RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: NL:TZ:2616819:R-RK - NL:TZ:2616820:R-RK
Uitspraakdatum: 1 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
verzoekster
1. De procedure
Verzoekster heeft op 26 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 september 2026.
Ter zitting van 22 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om de reeds ontstane problemen op financieel gebied te kunnen ondervangen en in de toekomst te voorkomen, heeft verzoekster zich gewend tot Zonder Zorgen Advies en Bewindvoering met het verzoek haar vermogen onder bewind te stellen. Op 10 augustus 2026 is de onderbewindstelling uitgesproken. Verzoekster zal zich samen met de beschermingsbewindvoerder melden bij de gemeente Rotterdam voor schuldhulpverlening. Verzoekster is eerder bij Geldplein aangemeld geweest, maar door de wisseling van de contactpersoon bij Geldplein is de communicatie niet goed verlopen.
Verzoekster ontvangt inkomen op grond van een WIA-uitkering. Daarnaast woont de partner van verzoekster bij verzoekster in en draagt bij aan de vaste lasten. Het inkomen van verzoekster zal worden overgemaakt op een betaalrekening van de beschermingsbewindvoerder waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huur tijdig kan en zal worden betaald. De lopende huur wordt ook betaald.
3. Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is dat de lopende
huurtermijnen zullen worden voldaan. De huurachterstand is sinds het verstekvonnis van
20 november 2025 alleen maar verder opgelopen. Daarnaast is door verweerster aangevoerd dat op 25 maart 2026 al een moratorium is toegewezen. Uit het vonnis van 25 maart 2026 blijkt dat verzoekster toen ook al een WIA-uitkering ontving en haar partner inkomsten uit arbeid. Ook was destijds al sprake van schuldhulpverlening. Ondanks de inkomsten en de financiële hulpverlening is de huurachterstand na het uitgesproken moratorium verder opgelopen en is er tot nu toe geen minnelijk voorstel gedaan. Er is op dit moment dus geen (wezenlijk) verschil met de situatie ten tijde van het eerste moratorium. Verweerster vraagt primair om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de termijn te verkorten tot twee maanden omdat al vier van de zes maanden zijn gebruikt.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting verder toe te lichten.
4. De beoordeling
Vast is komen te staan dat verzoekster eerder een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, met een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’). Bij vonnis van deze rechtbank van 25 maart 2026 is dit verzoek voor de duur van zes maanden toegewezen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft nu opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen. Dit verzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft weer betrekking op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bij vonnis van 25 maart 2026 getroffen voorziening tot en met 4 september 2026 liep, zodat op het moment van deze beoordeling de wettelijke maximumtermijn inmiddels is verstreken. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om een moratorium voor een langere periode dan in totaal zes maanden uit te spreken, en evenmin in de mogelijkheid om een lopend of reeds nagenoeg verstreken moratorium te verlengen. Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het (tweede) verzoek om een moratorium af.
De rechtbank stelt voorts vast dat het minnelijk traject nog moet worden opgestart. De termijn die is verstreken sinds de behandeling van het vorige moratorium, lijkt niet actief benut te zijn om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Nu er geen compleet verzoek ex artikel 284 Fw klaar ligt, ziet de rechtbank ook geen aanleiding het voorliggende verzoek aan te merken als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw.
Nu het minnelijk traject van verzoeker nog moet worden opgestart, zal dit naar verwachting niet op korte termijn zijn afgerond. Verzoekster zal gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.