Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10/144828-25; 10/095985-26; 10/212922-25; 10/243396-26 en 10/214537-26 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer TUL: 10/072591-24
Datum uitspraak: 25 september 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. J.G. Roethof, advocaat in Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 11 september 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte wordt verdacht van zeven strafbare feiten. Kort gezegd gaat het om het volgende:
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
De rechtbank bespreekt hierna het bewijs ten aanzien van de verschillende feiten.
Feiten 1, 2, 4 en 5
De feiten 1, 2, 4 en 5 zijn door de verdachte bekend en worden zonder nadere bespreking bewezen verklaard. De rechtbank verwijst naar bijlage III bij dit vonnis voor de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring is gebaseerd.
Feit 3: teweegbrengen van een explosie op 8 juni 2025
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3. Ten eerste heeft de verdediging bepleit dat er geen opzet is op zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen. Het was niet te verwachten dat er midden in de nacht iemand in de gang bij de voordeur aanwezig zou zijn; wat feitelijk ook niet het geval was. Ten tweede heeft de verdediging bepleit dat er geen objectief bewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte. Er zijn geen zendmastgegevens of camerabeelden. De verdachte heeft in die nacht via Snapchat een filmpje van een explosie bij een woning verzonden. Volgens de politie gaat dit om de explosie waar de verdenking op ziet, maar uit het proces-verbaal volgt dat het filmpje om 02.16 uur is gemaakt; de explosie vond twee uur later plaats. De verklaring van de dochter van de aangeefster – waaruit volgt dat zij de stem van de verdachte heeft herkend tijdens een dreigend gesprek via Snapchat – is onbetrouwbaar, nu zij aan de kant van de zoon van aangeefster staat, waarmee de verdachte een conflict heeft. De berichten over de dreiging met het plaatsen van een explosie zouden van het account van de verdachte komen ( [accountnaam 1] ), maar op zijn telefoon is niks gevonden. Dat hij op zijn telefoon heeft gezocht naar het adres waar de explosie plaatsvond is niet relevant, nu dit niet op de dag van de explosie was. Uit het dossier blijkt dat de verdachte eerder op dat adres is geweest, dus het is niet gek dat hij naar dit adres zoekt.
Beoordeling
Vaststaat dat er op 8 juni 2025 een explosie heeft plaatsgevonden bij de voordeur van de woning aan [adres 2] in [plaats 1] . Aangeefster [aangeefster] – de bewoonster van de woning – verklaart dat er een ruzie is geweest tussen haar zoon ( [slachtoffer 1] ) en de jongen met het Snapchataccount [accountnaam 1] . Dit is het account van de verdachte. Vanuit dit account is volgens aangeefster twee weken voor de explosie gebeld met haar dochter. Haar dochter herkende de stem als zijnde de stem van de verdachte. Volgens de aangeefster vroeg hij aan haar dochter waar [slachtoffer 1] is en dreigde hij een bom ‘bij haar te gooien’ als ze het niet vertelde. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad ruzie met de zoon van aangeefster heeft (gehad). Uit het dossier blijkt verder dat de zoon van aangeefster het slachtoffer is van de door de verdachte bekende openlijke geweldpleging op 9 mei 2025 (feit 1). Daarbij komt dat in de telefoon van de verdachte een video is gevonden van een explosie bij een woning, waarvan de politie vaststelt dat dit gaat om de explosie aan [adres 2] in [plaats 1] . Het filmpje is in de nacht verstuurd via Snapchat. Uit het dossier volgt dat de explosie plaatsvond rond 04.00 uur. In het proces-verbaal van het telefoononderzoek staat dat de video van de explosie om 02:16:54 is verzonden via Snapchat. Zoals ook door de officier van justitie ter zitting is toegelicht, is het een feit van algemene bekendheid dat apps op een telefoon in veel gevallen uitgaan van de standaardtijd: UTC. Op 8 juni 2025 gold in Nederland de zomertijd, dit is UTC+2. Dit betekent dat apps die uitgaan van UTC een tijd aangeven die twee uur eerder is dan de op dat moment feitelijke tijd. Zou hier rekening mee worden gehouden dan is de video dus om 04.16 uur verzonden, kort na de explosie. De rechtbank houdt er in dit geval rekening mee dat Snapchat op de telefoon van de verdachte uitgaat van de UTC-tijd; de politie stelt op basis van de videobeelden immers vast dat het gaat om de explosie aan [adres 2] , gelet op de uiterlijke kenmerken van de woning op de beelden. Dit wordt bevestigd door het feit dat de camera van de telefoon van de verdachte om 03:57 (UTC+2) is aangegaan, bij gebruik van de app Snapchat. Ten slotte volgt uit de locatiegegevens van de app Life 360 dat de telefoon op 8 juni 2025 omstreeks 03:54 uur bij [adres 2] in [plaats 1] is geweest. Al deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, vragen om een verklaring. De verdachte laat echter na die te geven.
Op basis van het voorgaande – en de overige bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II bij dit vonnis – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ontploffing teweeg heeft gebracht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Voor de vraag of door de ontploffing ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel dan wel levensgevaar voor personen te duchten was, hetgeen door de verdachte wordt betwist, geldt dat hiervan sprake is indien dit gevaar ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om dit te kunnen vaststellen. Uit het dossier volgt dat de ontploffing schade aan de brievenbus en de gang heeft veroorzaakt, maar niet wat voor explosief het betrof en of er brand is ontstaan naar aanleiding van de ontploffing. Bovendien ontbreekt een proces-verbaal waaruit blijkt dat de ontploffing dermate gevaarlijk was dat er kans bestond op (dodelijk) letsel. Gelet hierop zal de verdachte ten aanzien van dit onderdelen partieel worden vrijgesproken.
Conclusie
Feit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Het duchten van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is niet bewezen; de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Feit 6: diefstal met geweld op 6 juli 2026
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 6 (diefstal met geweld op 6 juli 2026). De verdachte heeft bekend dat hij de aangever een paar keer heeft geslagen. Hij heeft echter geen spullen van de aangever weggenomen. Er was dus wel geweld, maar geen diefstal. Het was de medeverdachte die in de zakken van de aangever voelde en er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.
Beoordeling
Op 8 juli 2025 vond er een incident plaats tussen aangever [aangever 1] en de verdachte en drie medeverdachten, waaronder [medeverdachte 1] (de neef van de verdachte) en [medeverdachte 2] . Volgens de verdachte was hij hierbij aanwezig en heeft hij de aangever geslagen, maar hield hij zich verder afzijdig en hebben anderen in de zakken van de aangever gevoeld.
Op basis van het dossier acht de rechtbank de verklaring van de verdachte – met betrekking tot zijn beperkte rol – ongeloofwaardig. De aangever verklaart dat hij wordt aangesproken door persoon 1 en persoon 2, waarna hij achterop de fatbike stapt bij persoon 1. Uit de camerabeelden volgt dat dit de verdachte is. Ze rijden met de groep naar de Agniesenstraat, waar ‘beide personen’ iets aan hem vragen en persoon 2 ( [medeverdachte 1] ) in zijn zakken begint te voelen. Aangever verklaart vervolgens dat ‘ze’ hem tegen de muur aanduwen, dat één van de personen 45 euro en zijn huissleutel uit zijn zak haalt, dat ‘beide personen’ zeggen dat hij op zijn knieën moet zitten en dat ‘beide personen’ aan zijn benen trekken. Dat zowel de verdachte als [medeverdachte 1] handelingen verrichten bij de diefstal met geweld wordt bevestigd door de verklaring van een getuige, die ziet dat twee jongens de aangever vasthouden en slaan. Bovendien maakt de rechtbank uit zowel de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] op dat er spullen van de aangever zijn weggenomen. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 1] . Daarmee is het niet relevant wie van de twee de spullen uit de zakken van de aangever heeft gehaald.
Op basis van het voorgaande – en de overige bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II bij dit vonnis – acht de rechtbank het medeplegen van de diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Feit 6 is wettig en overtuigend bewezen.
Feit 7: voorhanden hebben van een mes op 22 juli 2026
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 7 (voorhanden hebben van een mes op 22 juli 2026). De verdediging refereert zich naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het bezit van het mes. De verdediging voert echter aan dat hier sprake is van een vormverzuim: de fouillering – waarbij het mes in de tas van verdachte is gevonden – betrof geen vrijwillige fouillering. De politie heeft dit in het proces-verbaal geprobeerd goed te praten, maar de verdachte zegt zelf dat hij niet heeft ingestemd met fouillering. De politie had dus geen bevoegdheid om de verdachte te fouilleren. Het vormverzuim heeft als gevolg dat het bewijs – het proces-verbaal waaruit volgt dat het mes is aangetroffen – moeten worden uitgesloten, wat leidt tot vrijspraak.
Beoordeling
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. In het proces-verbaal staat dat een van de verbalisanten tegen de verdachte zegt dat hij als wapengevaarlijk in het systeem staat. Hij vraagt aan de verdachte of hij op dat moment wapens bij zich heeft. Hij hoort de verdachte zeggen ‘Ik heb niks, fouilleer mij maar’. Vervolgens geeft de verdachte aan dat het fouilleren op vrijwillige basis is en de verdachte niet hoeft mee te werken, waarna de verdachte meewerkt. Er mag in de regel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De verdediging heeft dit ook niet gemotiveerd; anders dan te stellen dat de verdachte ontkent dat hij heeft ingestemd.
Op basis van het voorgaande – en de overige bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II bij dit vonnis – acht de rechtbank het voorhanden hebben van een mes wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Feit 7 is wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten de feiten 1 tot en met 7 heeft begaan op die wijze dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Rotterdam
openlijk, te weten, de Mcdonalds te Zuidplein, in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door die
[slachtoffer 1]
-een of meermalen in het gezicht te slaan en/of
-(met kracht) te duwen tegen die [slachtoffer 1] en/of
-aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken.
Feit 2
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Rotterdam,
terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een
mes, althans een steekwapen,
voorhanden heeft gehad;
Feit 3
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te [plaats 1] ,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning,
gelegen aan [adres 2] ,
door open vuur in aanraking te brengen met een explosief en/of brandbaar materiaal
en (vervolgens) door/tussen de brievenbus van voornoemde woning te
gooien/bevestigen
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en/of in
voornoemde woning aanwezige goederen en/of in de naastgelegen/omringende
woningen/panden aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten
de aanwezige personen in de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of
aanwezige personen op/nabij [adres 2]
te duchten was;
Feit 4
hij, op of omstreeks 12 juli 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een (groot) geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of
ten dele aan Autoinkoop.nl, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of
klanten en/of medewerkers van de Autoinkoop.nl, te plegen met het oogmerk om
die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- op een (dreigende) manier het bedrijf naar binnen is/zijn gefietst en/of gelopen,
- (daarbij) gezicht bedekkende maskers heeft/hebben gedragen,
- een vuurwapen en/of een (groot) mes aan/op die [slachtoffer 2] en/of de
andere aanwezige heeft/hebben getoond en/of gericht (gehouden),
- een vuurwapen op het achterhoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben
gezet,
- ( daarbij) op een dreigende manier heeft/hebben gevraagd waar de kluis was,
- tijdens de vlucht in een worsteling terecht is/zijn gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 5
hij, op of omstreeks 12 juli 2025 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de
vorm van een pistool van het merk Zoraki, type M906 P, kaliber 9mm, voorhanden
heeft gehad;
Feit 6
hij op of omstreeks 6 juli 2026 te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een hoeveelheid contant geld en/of sleutels en/of airpods en/of een (bank)pasjes en/of een ID-kaart en/of een vest en/of een schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk temaken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij mee moest gaan, anders zou het gaan escaleren, en/of- in de zakken van die [slachtoffer 3] te voelen en/of daaruit een hoeveelheid contant geld en/of sleutels en/of airpods en/of een(bank)pasjes en/of een ID-kaart te pakken, en/of- die [slachtoffer 3] meermaals in het gezicht te slaan, en/of- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij zijn vest uit moest trekken, anders zou/zouden hij, verdachte, en/of mededader(s) iets uit zijn/hun tas trekken, en/of- (vervolgens) het vest van die [slachtoffer 3] uit te trekken bij die [slachtoffer 3] , en/of- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij op zijn knieën moest gaan zitten, en/of- de benen van die [slachtoffer 3] omhoog te trekken, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam, en/of- die [slachtoffer 3] meermaals tegen de benen te trappen, en/of- tegen zijn mededader(s) te roepen “pak zijn schoenen af!”, en/of- bij die [slachtoffer 3] (een) schoen(en) uit te trekken en/of te pakken;
Feit 7
hij op 22 juli 2026 te Rotterdam
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een broodmes
zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden
waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen
heeft gedragen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1.
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Feit 2.
handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 3.
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
goederen te duchten is;
Feit 4.
poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 5.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 6.
diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 7.
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft inzake feit 1 (openlijke geweldpleging op 9 mei 2025) een beroep gedaan op noodweer, in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdachte en de aangever ( [slachtoffer 1] ) hebben al enige tijd ruzie. Volgens de verdachte was het de aangever die de confrontatie met de verdachte in de McDonalds opzocht. Verdachte verklaart dat aangever zijn handen in zijn zakken had en zei dat hij hen allemaal zou neerschieten. Het is in dat licht niet relevant wie er als eerste heeft geduwd of geslagen. Als iemand op zo een manier op je afkomt of dreigt, hoef je niet te wachten tot er daadwerkelijk wordt geschoten. Verdachte heeft geprobeerd afstand te creëren, maar de dreiging stopte niet. In zo een geval is het gerechtvaardigd om de persoon die dreigt weg te drijven, eventueel met geweld. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake was van noodweerexces. De verdachte verklaart dat het zwart voor zijn ogen werd toen hij de aangever sloeg, waarna hij bleef doorslaan. De verdachte heeft heftig gereageerd omdat hij en zijn familie werden bedreigd.
Beoordeling
Op 9 mei 2025 ontstaat er in de McDonalds een conflict tussen de verdachte en twee medeverdachten (zijn moeder en zijn zus) enerzijds en de aangever ( [slachtoffer 1] ) anderzijds. Er is geen discussie over het feit dat de verdachte de aangever meermaals heeft geslagen; dit heeft de verdachte ook bekend. De vraag is of de verdachte dit deed uit zelfverdediging en of daarmee een beroep op noodweer of noodweerexces slaagt.
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.
Ten aanzien van de vraag of er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding stelt de rechtbank vast dat uit de camerabeelden van het incident niet volgt dat de aangever fysiek dreigend is of als eerst geweld toepast tegen de verdachte of zijn medeverdachten. Op de camerabeelden – afkomstig van een beveiligingscamera van de McDonalds – is te zien dat de aangever naar de tafel loopt van de verdachte, zijn moeder en zus, die alle drie opstaan. Ze staan dicht op elkaar en lijken een gesprek te voeren. Kort hierna is te zien dat de aangever een paar stappen achteruit loopt, waarna de verdachte, moeder en zus meelopen. De handen van de aangever zijn hierbij in zijn zakken. Aangever zet nog meer stappen naar achter en wordt dan geduwd door de zus van de verdachte. Hij komt met zijn lichaam naar voren, waarna hij nog een keer wordt geduwd en vervolgens door de medeverdachten wordt vastgehouden, terwijl de verdachte hem herhaaldelijk slaat op zijn hoofd en later op zijn lichaam. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte of de medeverdachte.
Wat betreft de vraag of er sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte – dat de aangever heeft gedreigd hen allemaal neer te schieten – geen steun vindt in de verklaring van de moeder of de zus. De moeder verklaart dat de aangever dreigend aan kwam lopen. De zus verklaart dat de aangever scheldend en dreigend aan kwam lopen en van een afstand zei dat hij de verdachte zou slaan. Beiden hebben niks verklaard over het dreigement om hen neer te schieten. De verdachte verklaart op zitting dat ze opstonden en de aangever toen zei dat hij een pistool zou trekken. Uit de camerabeelden volgt dat de aangever op dat moment op een paar meter afstand is. Bovendien is te zien dat de zus en moeder tussen de verdachte en de aangever instaan. Als de aangever op dit moment iets over een pistool had gezegd, kan het niet anders dat de moeder en zus dit ook gehoord zouden hebben. Ook is het opvallend dat de verdachte in het verhoor bij de politie niet direct vertelt over het dreigement. Pas als hem wordt gevraagd waarom hij bleef slaan antwoordt de verdachte dat hij bang was dat de aangever iets uit zijn zakken zou halen, zoals een wapen, omdat hij zei dat hij hen zou schieten.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat de aangever heeft gedreigd om te schieten, niet aannemelijk geworden. Ook van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding was dus geen sprake geweest. Nu er geen noodzaak tot verdediging was, slaagt ook het beroep op noodweerexces niet.
Het verweer wordt verworpen.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich binnen een periode van circa één jaar schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten. Hij was toen veertien en vijftien jaar oud.
Op 9 mei 2025 heeft hij zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging in de McDonalds op Zuidplein. Samen met zijn moeder en zijn zus heeft hij het slachtoffer geduwd, meermaals in het gezicht geslagen en aan zijn haren getrokken. De verdachte had op dit moment ook een mes bij zich. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten een bijzonder dreigende situatie gecreëerd op een voor het publiek toegankelijke plaats en is tevens inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Een maand later heeft de verdachte ’s nachts een ontploffing veroorzaakt in een woning aan [straat] in [plaats 1] door een explosief door de brievenbus te gooien. Dit is het adres van het slachtoffer van de openlijke geweldpleging op 9 mei 2025, waar de verdachte een conflict mee heeft. De bewoonster, haar twee pleegkinderen en een vriendin waren op dat moment in de woning aanwezig. De ontploffing heeft niet alleen schade toegebracht aan de woning, maar ook psychische impact op het slachtoffer gehad. Daarnaast veroorzaakt een dergelijk feit grote gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De verdachte is daarnaast geronseld om in ruil voor een geldbedrag een autobedrijf te overvallen. Op 12 juli 2025 is hij samen met de verdachte (beiden gemaskerd) op een fatbike het pand ingereden waarna zij de aanwezige medewerkers met een vuurwapen en een mes hebben bedreigd. Deze poging overval is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft zich bij het plegen van dit feit kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn verlangen naar geld. Hij heeft zich op geen enkele manier bekommerd over de eigenaar van de winkel en zijn medewerker die beide slachtoffer werden van het handelen van de overvallers. Ook het voorhanden hebben van het vuurwapen rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Op 6 juli 2026 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Het slachtoffer werd door de verdachten aangesproken en gedwongen om achterop een fatbike te springen. Vervolgens werd hij meermaals geslagen en geschopt en beroofd van zijn spullen, waaronder kleding, contant geld, en airpods. De verdachte heeft gehandeld zonder enig respect voor integriteit of de eigendommen van het slachtoffer.
Tot slot had de verdachte op 22 juli 2026 een mes in zijn rugtas. De verdachte heeft op zitting verklaard dat dit voorkomt uit eerdere geweldsincidenten, waardoor hij zich niet meer veilig voelt en een mes meeneemt om zich te kunnen verdedigen. Het voorhanden hebben van een mes vergroot echter het risico op daadwerkelijk gebruik daarvan, vaak met een zeer ernstige afloop.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie (strafblad) van 31 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een (soortgelijk) strafbaar feit. De verdachte liep namelijk nog in een proeftijd van een veroordeling voor verboden steekwapenbezit.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 december 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De psychische stoornissen hebben de keuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed.
Bij het incident op 9 mei 2025 voelde hij zich zeer bedreigd en handelde hij impulsief op de situatie, vanuit angst, de eerder opgelopen trauma’s, een beperkte inhibitie en een verminderde boosheidscontrole. Vanwege het direct vijandig interpreteren van de houding van de aangever voelde hij zich daarnaast gerechtvaardigd om (zonder rem) agressie en geweld te gebruiken. Ten tijde van het tenlastegelegde op 12 juli 2025 blokte de verdachte zijn gevoelens, omdat hij sterk gericht is op het verkrijgen van geld en materiële behoeften, hij impulsief is en onvoldoende nadenkt over de gevolgen en consequenties van zijn gedrag. Daarnaast heeft hij een beperkt mentaliserend vermogen. Indien bewezen verklaard is het advies om het tenlastegelegde aan verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Op basis van de risicotaxatie, de beschermende factoren en het klinisch beeld van verdachte, kan geconcludeerd worden dat de kans op recidive hoog is. Zonder passende interventies, toezicht, structuur en behandeling is het voorstelbaar dat de verdachte tot recidive komt wanneer hij zich bedreigd of uitgedaagd voelt, zich bespot of onrechtvaardig behandeld voelt, wanneer zijn status wordt aangetast of als hem een groot geldbedrag in het vooruitzicht wordt gesteld.
Om de ontwikkeling van de verdachte positief te beïnvloeden en de recidive te verminderen, is het advies om de leerstraf TACt op te leggen. Daarnaast is het van belang dat verdachte non-verbale therapie in de vorm van Psychomotische Therapie (PMT) of een vergelijkbare vorm ontvangt om traumatische ervaringen te verwerken en zijn emoties te reguleren. Daarnaast wordt geadviseerd een langdurig beschikbare buddy in te zetten, te zorgen voor een stabiele dag- en vrijetijdsbesteding en om de moeder van de verdachte te ondersteunen. Tot slot is het nodig dat het gedrag van de verdachte tijdens de behandeling wordt gemonitord ter beoordeling of er nader en aanvullend onderzoek noodzakelijk is om te beoordelen of er sprake is van een vorm van ADHD bij verdachte. Het advies is om deze behandeling en begeleiding op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (voorwaardelijke) jeugddetentie.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 september 2026. Daaruit blijkt het volgende.
Uit het raadsonderzoek ontstaat het beeld dat de verdachte zich regelmatig begeeft in een omgeving waarin geweld en het dragen van wapens genormaliseerd lijkt te zijn. De moeder van verdachte en de betrokken hulpverlening hebben echter onvoldoende zicht op zijn verblijfplaats, zijn dagelijkse bezigheden en de personen met wie hij omgaat. Binnen de thuissituatie is daarnaast sprake van langdurige spanningen en terugkerende escalaties. Daarnaast laat de verdachte al langere tijd problemen zien op het gebied van emotieregulatie, impulscontrole, het accepteren van gezag, het overzien van oorzaak- gevolgrelaties, het oplossen van problemen en het maken van weloverwogen keuzes. Er is bovendien sprake van een belast verleden met meerdere ingrijpende gebeurtenissen en traumatische ervaringen, een kwetsbare identiteitsontwikkeling en een verstoorde ouder-kindrelatie.
Op alle domeinen worden er risicofactoren gezien die de kans op herhaling vergroten. Voor zowel de moeder van verdachte als de hulpverlening is het van belang om zich te richten op de interventieadviezen zoals beschreven in het rapport van de psycholoog van 12 december 2025.
De Raad is van mening dat – indien de verdachte schuldig wordt bevonden – een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend is. Hierbij wordt geadviseerd het onvoorwaardelijk deel gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte door heeft gebracht in voorlopige hechtenis. Het voorwaardelijk deel dient als stok achter de deur. Als bijzondere voorwaarden adviseert de Raad dat de verdachte meewerkt aan de hulpverlening van Homeys, de Waag of een soortgelijke instelling, en dat hij een dagbesteding (in de vorm van school, werk en/of een dagbestedingstraject) en een gestructureerde vrijetijdsbesteding heeft. Daarnaast wordt oplegging van een avondklok geadviseerd.
Hoewel een leerstraf TACt Plus daarbij ondersteunend zou zijn in het verder ontwikkelen van de vaardigheden van verdachte, adviseert de Raad deze niet op te leggen aangezien er al hulpverlening in dit kader wordt ingezet.
Ten aanzien van de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf adviseert de Raad deze geheel ten uitvoer te leggen.
[persoon A] , werkzaam bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte zich tijdens zijn schorsingstoezicht aanvankelijk niet (voldoende) aan de voorwaarden heeft gehouden. Recent laat hij echter een positieve ontwikkeling zien. De ingezette hulpverlening heeft hierbij effect. De verdachte heeft structureel afspraken bij Homeys en hij gaat naar school. Daarnaast is het contact met zijn moeder verbeterd en is hij vaker thuis. Tevens lijkt bij de verdachte het besef te zijn ontstaan dat hij zijn leven anders moet inrichten en is hij gemotiveerd om hierin verandering te brengen. De jeugdreclasseerder adviseert om de avondklok – bij een veroordeling – niet op te leggen als bijzondere voorwaarde. De andere bijzondere voorwaarden vragen al veel van de verdachte en een avondklok zou het doel van de begeleiding en behandeling mogelijk voorbij schieten.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere, ernstige strafbare feiten. Rekening houdend met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zou een jeugddetentie tussen de 7 en 9 maanden passend zijn. De verdachte heeft 67 dagen (iets meer dan twee maanden) in voorarrest gezeten.
De rechtbank weegt mee dat uit de conclusies van de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van psychische stoornissen die ook aanwezig waren ten tijden van de delicten. De rechtbank acht de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar. Bovendien volgt uit zowel het rapport van de psycholoog als het advies van de Raad dat het op dit moment van belang is dat de verdachte adequate hulpverlening en therapie krijgt, om het risico op recidive te verminderen. De rechtbank zal de verdachte daarom niet terugsturen naar de jeugdgevangenis en de duur van het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie gelijkstellen aan het voorarrest. Het overige deel van de jeugddetentie wordt voorwaardelijk opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals grotendeels geadviseerd door de Raad. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte de hulp en begeleiding te geven die hij nodig heeft om zich positief te ontwikkelen en hem er bovendien van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Bij het vaststellen van de totale duur van de jeugddetentie wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht de geëiste 360 dagen (bijna 12 maanden) te fors, gelet op de genoemde LOVS-oriëntatiepunten en vindt 277 dagen (iets meer dan 9 maanden) passender.
Naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een leerstraf in de vorm van TACt Plus op te leggen. Vanwege de zorgen over de (emotionele) vaardigheden van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat deze leerstraf van toegevoegde waarde is. Anders dan de Raad heeft geadviseerd ziet de rechtbank naar aanleiding van het advies van de jeugdreclasseerder reden om aan de verdachte geen avondklok op te leggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte zonder verdere begeleiding wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77a Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] , ter zake van feit 3. Zij vordert een bedrag van € 15,46 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit 3 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd, waardoor dit zal worden toegewezen.
Aan de benadeelde partij is ook rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen in geval van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zoals door de benadeelde partij omschreven in de vordering in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit deel van de vordering is door de verdachte bovendien ook niet weersproken. De rechtbank zal ook dit deel van de vordering toewijzen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 juni 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.515,46 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 16 juli 2024 (parketnummer 10/144828-25) van de kantonrechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie (verboden steekwapenbezit) veroordeeld tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 30 juli 2024.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van 16 juli 2024 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77we, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 157, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 2] (pagina’s 19-27 van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant:
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 277 (tweehonderdzevenenzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, 210 (tweehonderdtien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject TACt Plus.
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 17 (zeventien) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 2.515,46 (zegge: tweeduizend vijfhonderdvijftien euro en zesenveertig cent), bestaande uit € 2.500,- aan materiële schade en € 15,46 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.515,46 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderdvijftien euro en zesenveertig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren subsidiair 10 (tien) dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 16 juli 2024 in de zaak met parketnummer 10-072591-24.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.G.J. Roset en S. Putting, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.
Bijlage I
Leeswijzer
De tenlastelegging is neergelegd in vijf dagvaardingen. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Feit 1
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Rotterdam
openlijk, te weten, de Mcdonalds te Zuidplein, in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door die
[slachtoffer 1]
-een of meermalen in het gezicht te slaan en/of
-(met kracht) te duwen tegen die [slachtoffer 1] en/of
-aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken
Feit 2
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Rotterdam,
terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een
mes, althans een steekwapen,
voorhanden heeft gehad;
Feit 3
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te [plaats 1] ,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning,
gelegen aan [adres 2] ,
door open vuur in aanraking te brengen met een explosief en/of brandbaar materiaal
en (vervolgens) door/tussen de brievenbus van voornoemde woning te
gooien/bevestigen
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en/of in
voornoemde woning aanwezige goederen en/of in de naastgelegen/omringende
woningen/panden aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten
de aanwezige personen in de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of
aanwezige personen op/nabij [adres 2]
te duchten was;
Feit 4
hij, op of omstreeks 12 juli 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een (groot) geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of
ten dele aan Autoinkoop.nl, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of
klanten en/of medewerkers van de Autoinkoop.nl, te plegen met het oogmerk om
die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- op een (dreigende) manier het bedrijf naar binnen is/zijn gefietst en/of gelopen,
- ( daarbij) gezicht bedekkende maskers heeft/hebben gedragen,
- een vuurwapen en/of een (groot) mes aan/op die [slachtoffer 2] en/of de
andere aanwezige heeft/hebben getoond en/of gericht (gehouden),
- een vuurwapen op het achterhoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben
gezet,
- ( daarbij) op een dreigende manier heeft/hebben gevraagd waar de kluis was,
- tijdens de vlucht in een worsteling terecht is/zijn gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Feit 5
hij, op of omstreeks 12 juli 2025 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de
vorm van een pistool van het merk Zoraki, type M906 P, kaliber 9mm, voorhanden
heeft gehad;
Feit 6
hij op of omstreeks 6 juli 2026 te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een hoeveelheid contant geld en/of sleutels en/of airpods en/of (bank)pasjes en/of een ID-kaart en/of een vest en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk temaken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij mee moest gaan, anders zou het gaan escaleren, en/of- in de zakken van die [slachtoffer 3] te voelen en/of daaruit een hoeveelheid contant geld en/of sleutels en/of airpods en/of (bank)pasjes en/of een ID-kaart te pakken, en/of- die [slachtoffer 3] meermaals in het gezicht te slaan, en/of- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij zijn vest uit moest trekken, anders zou/zouden hij, verdachte, en/of mededader(s) iets uit zijn/hun tas trekken, en/of- (vervolgens) het vest van die [slachtoffer 3] uit te trekken bij die [slachtoffer 3] , en/of- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij op zijn knieën moest gaan zitten, en/of- de benen van die [slachtoffer 3] omhoog te trekken, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam, en/of- die [slachtoffer 3] meermaals tegen de benen te trappen, en/of- tegen zijn mededader(s) te roepen “pak zijn schoenen af!”, en/of- bij die [slachtoffer 3] (een) schoen(en) uit te trekken en/of te pakken;
Feit 7
hij op 22 juli 2026 te Rotterdam
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een broodmes
zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden
waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen
heeft gedragen;
Bijlage II
Bewijsmiddelen
Feit 3
1.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 1] (pagina’s 6-7 van het
zaaksdossier), inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster] :
Op 8 juni 2025 omstreeks 04.00 uur was ik in mijn woning aan [adres 2]
in [plaats 1] . Ik hoorde een klapperend geluid dat ik herkende als de klep van de brievenbus
die dichtsloeg. Na ongeveer vijf seconden hoorde ik een hele harde schelle knal. In de gang
op de begane grond zag ik dat er op de vloer en de muren de borstels van de brievenbus
vastgeplakt waren. Ik zag dat het ijzeren frame van mijn brievenbus weg was. Ik vermoed
dat er een explosief door mijn brievenbus is gegooid. Ik heb een vermoeden uit welke
richting dit komt. Mijn dochter [dochter aangeefster] heeft ‘ [accountnaam 1] ’ via Snapchat leren kennen.
De jongen achter dit account is [verdachte] . Zij belde regelmatig met hem, waardoor haar
broer [slachtoffer 1] hem ook leerde kennen. Enkele weken geleden is er een ruzie geweest
waarbij [slachtoffer 1] is geslagen door [verdachte] , zijn moeder en zijn zus. Mijn dochter is
ongeveer twee weken geleden via Snapchat gebeld met het account ' [accountnaam 1] '. Mijn
dochter herkende de stem van de persoon als zijnde die van [verdachte] . [verdachte] vertelde
tegen mijn dochter: 'zeg mij waar [slachtoffer 1] zit. Als je dit niet verteld dan wordt er een bom
gegooid bij jou of je nicht'.
2.
De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026, inhoudende:
Het snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’ was van mij. Het klopt dat er over en weer gedoe was tussen mij en [slachtoffer 1] .
3.
Op 9 juni 2025 werd bij het TDO een mobiele telefoon aangeboden voor digitaal onderzoek. Het toestel werd op 8 juni 2025 om 16:00 uur in beslag genomen op het adres [adres 1] te [plaats 2] . De beslagene betreft: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] .
Het toestel is gekoppeld aan het Apple-account: [e-mailadres]
Snapchat-communicatie
Verzonden videobestand
Op zondag 8 juni 2025 om 02:16:54 uur werd via Snapchat door gebruiker [accountnaam 1] een videobestand verzonden aan gebruiker [accountnaam 2] . Op deze beelden is te zien dat een persoon een explosief voorwerp plaatst in een brievenbus van een woning.
Locatievergelijking
De explosie vond plaats aan [adres 2] te [plaats 1] . Door vergelijking van het videobestand met Google Street View werden meerdere overeenkomsten vastgesteld tussen de locatie op de beelden en het adres [adres 2] waaronder:
1. De aanwezigheid en vorm van een ring om de regenpijp
2. De positie van de regenpijp t.o.v. de gevel
3. De kleurstelling van het kozijn
4. De kleurstelling van de voordeur
5. Het zichtbaar zijn van het cijfer “ [cijfer] ” van [huisnummer 1]
6. Een afwijkend kastje op de stijl van [huisnummer 2]
Mediabestand
In de mediabestanden van het toestel werd een videofragment aangetroffen waarop te zien is dat een explosief in de brievenbus aan de Da Costastraat wordt geplaatst. De metadata (o.a. MD5-hash, SHA1-hash, tijdstempels) komen overeen met het via Snapchat verzonden
videobestand.
Apple Maps-zoekgeschiedenis
Op 11 mei 2025 om 10:04:21 uur werd gezocht op:
• “ [straat] , [plaats 1] ”
Aan de hand van de locatiegegevens kun je zien dat het toestel op 8 juni 2025 omstreeks 03:54 uur bij de woning aan [adres 2] [plaats 1] .
De locatiegegevens zijn afkomstig van de applicatie Life360
Logging van Camera gebruik
Op het moment dat de video gemaakt wordt is te zien in de logging dat de camera aan staat. De camera gaat om 08-06-2025 03:57 uur aan. Je kan zien dat de camera aan de achterzijde aangaat en dat de camera gebruikt is voor com.toyopagroup.picaboo. Dit is Snapchat. Het tijdstip komt ook overeen.
Samenvatting Onderzoek
Uit het onderzoek in de iPhone X van verdachte [verdachte] komt een samenhangend beeld naar voren van handelingen en communicatie die verband houden met de explosie aan [adres 2] te [plaats 1] . Het toestel is aantoonbaar gekoppeld aan [verdachte] via het Apple-account [e-mailadres] .
Op 11 mei 2025 werd via Apple Maps specifiek gezocht op het adres van de latere explosie, kort na een incident van openlijk geweld tussen [verdachte] en de bewoner van dat adres.
Op 8 juni 2025 om 02:16:54 uur werd via Snapchat door gebruiker [accountnaam 1] een
videobestand verzonden aan gebruiker [accountnaam 2] , de gebruikersnaam van de zus van [verdachte] .
Op deze beelden is te zien dat een persoon een explosief voorwerp plaatst in een brievenbus van een woning. Door vergelijking met Google Street View zijn meerdere objectieve overeenkomsten vastgesteld tussen de locatie op de beelden en het adres [adres 2] .
Het videobestand is tevens als mediabestand op het toestel zelf aangetroffen, waarbij de metadata overeenkomen met het via Snapchat verzonden bestand.
Aanvullend blijkt uit de technische analyse dat de camera van het toestel daadwerkelijk is gebruikt op de datum en het tijdstip waarop het betreffende videobestand is opgenomen. Tevens volgt uit de beschikbare locatiegegevens dat het toestel zich op de datum en het tijdstip van het incident in de directe omgeving van [straat] te [plaats 1] bevond
Feit 6
1.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 3] (pagina’s 8-9 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1] :
Plaats delict: Rotterdam
Pleegdatum: 6 juli 2026
Ik zag dat er twee jongens naar mij toe kwamen die vroegen wie [slachtoffer 3] was, waardoor ik mijn hand op stak. Ik hoorde dat persoon 1 vroeg of ik mee ging praten, want anders zou het gaan escaleren en dat wil je niet. Ik ben achterop de fatbike gestapt bij persoon 1. Ik voelde dat hij remde en afstapte, waardoor ik ook afstapte. Ik zag ook dat twee meiden waren meegefietst. Ik voelde daarna dat persoon 2 in mijn zakken voelde met zijn handen. Ik probeerde naar achter te stappen, maar ik voelde dat ze mij tegen de muur aan duwde. In hetzelfde moment voelde ik dat ik een platte hand tegen mijn linker- en rechterslaap kreeg. Ik zag dat één van de twee personen 45 euro contant en mijn huissleutel uit mijn linker zak pakte. Ik voelde dat er ook iemand in mijn rechterzak voelde. Hier zaten mijn airpods in, die ook weggenomen zijn. Ik zag dat mijn geld, airpods, identiteitskaart en bankpas uit mijn zak weggenomen waren. Ik hoorde persoon 2 zeggen dat ik mijn vest uit moest trekken en moest geven aan hem. Ik wilde dat niet, totdat persoon 2 zei dat hij anders iets zou trekken uit zijn tas. Ik voelde dat hij aan mijn vest trok, waardoor mijn vest uit ging. Ik hoorde dat beide personen zeggen dat ik op mijn knieën moest gaan zitten. Dat weigerde ik. Beide personen trokken mij aan mijn benen omhoog waardoor ik achterover viel. Ik voelde dat één van de twee personen mijn linkerschoen uittrok en tegelijkertijd voelde ik dat ik tegen mijn beide benen werd geschopt.
2.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 4] (pagina’s 27-31 van het zaaksdossier), inhoudende het relaas van de verbalisant:
Naar aanleiding van het bovenstaande incident werden de camerabeelden van de Gemeente
Rotterdam opgevraagd. Ik had beelden van twee camera's gekregen waarop de verdachte te zien waren. Om 19.39.30 uur zag ik dat ze op hun fatbike's stapte. Ik zag dat het slachtoffer opstapte bij [verdachte] .
3.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 5] (pagina’s 13-14 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Ik hoorde een hoop geschreeuw en ik hoorde klappen. Ik zag drie jongens en een meisje. Ik zag dat twee jongens een andere jongen aan het vasthouden en aan het slaan waren. Er stond nog een meisje. Ik zag dat zij naar het slachtoffer toerende en dat ze hem aan zijn been omvertrok. Ik hoorde dat het tweede meisje schreeuwde: “Pak zijn schoenen”. Ik zag dat zij een schoen van het slachtoffer had afgetrokken. Ik zag dat de daders op de fatbikes sprongen. Ik zag dat het slachtoffer telefonisch contact had met iemand en hoorde dat hij zei: “Ze hebben alles van mij afgepakt”. Het slachtoffer werd in een hoekje gedreven en kon geen kant op.
4.
De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026, inhoudende:
Ik was er bij op 6 juli 2026. Ik ben samen met mijn neef naar [slachtoffer 3] toe gegaan. Mijn neef vroeg hem om mee te komen. De vriendin van mijn neef, [medeverdachte 2] , was er ook bij. We stonden in een rondje naast elkaar. [slachtoffer 3] stond in het midden. We zeiden tegen hem dat we verhaal kwamen halen. Mijn neef begon als eerste met slaan. Ik heb [slachtoffer 3] ook een paar keer geslagen. Ik heb ook dingen tegen hem gezegd. Toen werden zijn spullen weggenomen door mijn neef en zijn vriendin. Mijn neef gaf de spullen aan mij.
5.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 6] (pagina’s 45-49 van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :
Mijn neefje en ik gingen samen naar die jongen. Zijn naam is [slachtoffer 3] . Ik vroeg hem toen om mee te lopen. Ik zei “Kom met ons mee, anders krijg je nog meer problemen”. Mijn neefje ging hem slaan en ik ging hem ondersteunen. Mijn neefje zei: “doe je vest uit”. Die deed hij uit. Hij moest zijn belangrijke spullen afgeven. Deze hebben we later weggegooid. Hij wilde wegrennen. Mijn neefje pakte hem vast. Hij pakte de jongen die wegrende terug. Mijn neefje sloeg hem met een platte hand in zijn gezicht. Daarna moest hij zijn vest uit doen. Ik zei: “Ik wil alles”. Hij gaf hierna zijn overige spullen, behalve zijn telefoon. Ik heb het slachtoffer meerdere keren geslagen. De vriendin van mijn neef heeft de schoen van het slachtoffer uitgetrokken. Mijn neefje pakte het slachtoffer vast toen hij mij duwde. Hierna ging ik hem slaan.
6.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 7] (pagina’s 35-39 van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier ), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] :
We waren met z’n vieren. Mijn vriend, een andere jongen en een meisje. Het meisje en ik zijn doorgelopen. Die jongens zijn naar [slachtoffer 3] toegelopen en gaven aan dat hij mee moest komen om te praten en toen kwam hij mee. Het werd agressiever. Er is geschopt en geslagen. Later werd er gevraagd “Wat moet ik met die Airpods?”. Die jongen, dus niet mijn vriend, maar die ander, zei dat.
Feit 7
1.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 8] (pagina’s 6-7 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten:
Op 22 juli 2026 te Rotterdam hielden wij [verdachte] , staande. Ik deelde [verdachte] mede dat ik zag dat hij stond geclassificeerd als wapengevaarlijk. Ik vroeg vervolgens aan [verdachte] of hij op dit moment wapens of andere verboden zaken bij zich had. Ik hoorde dat [verdachte] vervolgens tegen mij zei: "Ik heb niks bij mij. Fouilleer mij maar." Hierop gaf ik bij [verdachte] aan dat dit op vrijwillige basis was en dat hij hier niet aan mee hoefde te werken. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] aangaf dit te begrijpen. Ik opende zijn rugtas en zag in het hoofdvak een groot zilverkleurig broodmes.
2.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 9] (pagina 33 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 22 juli 2026 zijn bij [verdachte] goederen in beslag genomen.
Wapenomschrijving:
Goednummer: : [nummer 1]
Uniek Voorwerp Nummer : [nummer 2]
Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof
Object : Steekwapen (mes)
Inhoud/specificatie : Broodmes
Het broodmes werd aangetroffen in de rugzak die de verdachte op zijn lichaam droeg.
Gelet op de aard van het voorwerp en/of de omstandigheden waaronder dit voorwerp werd
aangetroffen ben ik, verbalisant van mening dat redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat dit voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of
te dreigen.
De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Bijlage III
Opgave van bewijsmiddelen
Feiten 1 en 2
- De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026;
- De eigen waarneming van de rechtbank op de terechtzitting van 11 september 2026 van de camerabeelden, pagina’s 26-27 in het proces-verbaal van de politie met dossiernummer [dossiernummer] ;
Verder m.b.t. feit 2
- Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 10] (pagina’s 15-16 van zaaksdossier Nachtkaars), inhoudende het relaas van de verbalisant;
Feit 4
- Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, door deze in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 juli 2025, inhoudende de verklaring van de verdachte;
- Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 11] (pagina’s 1-2 van zaaksdossier Nachtkaars), inhoudende de verklaring van aangever [aangever 3] ;
- Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 12] (pagina’s 38-62 van zaaksdossier Nachtkaars), inhoudende het relaas van de verbalisant (beschrijving camerabeelden);
Feit 5
- De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 11 september 2026;
- Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 13] (pagina 21 van zaaksdossier Nachtkaars), inhoudende het relaas van de verbalisanten;
- Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 14] (pagina 90 van zaaksdossier Nachtkaars, aanvulling 1), inhoudende het relaas van de verbalisant.
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.