Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/068043-26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Datum zitting: 16 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.J. van Santbrink
Officier van justitie: mr. C.G.T. van de Weerd
Benadeelde partij: [slachtoffer 1]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor twee diefstallen. Ten aanzien van het eerste feit wordt hij partieel vrijgesproken van de ten laste gelegde geweldscomponent. Aan hem wordt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren zonder aftrek opgelegd. Na één jaar dient een tussentijdse beoordeling plaats te vinden. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 15 februari 2026 een diefstal met bedreiging van geweld en op 19 februari 2026 een winkeldiefstal heeft gepleegd.
De volledige en ter zitting gewijzigde tenlastelegging houdt in dat:
1.
hij op of omstreeks 15 februari 2026 te Rotterdam
een portemonnee met inhoud en/of Apple airpods, in elk geval enig goed(eren),
dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] ,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld
tegen die [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer 1] dreigend een mes althans puntig voorwerp te tonen;
2.
hij op of omstreeks 19 februari 2026 te Rotterdam
120 stuks Red Bull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Action
Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1 ten laste gelegde diefstal met bedreiging van geweld en de onder 2 ten laste gelegde winkeldiefstal.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde geweldscomponent. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Anders dan de officier van justitie heeft gerekwireerd, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte de aangever [slachtoffer 1] heeft bedreigd met geweld door aan hem een mes, althans een puntig voorwerp te tonen. Dit betekent dat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van de geweldscomponent.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van diefstal gepleegd op 15 februari 2026. Ook is bewezen dat de verdachte op 19 februari 2026 een winkeldiefstal heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer 2]
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 15 februari 2026 te Rotterdam
een portemonnee met inhoud en Apple airpods,
die aan [slachtoffer 1] toebehoorden
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2
hij op 19 februari 2026 te Rotterdam
120 stuks Red Bull
die aan Action Nederland toebehoorden
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
diefstal;
Feit 2
diefstal.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar zonder aftrek.
Standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Zij verzoekt de rechtbank te bepalen dat een tussentijdse beoordeling plaatsvindt.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van goederen uit een auto en een winkeldiefstal. De verdachte heeft blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Daarbij komt dat dit ergerlijke feiten zijn die schade en overlast veroorzaken bij de gedupeerden.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 juni 2026 blijkt dat de verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de reclassering) van 1 juni 2026 staat het volgende.
De verdachte is veelvuldig met justitie in aanraking gekomen en er is sprake van een (hardnekkig) delictpatroon aangaande vermogensdelicten. In 2024 werd het lopend reclasseringstoezicht voortijdig negatief beëindigd. Vervolgens vond in oktober 2024 een gedeeltelijke tenuitvoerlegging plaats waarbij een aanvullende bijzondere voorwaarde (medewerking aan een onderzoek voor een korte klinische opname) werd opgelegd. In februari 2026 werd – omdat de verdachte niet meer bereikbaar was – wederom geadviseerd tot voortijdige negatieve beëindiging van het reclasseringstoezicht.
Er zijn problemen op nagenoeg alle leefgebieden, waarbij met name drugsgebruik (cocaïne en wiet) en het gebrek aan financiën delict gerelateerd zijn. De verdachte is sinds een aantal jaren dakloos. Hij heeft diverse malen in een opvanginstelling verbleven, maar vanwege onder andere drugsgebruik en detenties raakte hij die plekken steeds weer kwijt. De verdachte is eerder gehuwd geweest en heeft kinderen, maar hij heeft sinds enige tijd geen contact meer met hen. Ook is al een geruime tijd geen sprake meer van dagbesteding. De verdachte heeft een daklozenuitkering en schulden.
Gebleken is dat de verdachte in detentie gemotiveerd is voor hulp, maar buiten detentie is het moeilijk voor hem om dit vast te houden, waardoor hij snel terugvalt in drugsgebruik en/of delictgedrag. Ambulante hulpverlening, al dan niet in een gedwongen kader, heeft tot op heden niet geleid tot de afname van recidive of tot een gedragsverandering. De reclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan de verdachte op te leggen.
Oplegging maatregel
ISD-maatregel
De rechtbank legt – conform het advies van de reclassering – aan de verdachte de ISD-maatregel op. Er is voldaan aan alle wettelijke vereisten. De strafbare feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de vijf jaar voorafgaand aan deze feiten ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, zijn gepleegd na tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde straffen. Gezien de problematiek van de verdachte en het feit dat eerdere behandeling en begeleiding onvoldoende hebben geholpen, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal plegen. Vanwege dat herhalingsgevaar eist de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel.
Bij de beslissing tot oplegging van de ISD-maatregel houdt de rechtbank rekening met het grote aantal misdrijven waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld. De verdachte is een zeer actieve veelpleger. Over een periode van vijf jaar zijn processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven tegen de verdachte opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden. Dat betekent dat de vordering van de officier van justitie voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in de richtlijn van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank legt de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hiervan niet afgetrokken. Door de maatregel voor twee jaar op te leggen, wordt de maatschappij langdurig tegen de verdachte beveiligd. Daarnaast kan tijdens deze twee jaar een bijdrage worden geleverd aan de oplossing van de problematiek van de verdachte.
De rechtbank beslist dat na één jaar tussentijds zal worden beoordeeld of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 556,50 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de schade aan de trui. Als de immateriële schade al zou worden toegewezen, wordt verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, met uitzondering van het deel dat ziet op de trui (€ 60,-). De verdediging heeft dit deel namelijk betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop dat gedeelte van de vordering betrekking heeft (de bedreiging met geweld) zal worden vrijgesproken.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 15 februari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 4 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Maatregel
ISD-maatregel
beveelt dat de verdachte voor de feiten wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar;
beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;
bepaalt dat de officier van justitie de rechtbank over één jaar na het onherroepelijk worden van deze uitspraak hierover bericht;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) te betalen een bedrag van € 496,50 bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
15 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1). Bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 496,50 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 4 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 juni 2026.
Mr. V.D. Beenakker is niet in de gelegenheid deze beslissing te ondertekenen.