als haar gemachtigde niet ter zitting aanwezig zullen zijn.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Ter zitting is aangevoerd dat verzoekster fulltime in dienst zou willen gaan, maar dat dit niet is gelukt. Verzoekster werkt thans als zzp’er in de zorg voor 32-38 uur per week. Verzoekster heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur van september 2026 is betaald. Verzoekster zal de huur van oktober 2026 op 28 september 2026 voldoen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat bijna alle stukken compleet zijn om schuldhulpverlening te starten.Verzoekster zal wel worden doorverwezen naar het RBZ, omdat verzoekster zzp’er is. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor het voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.
3. Het verweer
In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Verweerster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 7 juli 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij samen met haar minderjarige dochter in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster de lopende huurtermijnen inmiddels betaalt. Verzoekster heeft de huur van september 2026 voldaan. Daarnaast heeft zij ter zitting toegezegd de huur van oktober 2026 te betalen. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid als zzp’er in de zorg voor 32-38 uur. Daarmee heeft verzoekster voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor het aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Bovendien heeft verzoekster een inwonende minderjarige dochter die ook door de ontruiming van de woning in haar woonbelang wordt geraakt. Het is niet aannemelijk dat verzoekster op dit moment andere alternatieven heeft om haar minderjarige dochter een dak boven het hoofd te bieden.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam], [postcode] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 7 september 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. W.C.A. den Dulk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.