RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11588675 CV EXPL 25-5646
datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1],
eiseres in de hoofdzaak, tevens eiseres in het incident,
gemachtigde: [gemachtigde] en mr. J.E.C. Reuser,
tegen
[verweerster] , tevens handelend onder de naam [verweerster],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2],
gedaagde in de hoofdzaak, tevens verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. C.A. Gobbens.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 27 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
de akte na tussenvonnis van [eiseres], met producties;
de antwoordakte na tussenvonnis van [verweerster].
2. De verdere beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over de afwikkeling van de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [straatnaam] te [locatie].
In het tussenvonnis is overwogen dat in het incident alleen nog over de proceskosten een beslissing nodig was en in de hoofdzaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat de huurovereenkomst per juli 2025 is geëindigd. Voorts heeft de kantonrechter over de gevorderde huurachterstand, contractuele boetes, schadevergoeding voor gederfde huur, verbouwingskosten, tegemoetkoming juridische kosten, gemeentelijke belasting en rente een beslissing genomen. Daarnaast heeft de kantonrechter [eiseres] verzocht bij akte een nadere toelichting te geven over de bankgarantie en/of waarborgsom en ten aanzien van de gevorderde makelaarskosten is [eiseres] in de gelegenheid gesteld bij akte een bewijs van de gestelde betaling in het geding te brengen.
In de hoofdzaak
Bankgarantie en/of waarborgsom
De kantonrechter gaat er vanuit dat [eiseres] een bedrag van € 27.468,- als waarborgsom heeft ontvangen en niet het volledige bedrag van € 36.300,-.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij in de huurovereenkomst een waarborgsom van € 36.300,- zijn overeengekomen. Uit de door [eiseres] overgelegde akte van cessie (zie productie 37) blijkt wat destijds de uitgangspunten waren en welke afspraken er zijn gemaakt. Een van die uitgangspunten is dat [eiseres] op [verweerster] nog een vordering heeft ter zake het ontbreken van een waarborgsom (zie punt E). Onder artikel 3.1 is opgenomen dat de koopsom van € 10.000,- zal worden gebruikt ter volstorting van de door [verweerster] aan [eiseres] verschuldigde waarborgsom.
Het enkele feit dat in artikel 3.1 niet is opgenomen dat dit slechts een gedeeltelijke volstorting betreft, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet de conclusie dragen dat met de betaling van € 10.000,- de volledige waarborgsom van € 36.300,- is voldaan, zoals door [verweerster] is aangevoerd.
Dit kan ook niet uit de e-mail van 6 november 2024 van mr. Postma en de e-mail van [verweerster] van 28 februari 2025 worden afgeleid. De 4e alinea in de e-mail van mr. Postma gaat over de vordering van [verweerster] jegens de voormalig aandeelhouder tot betaling van € 36.300,- en dat deze is afgewezen. Dat [verweerster] van de voormalig aandeelhouder betaling van de waarborgsom van € 36.300,- vordert, kan nog niet de conclusie dragen dat [verweerster] aan [eiseres] de waarborgsom van € 36.300,- zou hebben betaald. Zeker niet omdat in de akte van cessie als uitgangspunt is opgenomen dat [eiseres] op [verweerster] nog een vordering heeft ter zake het ontbreken van een waarborg. De e-mail van 28 februari 2025 is een e-mail van [verweerster] zelf waarin [verweerster] aangeeft dat zij veronderstelt dat het bedrag dat op basis van de procedure tegen de voormalig aandeelhouder bij de advocaat is gestort ten minste € 36.300,- bedraagt en aldus dat bedrag is verrekend. De e-mail bevestigt juist dat [verweerster] nog een bedrag van € 36.300,- aan [eiseres] verschuldigd was, maar is onvoldoende om vast te stellen dat het bedrag ook daadwerkelijk is betaald.
De bankafschriften die als productie 40 zijn overgelegd betreffen bankafschriften van [bedrijf A] waaruit de door haar ontvangen betalingen blijken. De daarin genoemde bedragen zijn aldus niet aan [eiseres] betaald. [bedrijf A] heeft na ontvangst van de laatste betaling op 31 oktober 2025 het aan [eiseres] toekomende deel betaald. [verweerster] heeft de toelichting van [eiseres] over de berekening van het aan [eiseres] toekomende deel niet betwist. Uit die toelichting blijkt dat [eiseres] naast de vaste koopsom van € 10.000,00 ook nog aanspraak had op een bedrag van € 17.468,00. Aan [eiseres] is aldus € 27.468,00 betaald.
Bij de berekening van het bedrag dat [verweerster] aan huurachterstand nog aan [eiseres] verschuldigd is, zal de kantonrechter aldus rekening houden met een waarborgsom van € 27.468,00.
Makelaarskosten
De door [eiseres] overgelegde stukken zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende om daaruit af te leiden dat [eiseres] de nota van de makelaar (CBRE) heeft betaald. Uit het bankafschrift van de ING kan worden afgeleid dat er op 19 september 2025 een batch-betaling van € 25.069,00 heeft plaatsgevonden. Op het overzicht van die batch-betaling is te zien dat de factuur van CBRE van € 15.125,00 inclusief BTW daarvan onderdeel is.
[verweerster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 12.500,00 exclusief BTW aan makelaarskosten, zoals door [eiseres] gevorderd. De over deze kosten gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.
Slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen in het tussenvonnis is beslist, zal [verweerster] worden veroordeeld tot betaling van de hierna te noemen posten:
a. Huurachterstand
In het tussenvonnis is overwogen dat de huurachterstand tot en met juni 2025, zonder rekening te houden met een waarborgsom/bankgarantie, € 120.638,04 inclusief btw bedraagt. Van dit bedrag gaat zoals hiervoor overwogen de waarborgsom van € 27.468,00 af, zodat aan huurachterstand een bedrag van € 93.170,04 inclusief btw resteert.
b. Contractuele boete
In het tussenvonnis is overwogen dat [verweerster] een contractuele boete van € 3.000,00 moet betalen.
c. Schadevergoeding voor gederfde huur
In het tussenvonnis is overwogen dat [verweerster] aan gederfde huur een bedrag van € 55.568,41 exclusief btw moet betalen.
d. Makelaarskosten
Zoals hiervoor onder 2.10 overwogen moet [verweerster] € 12.500,00 exclusief BTW aan makelaarskosten betalen.
e. Tegemoetkoming juridische kosten
In het tussenvonnis is overwogen dat [verweerster] een bedrag van € 10.000,00 aan tegemoetkoming juridische kosten moet betalen.
f. Rente
In het tussenvonnis is overwogen dat de rente over de schadevergoeding gederfde huur, de tegemoetkoming juridische kosten en de beslagkosten zal worden toegewezen. Zoals hiervoor onder 2.10 is overwogen zal ook de wettelijke rente over de makelaarskosten worden toegewezen.
[verweerster] moet de proceskosten betalen
De proceskosten en de beslagkosten komen voor rekening van [verweerster], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [eiseres] moet betalen op € 119,40 aan dagvaardingskosten, € 677,02 aan explootkosten in verband met het conservatoir beslag onder derden, € 1.461,00 aan griffierecht (voor de combinatie van het beslagverlof en de bodemprocedure is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd, het griffierecht van het beslagverlof wordt daarom in mindering gebracht (artikel 11 Wgbz)), € 3.535,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 1.010,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 5.936,42. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
In het incident
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op nihil;
In de hoofdzaak
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen € 93.170,04 inclusief btw aan huurachterstand tot en met juni 2025;
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen € 3.000,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen € 55.568,41 exclusief btw aan schadevergoeding voor gederfde huur met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen € 12.500,00 exclusief BTW aan makelaarskosten met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald ;
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen € 10.000,00 aan tegemoetkoming juridische kosten met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten en de beslagkosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 5.936,42 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
754