Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-170236-26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Datum zitting: 18 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.P.N. Pieterse
Officier van justitie: mr. W. L. van Prooijen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd geslagen en tegen het hoofd en lichaam geschopt. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank uitgaat van een ander uitgangspunt bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Subsidiair wordt hij ervan verdacht dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en meer subsidiair dat hij een poging daartoe heeft gedaan.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2026 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en/of
- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,
(terwijl die [slachtoffer] hulpeloos op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 14 juni 2026 te Rotterdam,
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en/of
- meermalen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schoppen/trappen,
(terwijl die [slachtoffer] hulpeloos op de grond lag);
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 14 juni 2026 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en/of
- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,
(terwijl die [slachtoffer] hulpeloos op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. De verklaring van de verdachte
Ik ben degene die te zien is op het filmpje. Het klopt dat ik [slachtoffer] meermalen heb geslagen en geschopt.
2. Een beeldopname van 14 juni 2026
Te zien is dat de verdachte in zijn auto zit en het slachtoffer een trappende beweging maakt richting het hoofd van de verdachte. De verdachte komt uit zijn auto en duwt het slachtoffer terug waarbij de verdachte het rechterbeen en de jas van het slachtoffer vast heeft. De verdachte en het slachtoffer staan naast de auto en de verdachte geeft het slachtoffer een vuistslag tegen het hoofd. Het slachtoffer valt daardoor op de grond en blijft stil liggen. De verdachte geeft vervolgens met kracht 7 vuistslagen tegen het hoofd van het slachtoffer. Vervolgens schopt/trapt de verdachte het slachtoffer met kracht 4 keer tegen/in de richting van het hoofd of lichaam. Tijdens het slaan en schoppen probeert een omstander de verdachte van het slachtoffer te halen. Dit lukt eerst niet, maar uiteindelijk wel. De verdachte blijft zich agressief uiten en probeert terug te gaan naar het slachtoffer, maar hij wordt tegengehouden door omstanders.
3. Een proces-verbaal van de politie
Op zondag 14 juni 2026 zagen wij op de Doelstraat te Rotterdam een persoon bewusteloos op de grond liggen, tegen een auto aan. Deze persoon bleek te zijn: [achternaam verdachte] , [voornaam verdachte] . Wij zagen dat hij zijn ogen gesloten had en dat er veel bloed uit zijn neus kwam. Ook zagen wij een hoofdwond.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag moet worden vrijgesproken, omdat het handelen van de verdachte niet het vereiste (voorwaardelijk) opzet op de dood oplevert.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Vervolgens kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Het geweld dat de verdachte heeft gebruikt tegen het slachtoffer, zoals duidelijk te zien is op de camerabeelden, was met een zodanige kracht, dat de rechtbank dit zou omschrijven als een ‘explosie van geweld’. Deze explosie van geweld was vrijwel uitsluitend gericht op het hoofd van het slachtoffer en vond plaats terwijl het slachtoffer volstrekt weerloos op de grond lag. De verdachte is niet uit eigen beweging gestopt met het geweld, maar pas door tussenkomst van een ander die de verdachte van het slachtoffer vandaan haalde.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 14 juni 2026 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en
- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,
terwijl die [slachtoffer] hulpeloos op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het primair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweerexces. De verdediging heeft daartoe gesteld dat de verdachte, door 7 keer te slaan en meerdere keren te schoppen/trappen op het hoofd, terwijl het slachtoffer op de grond lag, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweerexces verworpen moet worden, omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld uit door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Oordeel van de rechtbank
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt naar voren dat zowel de verdachte als het slachtoffer in de rij voor [naam horecagelegenheid] stonden. In de rij ontstond een confrontatie, waarbij de verdachte het slachtoffer een klap in zijn gezicht heeft gegeven. Hierna zijn eerst het slachtoffer en vervolgens de verdachte uit de rij verwijderd.
Op de ter terechtzitting bekeken camerabeelden is te zien dat de verdachte naar zijn auto is gelopen en op de bestuurdersstoel is gaan zitten. Het slachtoffer is kort daarna naar de auto gelopen en heeft een trappende beweging richting het hoofd van de verdachte gemaakt. De verdachte heeft vervolgens met zijn rechterarm het been van het slachtoffer vastgepakt en met zijn linkerhand de jas van het slachtoffer vastgepakt, waarmee hij het slachtoffer onder controle had, en vervolgens het slachtoffer uit de auto geduwd en het slachtoffer eenmaal met zijn rechtervuist tegen het hoofd geslagen. Het slachtoffer is daarna op de grond gevallen en buiten bewustzijn geraakt.
De rechtbank stelt voorop dat, nadat de verdachte het slachtoffer onder controle had en eenmaal tegen het hoofd had geslagen en het slachtoffer vervolgens buiten bewustzijn op grond lag, de noodzaak tot verdediging niet langer bestond omdat de aanranding inmiddels was afgewend. De verdachte heeft zijn geweldshandelingen desondanks voortgezet. De daaropvolgende geweldshandelingen moeten daarom worden beoordeeld in het kader van extensief noodweerexces.
De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de trap van het slachtoffer bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt die van doorslaggevend belang is geweest voor de daaropvolgende geweldshandelingen.
Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte onmiddellijk na de trappende beweging van het slachtoffer zijn been en jas heeft vastgepakt, hem uit de auto heeft geduwd en hem vervolgens tegen het hoofd heeft geslagen, waarna het slachtoffer buiten bewustzijn is geraakt. Verdachte heeft vervolgens meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen en geschopt dan wel getrapt. Hij is daarmee niet uit eigen beweging gestopt, maar is eerst door tussenkomst van anderen bij het slachtoffer vandaan gehaald. Vervolgens is hij meerdere keren teruggelopen in de richting van het slachtoffer, terwijl deze nog steeds buiten bewustzijn op de grond lag.
Ook de uitlatingen van de verdachte tijdens het incident bieden daartoe onvoldoende steun.
In het uitgeschreven geluidsfragment bij de beelden is te lezen dat de verdachte onder meer richting het slachtoffer heeft geroepen: “Broer? Weet je wie the fuck ik ben? Hey wat!!! Ik schiet jou dood he?”. Tijdens de ademanalyse heeft verdachte uit eigen beweging verklaard: “Hij heeft geluk gehad dat ik onder invloed ben van alcohol. Als ik nuchter was had ik hem dood geslagen”. Hierin ziet de rechtbank een contra-indicatie voor de stelling dat de geweldshandelingen hoofdzakelijk door een hevige, door de trap veroorzaakte gemoedsbeweging werden bepaald.
De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de verdachte wisselend heeft verklaard over zijn gemoedstoestand op 14 juni 2026. Tijdens het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf heeft verdedigd. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij schrok van de trap en zichzelf vervolgens verdedigde, dat hij gevaar zag en dat het zwart voor zijn ogen werd waardoor hij te heftig heeft gehandeld. Bij de raadkamer gevangenhouding heeft de verdachte verklaard dat hij in paniek was en de controle is verloren. Deze verklaringen vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de camerabeelden en de overige inhoud van het dossier om aannemelijk te maken dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging die het onmiddellijke en doorslaggevende gevolg is geweest van de trap van het slachtoffer.
Conclusie
Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie middelengebruik, een alcoholverbod en ambulante begeleiding.
Standpunt van de verdediging
Bij een eventuele strafoplegging wordt verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals uiteengezet in de pleitnota.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Na afloop van een avond uitgaan heeft de verdachte het slachtoffer tegen de grond geslagen en het weerloze slachtoffer vervolgens meerdere malen geslagen en geschopt tegen zijn hoofd. Pas doordat omstanders de verdachte hebben weggehaald van het slachtoffer is het geweld van de verdachte gestopt. De omstandigheid dat het slachtoffer de verdachte heeft opgezocht om (opnieuw) de confrontatie aan te gaan, weegt niet op tegen de explosie van geweld van de verdachte die daarop is gevolgd.
De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat de gevolgen niet veel ernstiger waren, is geenszins aan de verdachte te danken. Daarnaast heeft het geweld zich op straat afgespeeld en zijn meerdere personen hiervan getuige geweest. Dit soort uitgaansgeweld heeft daardoor ook een negatieve invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en vrees dat er tijdens of na het stappen gewelddadige dingen kunnen gebeuren, worden hierdoor versterkt.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet recentelijk voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 31 augustus 2026 staat het volgende.
Er is een alcoholgerelateerd delictpatroon zichtbaar, gelet op de eerdere verkeersmisdrijven onder invloed van alcohol. Daarmee staat het misbruik van alcohol niet op zichzelf.
Naar de inschatting van de reclassering is het recidiverisico gemiddeld. Het actuele risico is vooral verbonden aan periodiek overmatig alcoholgebruik. Het alcoholmisbruik komt als risicofactor vaker terug in zijn justitiële geschiedenis. De reclassering ziet daarnaast stressfactoren op de gebieden huisvesting, financiën en werk. Deze verhogen in algemene zin het risico. Daarnaast geeft de delictgeschiedenis van de verdachte aanleiding om het algemeen risico hoger in te schatten. Tegelijkertijd ziet de reclassering beschermende factoren in de vorm van voldoende vaardigheden om in nuchtere toestand zijn emoties te reguleren. Het is positief te noemen dat de verdachte een hoge mate van zelfvertrouwen heeft om zijn leven verder op orde te krijgen.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie middelengebruik, een alcoholverbod en ambulante begeleiding.
Oplegging straf
Straf
Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend.
De omstandigheid dat het geweld slechts heeft geleid tot zwaarder letsel (in de terminologie van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie) neemt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet als uitgangspunt bij het bepalen van de duur van de straf. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf op die hoger is dan de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf van 3 jaar.
Van deze gevangenisstraf wordt 1 jaar voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, zoals in paragraaf 4.3.2. omschreven. De oplegging van deze bijzondere voorwaarden biedt de verdachte de mogelijkheid om hulp te krijgen bij de problemen die er in zijn leven spelen. De voorwaardelijke straf en de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden hebben ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 1 jaar van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en M. van Andel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 oktober 2026.