ECLI:NL:RBROT:2026:13504

ECLI:NL:RBROT:2026:13504

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 10/046382-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot zware mishandeling. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid ontslaat de rechtbank de verdachte van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/046382-26

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] , op [geboortedatum] 2004,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] in [woonplaats] ,

feitelijk verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [naam FPC] te [locatie] ,

raadsvrouw mr. G. Vermaak, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.

2. Tenlastelegging

De verdachte wordt verdacht van primair een poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling gepleegd op 12 februari 2026.

De tekst van de ter zitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Katib heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, omdat onvoldoende duidelijkheid bestaat over het handelen van de verdachte om het vereiste (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend vast te stellen. Uit de handelingen van de verdachte volgt niet dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond en dat die kans ook bewust is aanvaard.

Beoordeling en conclusie

Het staat vast dat de verdachte op 12 februari 2026 geweld heeft gebruikt tegen zijn opa. De verdachte zat met zijn opa en oma aan de eettafel en heeft zijn opa op enig moment meerdere keren geslagen. Volgens de verklaring van zijn opa heeft de verdachte niet alleen geslagen met zijn vuist maar heeft hij tijdens het slaan vermoedelijk ook bestek gebruikt. Hoewel dit door de verdachte wordt ontkend, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van zijn opa. Uit het FARR-rapport volgt immers dat er tien verschillende letsels bij de opa van de verdachte zijn waargenomen, waarvan vier met de typering snijverwonding. Op basis van medische informatie en de foto’s van de letsels concludeert de forensisch arts dat een deel van de waargenomen letsels veel tot zeer veel waarschijnlijker past bij een scherp inwerkende uitwendige kracht dan bij een stomp inwerkende uitwendige kracht. Gelet op het voorgaande is met de wettelijke vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een scherp voorwerp.

Door meerdere keren met een scherp voorwerp in het gezicht te slaan heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedragingen zouden kunnen leiden tot het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat zijn opa een kwetsbare bejaarde man is.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door meermalen, althans eenmaal (met een scherp en/of puntig voorwerp) heeft geslagen te slaan in het gezicht en op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Standpunt verdediging

De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Volgens de verdachte heeft zijn opa meerdere bedreigingen geuit door het maken van stekende bewegingen met een mes, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een situatie waarin hij zich moest verdedigen.

Beoordeling

De lezing van de verdachte vindt geen steun in de verklaring van zijn opa en oma. Evenmin vindt die verklaring steun in andere feiten en omstandigheden, zoals die ter zitting en uit het dossier naar voren komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie. De stelling dat sprake was van zelfverdediging mist daardoor feitelijke grondslag. Het verweer van de verdachte wordt verworpen.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Standpunt verdediging en officier van justitie

Zowel de verdediging als de officier van justitie hebben aangevoerd dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit volledig ontoerekeningsvatbaar was en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling

Over de verdachte is een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door psychiater [naam psychiater] op 17 juni 2026. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.

Volgens de psychiater is er sprake is van een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in gebruik van cannabis (matig, in gedwongen remissie), in de zin van de DSM-5-TR. Naar de mening van de psychiater is de verdachte al een langere tijd psychotisch voorafgaande aan het ten laste gelegde, tijdens het ten laste gelegde en nu ook tijdens het psychiatrisch onderzoek. De verdachte heeft vanuit paranoïde-psychotische motieven gehandeld en deze zijn verantwoordelijk voor zijn handelen tijdens het ten laste gelegde. Deze motieven zijn de oorzaak van het ten laste gelegde en het advies is daarom om de verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen. De psychiater meent dat een Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) bij uitstek geschikt is voor behandeling van de verdachte, waarbij hij op den duur naar een reguliere GGZ en een beschermde woonvoorziening over kan.

Over de verdachte is ook een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door GZ-psycholoog [naam psycholoog] op 3 juli 2026. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.

De psycholoog is van oordeel dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik, in ieder geval licht in ernst. Door het vertroebelde waarnemingsvermogen voortkomend vanuit de stoornis van de verdachte heeft hij geen weloverwogen gedragskeuzes kunnen maken. Zijn gedrag voorafgaand en tijdens het ten laste gelegde was dusdanig verward en psychotisch gekleurd, dat het zijn denken en handelen volledig heeft bepaald. Dit alles overziend en overwegend, is sprake (geweest) van een volledige doorwerking van de ziekelijke stoornis in het ten laste gelegde. Het advies is daarom de verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen. De GZ-psycholoog adviseert vanuit gedragskundig oogpunt de mogelijkheden van een zorgmachtiging op grond van de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheid (Wvggz) te onderzoeken

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de psychiater en GZ-psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Het bewezen verklaarde feit kan de verdachte, wegens een ziekelijke stoornis die aanwezig was tijdens het begaan van het feit, dus in het geheel niet worden toegerekend. Dit leidt ertoe dat de verdachte niet strafbaar is. De verdachte zal ter zake van het bewezen verklaarde feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft de rechtbank geïnformeerd dat voor de verdachte een zorgmachtiging op grond van de Wvggz is verleend op 25 augustus 2026. Op grond van deze zorgmachtiging verblijft de verdachte inmiddels in een FPA van [zorgverlener] in [locatie] . Gelet op de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte en op de thans lopende behandeling in het kader van de zorgmachtiging, zal de rechtbank geen straf of maatregel aan de verdachte opleggen. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. Groot en S. Putting, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal (met een scherp en/of puntig voorwerp) heeft geslagen in het gezicht en op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met een scherp en/of puntig voorwerp) te slaan in het gezicht en/of op het hoofd.

Bijlage II

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 22 september 2026, inhoudende:

Op 12 februari 2026 zaten wij te eten en het escaleerde bij de eerste hap. Ik zag een flits. Dat waren de meerdere bedreigingen vanuit mijn opa met een mes, daarmee maakte hij meerdere stekende bewegingen richting mij. Toen ben ik op de vuist gegaan.

2. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 1] (pagina 28 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als het relaas van de verbalisant [verbalisant 1]:

Op 12 februari 2026 kregen wij opdracht naar het ziekenhuis in [plaats] te gaan. Aldaar was [slachtoffer] . Wij hoorden dat [slachtoffer] zei: “mijn kleinzoon klom uit het niks over de eettafel en begon op mijn hoofd in te slaan, waarschijnlijk met bestek”.

3. Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam met nummer: [proces-verbaalnummer 2] (pagina 13 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als het relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] of één van hen:

Op 12 februari 2026 kwamen wij ter plaatse in Stellendam. In de woonkamer zagen wij het slachtoffer, [slachtoffer] . Wij zagen dat [slachtoffer] zijn gezicht onder het bloed zat en dat er meerdere snedes in zijn gezicht zaten en dat hier bloed uit kwam.

4. Een geschrift, te weten forensisch medische letselrapportage (FARR) over [slachtoffer] , opgemaakt op 19 september 2026 door [naam forensisch arts] , forensisch arts (pagina 1 - 22 als bijlage bij het zaaksdossier), inhoudende:

Samenvattend zijn er in totaal 10 letsels beschreven. Bij het hoofd/gelaat zijn er 7 letsels, waarvan 4 snijverwondingen, 2 bloeduitstortingen en 1 niet nader te typeren afwijking. Op de linkeronderarm is er 1 huidontvelling. Op de hand zijn er 2 letsels, 1 bloeduitstorting en 1 huidontvelling van de linkerhandrug.

Letsel 1: op het voorhoofd aan de linkerzijde net onder de haargrens is een horizontaal verlopende scherp begrensde lijnvormige rode huidverkleuring, beschreven in het medisch dossier van 3-4 cm lengte. Typering: snijverwonding.

Letsel 2: op het voorhoofd aan de rechterzijde net onder de haargrens is een horizontaal verlopende scherp begrensde lijnvormige rode huidverkleuring. Beschermen in het medisch dossier van 3-4 cm lengte. Typering: snijverwonding.

Letsel 4: bij de linker wenkbrauw aan de buitenzijde is er een snijverwonding van +/- 1 cm, de verwonding zelf is niet waar te nemen op het aangeleverd fotografisch materiaal. De duiding door de SEH-arts wordt hierbij overgenomen. Typering: snijverwonding.

Letsel 5: onder het rechteroog is een horizontaal verlopend scherp begrensde huidverwonding met scherpe wondranden van +/- 1 cm lengte. Typering: snijverwonding.

Gesteld kan worden dat bij weging van de volgende hypothesen het letsel beschreven bij letsel 1, 2, 4 en 5 zeer veel waarschijnlijker is onder de hypothese H1: het letsel past bij scherp inwerkende uitwendige kracht dan onder H2: het letsel past bij stomp inwerkende uitwendige kracht.

De letsels beschreven bij 1, 2, 4 en 5 in het aangezicht zullen waarschijnlijk blijvend zichtbaar zijn als litteken en kunnen mogelijk door betrokkene als ontsierend worden ervaren. Bij het gebruik van een scherprandig voorwerp zoals bijvoorbeeld een mes kan deze, afhankelijk van de lengte van het lemmet, aan het aangezicht en aan de schedel letsel

toebrengen. Hierboven blijven mogelijke gevolgen van letsel aan oppervlakkig gelegen structuren zoals oogletsel of zenuwletsel buiten beschouwing. Bij geweldsinwerking in het aangezicht met een scherp voorwerp bestaat echter wel een reële kans op schade aan deze structuren. Bij de beoordeling van de situatie van betrokkene dient rekening te worden gehouden met de leeftijd, onderliggende ziektebeelden en het gebruik van antistolling door de betrokkene. Deze factoren kunnen een ongunstige invloed hebben op het beloop.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand