ECLI:NL:RBROT:2026:13619

ECLI:NL:RBROT:2026:13619

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 10/348341-25, 10/270999-25 en 09/035003-25 (gevoegd ter terechtzitting)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Dordrecht

Samenvatting

Vrijspraak van de handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne op 16 oktober 2024. Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, de handel in cocaïne, het witwassen van een geldbedrag, het aanwezig hebben van cocaïne, het medeplegen van het zich verschaffen van toegang tot een haventerrein door middel van inklimming en het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein en het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De inbeslaggenomen telefoons en geldbedragen worden verbeurd verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10/348341-25, 10/270999-25 en 09/035003-25 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Datum zitting: 16 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,

ingeschreven op het adres:

[adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. R.S. Boonstra

Officier van justitie: mr. J.B. Uiterwijk

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het handelen in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne op 16 oktober 2024. De verdachte wordt veroordeeld voor zeven strafbare feiten: het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, de handel in cocaïne, het witwassen van een geldbedrag, het aanwezig hebben van cocaïne, het medeplegen van het zich verschaffen van toegang tot een haventerrein door middel van inklimming en het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein en het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet. Aan hem wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de voorwaardelijke straf worden meerdere bijzondere voorwaarden gekoppeld. De inbeslaggenomen telefoons en geldbedragen worden verbeurd verklaard.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van het plegen van negen strafbare feiten. De volledige tenlasteleggingen staan in bijlage 1. De feiten zijn onderverdeeld in drie dagvaardingen met een eigen parketnummer. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:

- feit 1: voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (10/348341-25);

- feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B/C van de Opiumwet

gegeven verbod (10/348341-25);

- feit 3: witwassen (10/348341-25);

- feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (10/348341-25);

- feit 5: het medeplegen van het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen (10/270999-25);

- feit 6: het medeplegen van het zich toegang verschaffen tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen door middel van inklimming (10/270999-25);

- feit 7: het medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet (09/035003-25);

- feit 8: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B/C van de Opiumwet

gegeven verbod (09/035003-25);

- feit 9: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (10/348341-25).

2. Vrijspraak / Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 8 en 9 en wordt veroordeeld voor de feiten 1 tot en met 7. Ten aanzien van feit 7 is aangevoerd dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het eerste gedachtestreepje: het voorhanden hebben van meerdere gripzakjes met een hoeveelheid cocaïne. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2, 3, 7, 8 en 9. Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak (feiten 8 en 9)

Het onder 8 en 9 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (feit 1), cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd (feit 2), een geldbedrag heeft witgewassen (feit 3), cocaïne aanwezig heeft gehad (feit 4), zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein (feit 5) en het medeplegen van het zich verschaffen van toegang tot een haventerrein door middel van inklimming (feit 6) en het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.6.

Feiten 4, 5 en 6

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 4, 5 en 6 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

Feit 4

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

3. Deskundigenverslag

Feiten 5 en 6

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

3. Proces-verbaal van de politie

Feiten 1, 2, 3 en 7

De bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 7 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotiveringen.

Feiten 1, 2 en 3

1. Verklaring van de verdachte

Ik heb het vuurwapen een tijd geleden vastgehouden.

De cocaïne die in de schuur is aangetroffen, te weten de 4,1 gram, 4,6 gram en 19,8 gram is van mij. Het klopt dat ik dit samen met mijn vrienden gebruikte. Iedereen legde een deel in. Deze tikkies zijn vaak terug te vinden op mijn telefoon. U vraagt mij of het klopt dat de één het inkoopt en dat de rest een tikkie betaalt. Zo zou u het kunnen noemen.

Het geld dat in mijn slaapkamer is aangetroffen, is ook van mij.

2. Proces-verbaal van de politieOp 19 december 2025, omstreeks 13.45 uur, kregen wij een melding van het Operationeel Centrum. Er zou volgens de medewerker van het Operationeel Centrum een vuurwapen en drugs aangetroffen zijn in een schuurtje in de tuin van een woning. Ik hoorde dat de melder aangaf dat zijn ex-partner en zoon op dit adres zouden wonen en dat hij zijn zoon zocht. Hij keek in het schuurtje en trof het vuurwapen en de drugs daar aan. Dit zou zich afspelen op de [adres 1] in Rotterdam.

Omstreeks 14.00 uur kwamen wij ter plaatse. Ik liep naar de voordeur en trof hier de melder, die zich kon legitimeren als [persoon A] , geboren op [geboortedatum 2] -1983 te [geboorteplaats 2] . Ik hoorde dat [persoon A] zei dat wij vrijwillig de woning mochten betreden en gaf toestemming om in de schuur te kijken. Ik ben hierna naar de schuur aan de achterzijde van de woning gegaan en trof hier een schuur aan. Ik zag dat bij binnenkomst rechts naast de deur een tafel stond met daarop een weegschaal. Ik zag dat hier veel wit poeder omheen lag, ongeveer 2 gram. Ik zag dat er ook een hoopje van 3 gram wit poeder lag waar een mesje bijlag. Ik zag op tafel ook meer dan 100 gripzakjes liggen, waarvan ik ambtshalve weet dat hier drugs in verpakt wordt.

Ik zag dat er een plastic tas lag met een vuurwapen die op een rode stoel lag. Ik zag dat er een Louis Vuitton tas stond op de bank. Ik maakte deze tas open en zag dat daarin een

boterhamzakje lag met daarin negen patronen gelijkend op 9 millimeter patronen.

3. Proces-verbaal van de politieOp 19 december 2025 kwam ik ter plaatse op de [adres 1] te Rotterdam. Niet veel later kwam de hoofdbewoonster van de woning ter plaatse. Dit betrof [persoon B] , geboren op [geboortedatum 3] -1983. Ik gaf haar duidelijk aan dat zij niet tot antwoorden verplicht was en dat zij niet mee hoefde te werken aan het onderzoek dat wij aan het doen waren. Ik vroeg haar wie er gebruikt maakt van de schuur. Ik hoorde haar zeggen dat haar oudste zoon de enige is die de schuur gebruikt. Haar oudste zoon bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] -2005 te [geboorteplaats 1] .

Hierna heb ik, na overleg met de officier van dienst recherche, de casus wederom

overlegd met [persoon B] en haar gevraagd of zij toestemming gaf voor de doorzoeking van

de slaapkamer van de verdachte. Ik hoorde haar zeggen dat wij toestemming kregen om zijn slaapkamer te doorzoeken. Deze toestemming is geschreven en ondertekend bijgevoegd bij dit proces verbaal. In overleg met de officier van dienst Recherche hebben wij de slaapkamer doorzocht. Tijdens deze doorzoeking troffen de collega's een schoenendoos met hierin een behoorlijk geldbedrag aan.

4. Proces-verbaal van de politieOp 20 december 2025 is bij de aanhouding van [verdachte] een telefoon in beslag genomen

onder de code AARS6843NL. Op 7 januari 2026 werd door de Officier van Justitie een

bevel, met machtiging van rechter-commissaris, gegeven tot onderzoek van gegevens in bovengenoemde elektronische gegevensdrager.

De volgende algemene gegevens van de in beslag genomen telefoon zijn bekend.

Merk/type: Apple iPhone

Gekoppelde telefoonnummer: [gsm-nummer 1] .

Ik zag dat de naam [voornaam verdachte] werd benoemd in e-mails die waren gestuurd naar het bovengenoemde emailadres. Tevens zag ik het volgende e-mailadres: [mailadres 1] . In een verhoor van [voornaam verdachte] in de politiesystemen zag ik dat [voornaam verdachte] aangaf dat hij naar school ging, namelijk: Zadkine. Ook zag ik meerdere foto's in de gegevensdrager van een brief van de politie, een brief van het openbare ministerie en een foto van het rijbewijs van [voornaam verdachte] . Ik zag dat de naam [naam 1] gekoppeld was aan het gekoppelde ID e-mailadres [mailadres 2] . In een bericht zag ik dat de naam [naam 1] gekoppeld was aan owner (eigenaar), daarnaast zag ik in het bericht de volgende informatie:

Naam: [verdachte]

Studentnummer: [nummer 1]

Opleiding: handel en ondernemen

Onderwijsinstelling: Zadkine

Datum: 28 oktober 2025

Met al deze bovenstaande informatie is het aannemelijk dat de gebruiker van het toestel met SIN: AARS6843NL de verdachte [verdachte] is.

In de gegevensdrager zag ik dat op foto een rode stoel getoond werd en dat deze rode stoel overeen kwam met de stoel in fotobijlage en een proces verbaal van

bevindingen namelijk: [nummer proces-verbaal 1] volgnummer 2. Ik zag in het proces-verbaal dat deze stoel zich bevond in de schuur van de woning.

Ik zag in instant messages op de dag en rondom het tijdstip van de melding dat er met de gekoppelde naam [accountnaam 1] via snapchat meerdere berichten waren gestuurd naar iemand genaamd: [accountnaam 2] met daarin dat deze persoon hulp nodig had.

Ik zag in de instant message dat er met het gekoppelde naam [accountnaam 1] via snapchat het volgende bericht was gestuurd naar [accountnaam 3] :

Ik zag dat er op 6 juni 2025 verschillende data zoekslagen zijn geweest naar

verschillende type vuurwapens zoals: Beretta, verschillende type walthers. Ik zag dat in de opgeslagen afbeeldingen van de telefoon meerdere afbeeldingen waren aangetroffen van vuurwapens.

Ik heb meerdere zoekslagen gedaan in de chatgesprekken in Biome.

Ik heb meerdere zoekslagen gedaan in de chatgesprekken.

Ik zag dat bovenstaande berichten waren gestuurd in de avond nadat er een melding was gemaakt op 19 december 2025.

5. Proces-verbaal van de politieOp 2 maart 2026 is bij de aanhouding van [verdachte] een telefoon in beslag genomen onder de code: AARS6740NL.

Ik zag dat dit bericht gestuurd was vanaf het telefoonnummer [gsm-nummer 2] naar het

telefoonnummer [gsm-nummer 3] dat vermoedelijk [verdachte] de gebruiker is van deze telefoon welke in beslag was genomen.

Ik zag dat bovenstaande berichten waren gestuurd van het telefoonnummer 31616078637 naar het telefoonnummer 31620395011. In een onderzoek in een telefoon, welke in beslag was genomen bij [verdachte] onder code AARS6843NL was er naar voren gekomen dat de naam [naam 1] gekoppeld was aan owner (eigenaar).

Ik zag dat in een aantal WhatsApp gesprekken het bankrekeningnummer met de naam

van [verdachte] erbij verstuurd waren vanuit [gsm-nummer 3] naar verschillende ontvangers/ tegenpartijen. Uit de gesprekken is ook op te maken dat [verdachte] geld verdient doordat er tikkies en contant geld wordt overgemaakt en/of overhandigd.

Op de mobiele telefoon zag ik de applicatie WhatsApp geïnstalleerd met de naam . (owner). Ik heb enkele passages uit de WhatsApp berichten, Native Messages berichten en Telegram chats weergegeven die betrekking hebben op de handel in de verdovende middelen.

6. Proces-verbaal van de politie

Op 19 december 2025 werd in een schuur bij de woning [adres 1] te

Rotterdam een vuurwapen, patroonmagazijn en kogelpatronen aangetroffen. Ter vaststelling werd het vuurwapen onderzocht door het personeel van de afdeling Wapens, Munitie en Explosieven van de politie eenheid Rotterdam.

Pistool(omgebouwd):

Het inbeslaggenomen voorwerp betreft een omgebouwd gaspistool (9 mm PAK) naar een kogel verschietend pistool, merk Blow, model TR17, in het kaliber 7,65 mm.

Derhalve is dit pistool met patroonmagazijn een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM.

Oorspronkelijk is dit pistool een gaspistool alleen geschikt voor het afvuren van knalpatronen van het kaliber 9 mm. Door het uitboren/vervangen van de oorspronkelijk dichte loop en het plaatsen van een loop van het kaliber 7,65 mm is dit gaspistool bestemd/geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm.

Munitie(standaard):

De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen knalpatronen/kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm. Deze kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het in deze zaak aangetroffen vuurwapen: merk Blow, model TR17, in het kaliber 7,65 mm.

7. DeskundigenverslagOnderzoek Oxiden

DNA-mengprofiel AARNl791NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige

onbekende personen.

DNA-profiel AARNL1792NL#01 is ongeveer 8 miljoen keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.

DNA-profiel AARNL1793NL#01 is ongeveer 300 duizend keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.

8. Proces-verbaal van de politieSIN/UVN: AASI2046NLBVH Goednummer: G7073740 Object omschrijving: In politiesealbag; 2 losse witte brokjes, tevens 2 gripzakjes met daarin witte brokjesAantal: 3Nettogewicht: 4,1 gramVeiliggesteld monster afkomstig van goed AASI2046NLSIN/UVN: AATL9979NLUitgevoerde testen bij monster (AATL9979NL)Methode: RuybalResultaat: Positief voor CocaïneMethode: GC-MSResultaat: Identificatie CocaïneSIN/UVN: AASI2045NLBVH Goednummer: G7074710 Object omschrijving: Een dichtgeknoopt transparant plastic zakje met daarin wit poeder en brokjesNettogewicht: 4,6 gramVeiliggesteld monster afkomstig van goed AASI2045NLSIN/UVN: AATL9978NLUitgevoerde testen bij monster (AATL9978NL)Methode: RuybalResultaat: Positief voor CocaïneMethode: GC-MSResultaat: Identificatie CocaïneSIN/UVN: AASI2043NLBVH Goednummer: G7073738 Object omschrijving: Een transparant plastic zakje met daarin wit poeder en brokjesNettogewicht: 19,8 gramVeiliggesteld monster afkomstig van goed AASI2043NLSIN/UVN: AATL9977NLUitgevoerde testen bij monster (AATL9977NL)Methode: RuybalResultaat: Positief voor CocaïneMethode: GC-MSResultaat: Identificatie Cocaïne

9. Deskundigenverslag

10. Deskundigenverslag

11. Deskundigenverslag

12. Proces-verbaal van de politie

Op 19 december 2025 omstreeks 15.00 uur kwamen wij ter plaatse op de [adres 1]

in Rotterdam. Wij doorzochten de slaapkamer van de verdachte. Ik keek vervolgens onder het bed van de verdachte en zag hier, ongeveer 30 centimeter onder het bed geschoven, een witte doos. Ik haalde de doos tevoorschijn en maakte deze open. Ik zag in de doos een grote stapel geld. Ik zag dat deze coupures per zoveel biljetten verpakt waren met een omgeslagen biljet.

Wij telden het in beslag genomen geld. Wij telden in totaal 7900 euro. Na het tellen bleek het geldbedrag te bestaan uit de volgende coupures:

- 1 x 200 euro;

- 4 x 100 euro;

- 115 x 50 euro;

- 55 x 20 euro;

- 45 x 10 euro.

Feit 7

1. Proces-verbaal van de politieOp 16 oktober 2024 zagen wij de Opel Corsa rijden op de Europalaan te Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik zag dat in het voertuig twee personen zaten. De bestuurder stapte direct uit en overhandigde een rijbewijs. Hij bleek mij later genaamd te zijn: [verdachte] .

Ik zag in de deuropening aan de bestuurderszijde een portemonnee. Ik zag dat in de portemonnee een grote hoeveelheid eurobiljetten zat. Ter plaatse is 1050,00 euro aan contant geld in beslag genomen.

2. Proces-verbaal van de politieBij de aanhouding van [verdachte] werd onder hem een mobiele telefoon aangetroffen van het merk Samsung. Deze mobiele telefoon werd ter waarheidsvinding in beslag genomen. Door officier van justitie mr. F. van Kins werd toestemming gegeven om onderzoek te doen in deze telefoon. Ik heb onderzoek gedaan aan deze mobiele telefoon en heb hierbij het volgende bevonden:

Ik opende de applicatie Whatsapp. Het telefoonnummer in Whatsapp betreft

[gsm-nummer 4] .

Op 23 juli 2024 appt [naam 2] met de vraag of hij 'neus' heeft. De gebruiker

bevestigt dit en zegt dat het 50 per gram is. Mij is ambtshalve bekend dat de

straatwaarde van 1 gram cocaïne 50 euro is.

Op 12 augustus 2024 vraagt [naam 3] of hij 'testers' heeft. De gebruiker stuurt een

spraakbericht waarin hij zegt dat hij het gewoon kan komen halen. [naam 3] zegt dat

het wel over Coke gaat waarop de gebruiker zegt: 'Ja bro, begrijp ik zelf ook wel'.

[naam 3] vraagt of hij een pijpje mee moet nemen voor de 'tester rook' en 'Dit wat ik

nu heb gehad was rook tog?' en 'voordat ik ineens een brok coke rook of crack snuif'.

De gebruiker antwoord: 'Jaman'. Later vraagt de gebruiker: 'hoe was die ding?'. [naam 3]

zegt dat hij nu een brokje gaat roken en daarna een 'hit' te hebben genomen en

het smaakt perfect en brand nice. [naam 3] vervolgens een spraakbericht waarin hij zegt dat het echt 'nice' is en hij het gelijk op gaat roken. [naam 3] zegt dat hij voor 'rook' standaard naar hem gaat en dat zijn kwaliteit op 1 staat. [naam 3] vraagt of hij een lijst kan sturen met middelen die hij allemaal kan regelen. De gebruiker stuurt een spraakbericht waarin hij zegt alleen dit te verkopen 'wiet en rook'. Maar als hij XTC wil kan hij dat ook aan een vriend vragen. [naam 3] zegt: 'Dus je hebt snuif, rook en wiet' en vraagt of hij de connecties heeft voor wat anders. De gebruiker zegt: ik weet niet bro, je moet me laten weten wat je in gedachten had en zegt dat hij hier en daar even kan kijken voor hem. [naam 3] zegt dat hij alleen crack en coke en soms XTC nodig heeft omdat hij anders af gaat kicken. [naam 3] vraagt voor hoeveel hij naar Overschie kan komen en dat denk niet voor 10 euro doet. De gebruiker zegt dat hij het voor 50 euro doet. [naam 3] vraagt of hij kan poffen. De gebruiker zegt dat hij niet kan poffen. Daarna spreken beide een locatie af om vermoedelijk drugs te kopen/verkopen. Dit herhaalt zich op 14 augustus 2024. Op 15 augustus 2024 spreken ze weer met elkaar af. [naam 3] geeft aan dat hij meer rook wilde halen en vraagt of hij iemand weet die voor 20 euro naar Overschie komt voor rook.

[gsm-nummer 5] [accountnaam 4]

3 augustus 2024

[accountnaam 4] vraagt om 1 gram. De gebruiker vraagt naar de [adres 2] te komen bij

het voetbalveld. [accountnaam 4] vraagt: ' [naam 4] , ga je ermee akkoord het geld over te maken? De gebruiker vind dit geen probleem.

7 augustus 2024

[accountnaam 4] vraagt om 1 gram en zijn kaartnummer. De gebruiker geeft zijn IBAN: [rekeningnummer] op naam van [verdachte]

8 augustus 2024

[verdachte] stuurt: 'je had gister 20 gestuurd he, moet ik zo die andere 1g brengen'

10 augustus 2024

[accountnaam 4] zegt: '1g'. [verdachte] zegt: 'yoo, oke 10 min snackbar'. Er wordt een locatie afgesproken.

Meerdere telefoonnummers in de telefoon van verdachte [verdachte] blijken van personen te zijn die verslaafd zijn aan drugs.

Bewijsmotivering (feiten 1 en 2)

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, omdat zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van enig strafbaar feit de schuur is doorzocht. De stiefvader van de verdachte heeft weliswaar toestemming gegeven, maar hij was hiertoe niet bevoegd, omdat hij niet de eigenaar of bewoner was. Het doorzoeken van de schuur was onrechtmatig en dat levert een ernstige inbreuk van zijn recht op privacy en daarmee van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens op. Het bewijs dat naar aanleiding van de doorzoeking is verkregen, moet daarom van de bewijsvoering worden uitgesloten. Daarna resteert onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair is ten aanzien van het wapen bepleit dat er niet voldoende bewijs is dat de verdachte op de ten laste gelegde datum wetenschap van en beschikkingsmacht over het wapen en de munitie had. Ten aanzien van de drugs is subsidiair bepleit dat slechts het aanwezig hebben bewezen kan worden verklaard.

De verbalisanten zijn ter plaatse gegaan naar aanleiding van een melding dat in de schuur een vuurwapen en drugs waren gevonden. Een dergelijke melding is voldoende voor een verdenking in het kader van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. Op grond van die bepaling kunnen opsporingsambtenaren te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming een doorzoeking doen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking nu de verbalisanten niet in het proces-verbaal hebben opgenomen dat zij de schuur doorzochten op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank volstaat met de enkele constatering dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De verdachte heeft ten gevolge van de onrechtmatige doorzoeking geen nadeel geleden. Het belang van de verdachte dat de strafbare feiten niet zouden worden ontdekt, is immers geen rechtens te respecteren belang. Het vormverzuim rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank daarom geen bewijsuitsluiting.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte op de ten laste gelegde datum wetenschap van en beschikkingsmacht had over het vuurwapen, de munitie en de drugs. Het DNA van de verdachte is op de trekker en ruwe delen, de binnenzijde van de loop en de buitenzijde van het patroonmagazijn aangetroffen. Uit de chatgesprekken op de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte wel degelijk wist dat het vuurwapen en de munitie in de schuur lagen. Over de aangetroffen drugs heeft de verdachte ter zitting verklaard dat deze van hem zijn en dat hij de drugs aan zijn vrienden verkocht. De feiten 1 en 2 kunnen daarmee wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijsmotivering (feit 3)

In de slaapkamer van de verdachte is onder zijn bed een contant geldbedrag van € 7.900,- aangetroffen. Het aantreffen van een dergelijk groot contant geldbedrag, in combinatie met het aantreffen van verdovende middelen in de schuur, maakt dat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geldbedrag.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Zo heeft de verdachte in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij een deel van het geld van zijn vader heeft gekregen en het andere deel zelf heeft gespaard. Ter zitting heeft de verdachte aan zijn verklaring toegevoegd dat € 3.300,- afkomstig is van de verkoop van zijn auto en dat hij giften van zijn moeder en oma heeft gekregen. De nieuwe verklaringen maken dat de verklaring van de verdachte niet meer concreet en min of meer verifieerbaar is. Sterker nog, door deze wisselingen op hoofdlijnen is de verklaring van de verdachte op voorhand hoogst onwaarschijnlijk geworden. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dit wist.

Bewijsmotivering (feit 7)

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die de in het voertuig aangetroffen cocaïne voorhanden heeft gehad. De medeverdachte heeft immers verklaard dat de drugs van haar waren en zij is daar reeds voor veroordeeld. Van dit deel van de tenlastelegging zal de verdachte (partieel) worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft bepleit dat het enkele feit dat de verdachte meerdere telefoons bij zich had en over een contant geldbedrag van € 1.050,- beschikte, onvoldoende is voor het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.

Dit verweer wordt verworpen. De verdachte heeft een ongeloofwaardige verklaring afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is een grote som contant geld geschikt en bestemd voor drugshandel, nu het een feit van algemene bekendheid is dat vaak met contant geld wordt betaald. Daar komt bij dat op één van de telefoons die de verdachte bij zich had, chatberichten met verschillende personen zijn aangetroffen over de handel in harddrugs. Meerdere telefoonnummers in deze telefoon blijken van personen te zijn die verslaafd zijn aan drugs. Dat de verdachte de telefoon niet alleen bij zich had, maar ook de gebruiker van de telefoon is geweest, blijkt uit het feit dat de gebruiker van de telefoon het rekeningnummer van de verdachte heeft doorgestuurd naar één van de kopers. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat het contante geldbedrag en de dealertelefoon bestemd waren om een feit als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet te plegen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1

hij op 19 december 2025 te Rotterdam,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een pistool, van het merk Blow, model TR17, kaliber 7,65 mm

zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

kogelpatronen, merk Blow, model TR17, kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

Feit 2

hij op 19 december 2025 te Rotterdam,

opzettelijk heeft verkocht en

verstrekt,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 3

hij op 19 december 2025 te Rotterdam,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 7900 euro,

voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp

- onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 4

hij op 2 maart 2026 te Rotterdam,

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Feit 5

hij op 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

wederrechtelijk

heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag

en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT

Delta Terminal (aan de Europaweg 875) in de Rotterdamse haven;

Feit 6

hij op 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten

plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen,

te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT Delta Terminal (aan de

Europaweg 875) in de Rotterdamse haven, door middel van inklimming.

Feit 7

hij op 16 oktober 2024 in Nieuwerkerk aan den IJssel,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen:

- een geldbedrag (van in totaal ongeveer 1050 EUR), en

- een telefoon,

voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Feit 2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3

witwassen;

Feit 4

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

de voortgezette handeling van

Feit 5

het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Feit 6

zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 7

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 tot en met 7 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 11 juni 2026.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten - gelet op de bepleite vrijspraak van een groot deel van de feiten -van voldoende duur is geweest. Subsidiair is verzocht, indien de verdachte ook voor die feiten wordt veroordeeld, geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, dan wel dat hij de laatste week van augustus 2026 in vrijheid wordt gesteld, zodat hij aan zijn schooljaar kan beginnen. De verdachte is bereid om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich op 16 oktober 2024 schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen om de handel in verdovende middelen mogelijk te maken. Daarnaast heeft hij zich op 19 december 2025 schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en op 2 maart 2026 aan het aanwezig hebben van cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast wordt met de handel in harddrugs veel geld verdiend en gaat deze handel gepaard met vele vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden daarvan.

Verder heeft de verdachte zich samen met anderen op 17 juli 2025 door middel van inklimming de toegang verschaft tot een haventerrein, waarna zij hier wederrechtelijk hebben verbleven. Hiermee zijn zij een onmisbare schakel in de internationale transportketen van harddrugs. Voor de havenbedrijven vormen de uithalers bovendien een ware plaag. Uithalers veroorzaken veel hinder doordat telkens de bedrijfsactiviteiten moeten worden gestaakt wanneer onbevoegden worden gesignaleerd op het haventerrein.

Bovendien heeft de verdachte zich op 19 december 2025 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie vormt een groot risico voor de veiligheid van personen en het heeft een ontwrichtend effect op het gevoel van veiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van vuurwapens kan bovendien tot het gebruik daarvan leiden, met alle gevolgen van dien. Op diezelfde datum heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag van € 7.900,-. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 12 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hiermee houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening.

Op 24 februari 2025 is aan de verdachte een taakstraf en een gevangenisstraf opgelegd. Door deze veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 staat het volgende.

Door de ontkennende houding van de verdachte kan geen risico inschatting worden gedaan en kunnen delict gerelateerde risicofactoren niet worden vastgesteld. De verdachte is eerder veroordeeld voor het overtreden van de Opiumwet. Als hij schuldig wordt bevonden is hierin sprake van een patroon en is een interventie geïndiceerd.

Uit het gesprek met de verdachte komen geen zorgelijke signalen over de verschillende leefgebieden naar voren. De verdachte volgt een mbo niveau 4 opleiding, heeft huisvesting, heeft twee jonge kinderen en er zijn geen financiële of psychische problemen. Er is geen zicht gekomen op het sociaal netwerk van de verdachte of zijn middelengebruik.

Het advies is om het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en meewerken aan beheersing van middelengebruik.

Oplegging straffen

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten.

De rechtbank ziet geen reden om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht of tegemoet te komen aan het voorstel om hem in de laatste week van augustus 2026 in vrijheid te stellen zodat hij aan zijn schooljaar kan beginnen. Een dergelijke strafoplegging doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan het bewezenverklaarde.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend en geboden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en meewerken aan beheersing van middelengebruik. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen geldbedragen van € 1.050,- en € 7.900,- en de telefoons (goednummers: 7073991 en 7111831) verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – wegens de bepleite vrijspraak – verzocht om teruggave van de in beslag genomen geldbedragen en telefoons.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 1.050,- en

€ 7.900,- verbeurd verklaren. De verdachte kon daarover beschikken en de feiten 3 en 7 zijn met betrekking tot deze geldbedragen begaan.

Ook de in beslag genomen telefoons (goednummers: G7073991 en G7111831) zal de rechtbank verbeurd verklaren. Feiten 2 en 4 zijn met behulp van deze telefoons gepleegd.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 56, 57, 63, 138aa en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 8 en 9 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 7, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden 1, 2 en 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd voor de feiten 2 en 4: de inbeslaggenomen telefoons (goednummers: 7073991 en 7111831);

- verklaart verbeurd voor feit 3: het inbeslaggenomen geldbedrag van € 7.900,-;

- verklaart verbeurd voor feit 7: het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.050,-.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. M.I. Blagrove en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.

Mr. V.D. Beenakker is niet in de gelegenheid deze beslissing te ondertekenen.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

10/348341-25

1.

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een pistool, van het merk Blow, model TR17, kaliber 7,65 mm

zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

een of meer kogelpatronen, merk Blow, model TR17, kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

3.

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Rotterdam,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 7900 euro, althans een hoeveelheid

geld,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 2 maart 2026 te Rotterdam,

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

10/270999-25

1.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

wederrechtelijk

heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag

en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT

Delta Terminal (aan de Europaweg 875) in de Rotterdamse haven;

2.

hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten

plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen,

te weten het door hekken omgeven terrein van de ECT Delta Terminal (aan de

Europaweg 875) in de Rotterdamse haven, door middel van inklimming.

09/035003-25

1.

hij op één of meer tijdstippen in op of omstreeks 16 oktober 2024 in Nieuwerkerk

Ad Ijssel,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en) of alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen van cocaine, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en of te bevorderen:

- meerdere gripzakjes met een hoeveelheid cocaine (van in totaal ongeveer 1,3 GR

cocaine), en/of

- een geldbedrag (van in totaal ongeveer 1050 EUR), en/of

- en/of een of meerdere telefoons,

voorhanden heeft gehad waarin hij verdachte wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat/die bestemd was/waren tot het plegen van die feiten;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 0,39 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 1,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand