ECLI:NL:RBROT:2026:13645

ECLI:NL:RBROT:2026:13645

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-06-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 10/238948-25, 10/265350-25, 10/243656-25 en 10/239027-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Dordrecht

Samenvatting

Veroordeling voor brandstichting in een woning en vernieling van de tuinpoort en achterdeur, belaging van zijn ex-partner en vernieling van de ruiten van haar woning, het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 en het verlaten van de plaats van een ongeval, meermalen gepleegd. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt voor de verkeersfeiten een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met aftrek opgelegd. Ook wordt een art. 38v-maatregel opgelegd. De bijzondere voorwaarden en art. 38v-maatregel zijn dadelijk uitvoerbaar. Een deel van de vorderingen van de benadeelde partijen wordt toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10/238948-25, 10/265350-25, 10/243656-25 en 10/239027-25

Datum uitspraak: 11 juni 2026

Datum zitting: 28 mei 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] ,

gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam.

Advocaat van de verdachte: mr. R.L.I. Jansen

Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst

Benadeelde partij (parketnummer 10/238948-25): [slachtoffer 1]

Benadeelde partij (parketnummers 10/265350-25 en 10/243656-25): [slachtoffer 2]

Benadeelde partijen (parketnummer 10/239027-25): [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor zes strafbare feiten: brandstichting in een woning en vernieling van de tuinpoort en achterdeur, belaging van zijn ex-partner en vernieling van de ruiten van haar woning, het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 en het verlaten van de plaats van een ongeval, meermalen gepleegd. Aan hem wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan die voorwaardelijke straf worden meerdere bijzondere voorwaarden gekoppeld: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik. Daarnaast wordt voor de verkeersfeiten een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met aftrek opgelegd. Ook wordt aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) opgelegd, bestaande uit een tweetal contact- en locatieverboden. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel worden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Een deel van de vorderingen van de benadeelde partijen wordt toegewezen. De overige benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van het plegen van zes strafbare feiten. De volledige tenlasteleggingen (na wijziging op 28 mei 2026) staan in bijlage 1. De feiten zijn onderverdeeld in vier dagvaardingen met een eigen parketnummer. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:

- feit 1: brandstichting (10/238948-25);

- feit 2: vernieling (10/238948-25);

- feit 3: vernieling (10/265350-25);

- feit 4: belaging (10/243656-25);

- feit 5: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

(10/239027-25); en

- feit 6: verlaten plaats ongeval (10/239027-25).

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2 en zich ten aanzien van de feiten 3 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 4 is partiële vrijspraak verzocht van het derde en vierde gedachtestreepje, inhoudende het sturen van e-mails naar de aangeefster en het ophouden bij de woning van de ouders van aangeefster, en voor het overige is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 6 is partiële vrijspraak verzocht ten aanzien van het bestanddeel letsel toegebracht aan [slachtoffer 6] en voor het overige is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De standpunten van de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, twee vernielingen, belaging, het weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 en het verlaten van een plaats ongeval, meermalen gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

Feiten 3, 4, 5 en 6

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 3, 4, 5 en 6 (met uitzondering van het letsel van [slachtoffer 6] ) bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

Feit 3

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 2]

3. Proces-verbaal van de politie

Feit 4

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 2]

3. Proces-verbaal van de politie

4. Proces-verbaal van de politie

5. Schriftelijk stuk

Feiten 5 en 6

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 3]

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 7]

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 8]

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 4]

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 5]

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 9]

8. Proces-verbaal van de politie

9. Proces-verbaal van de politie

Bewijsmotivering (feit 4 – verweer partiële vrijspraak)

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de e-mailberichten daadwerkelijk zijn verstuurd nu deze alleen op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen en de aangeefster de e-mailberichten niet heeft genoemd in haar aangifte. De verdachte wordt hiervan partieel vrijgesproken.

Door de verdediging is het ophouden bij de woning van de ouders van de aangeefster niet betwist, maar is ten aanzien van die handeling betoogd dat dit niet stelselmatig is geweest.

De vraag die moet worden beantwoord, is of de bewezen feitelijke gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Bij beoordeling van de stelselmatigheid zijn de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen relevant. Daarnaast dienen de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden, evenals de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, mede in aanmerking te worden genomen. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn in zekere mate communicerende vaten. Het gaat in dat verband niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster door haar veelvuldig te bellen, berichten naar haar te sturen en zich op te houden bij de woning van haar ouders. Deze gedragingen tezamen maken dat de verdachte een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster heeft gemaakt. Voor de bewezenverklaring is dan ook niet vereist dat verdacht zich stelselmatig op heeft gehouden bij de woning van de ouders van aangeefster. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De verdachte verklaart verder dat zijn gedrag was ingegeven door de wens om contact met zijn dochter te bewerkstellingen. De rechtbank merkt te dien aanzien op dat deze beweegreden geen rechtvaardiging biedt voor het gedrag van verdachte en dat overigens uit het dossier ook blijkt dat de berichten die verdachte naar aangeefster zond, zagen op verwijten jegens aangeefster die met (het bewerkstelligen van contact met) de dochter niets van doen hadden.

Uit het door de aangeefster bijgehouden logboek blijkt dat zij de verdachte op 3 augustus 2025 heeft verzocht geen contact te zoeken, de verdachte moet dus – in ieder geval – met ingang van die datum hebben geweten dat de aangeefster geen contact met hem wenste. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van de periode tot 3 augustus 2025.

Feiten 1, 2 en 6 (het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 6] )

De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 6 (letsel van [slachtoffer 6] ) is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotiveringen.

Feiten 1 en 2

1. Verklaring van de verdachte

Het klopt dat ik in de buurt was. Ik ben bij haar voordeur geweest. Ik had waterflesjes bij me.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 1]

Plaats delict: [adres 2] , [postcode 2] Capelle aan den IJssel

Pleegdatum/tijd: op 7 september 2025 om 13:44 uur

Rond 4 uur zag ik een appje van mijn buurmeisje en allemaal gemiste oproepen en toen ben ik tot de ontdekking gekomen dat mijn woning in brand stond.

Als ik weg ga is altijd alles op slot. Gisteren heb ik alles ook zo achter gelaten. De tuinpoort is ook altijd op slot. De achterdeur beneden zit ook altijd op slot. Ik heb een huurwoning bij Havensteder. U vertelt mij dat de poort van de tuin kapot is gemaakt en dat het glas van de achterdeur kapot is.

3. Proces-verbaal van de politie

Op 9 september 2025 omstreeks 16:30 uur belde ik mevrouw [slachtoffer 1] . Zij had eerder die dag vernomen dat haar ex-vriend [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] , was aangehouden.

Op 10 september 2025 verscheen mevrouw [slachtoffer 1] op het politiebureau te Capelle aan den IJssel. Ik toonde haar de camerabeelden, welke beschreven staan in het proces-verbaal voorzien van nummer [nummer proces-verbaal] . Ik hoorde haar zeggen: 'Ja dat is hem. Daarmee bedoel ik [roepnaam verdachte] . Ik zie die flesjes in zijn handen.’

4. Proces-verbaal van de politie

Op 7 september 2025 om 13.45 uur werd ik door het Operationeel Centrum gestuurd naar het [adres 1] te Capelle aan den IJssel. Omstreeks 13.51 kwam ik ter plaatse. Ik zag dat er zwarte rook uit een bovenstaand dakraam aan de bovenzijde de woning kwam. Ik hoorde de bevelvoerder van de brandweer verklaren dat de brand aan de achterzijde van de woning, op straatniveau, had gewoed.

Ik zag dat de poort welke toegang verschaft tot de tuin van de woning op straatniveau open stond. Ik zag dat de poort ingetrapt leek te zijn aangezien het hang- en sluitwerk verbogen was. Ook zag ik dat er een gedeelte van de poort volledig was afgebroken. Ik vroeg aan de bevelvoerder van de brandweer of zij deze poort hadden opengebroken. Ik hoorde hem echter verklaren dat zij de poort niet hadden opengebroken en dat dit al zo was voordat zij ter plaatse kwamen. Ik liep de achtertuin van de woning in en zag dat er een gat in het glas de achterdeur van de woning zat. Ik zag dat direct achter dit gat de vloer van de woning zwartgeblakerd was. Ik vroeg aan de bevelvoerder van de brandweer of zij dit gat hadden aangebracht. Ik hoorde hem verklaren dat toen zij ter plaatse kwamen, het gat in de achterdeur al aanwezig was.

5. Proces-verbaal van de politie

Ik was belast met een opsporingsonderzoek naar aanleiding van een brandstichting, die had plaatsgevonden op 7 september 2025 in een woning die was gevestigd aan het [adres 2] , [postcode 2] in Capelle aan den IJssel. De beelden betroffen de originele beelden afkomstig van een deurbelcamera van een getuige.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 1] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding: 2025-09-07 12:26:57 dat er zich een man in beeld bevond. Ik zag dat de man drie flesjes in zijn hand hield. Ik zag dat de flesjes een blauwe dop hadden. Ik zag dat de flesjes transparant waren. Ik zag dat er zich in de flesjes een doorzichtige vloeibare substantie bevond. Ik zag dat de man zijn rits van zijn jas opende. Ik zag dat de man vervolgens nog twee flesjes in zijn hand droeg.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 3] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding: 2025-09-07 12:28:46 dat zich dezelfde man in beeld bevond. Ik zag dat hij van rechts naar links voorbij de camera liep. Ik zag dat hij een tweetal flesjes in zijn linkerhand droeg.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 4] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding 2025-09- 07 12:57:04 dat zich dezelfde man in beeld bevond. Ik zag dat de man een zwarte helm droeg. Ik zag dat hij van rechts naar links voorbij liep en gelijk weer terug. Ik zag dat hij rechts uit beeld liep. Ik zag dat de man niks in zijn handen droeg. Ik zag dat hij met beide handen de onderkant van zijn jas vasthield.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 5] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding 2025-09-07 13:15:33 dat zich dezelfde man in beeld bevond. Ik zag dat de man een zwarte helm droeg. Ik zag dat hij van rechts naar links liep. Ik zag dat hij tussen twee voertuigen doorliep en dat hij links uit beeld liep. Ik zag dat hij twee flesjes in zijn handen droeg.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 6] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding 2025-09-07 13:19:25 dat zich dezelfde man in beeld bevond. Ik zag dat de man een zwarte helm droeg. Ik zag dat hij van rechts naar links voorbij liep. Ik zag dat hij een zwart shirt onder zijn jas droeg. Ik zag dat de man gelijk weer terug liep. Ik zag dat hij rechts uit beeld liep. Ik zag dat hij twee flesjes in zijn handen droeg.

Ik zag dat het volgende bestand werd aangeleverd in een bestandenmap voorzien van

naam: [naam bestand 7] . Ik zag dat het volgende bestand werd verstrekt voorzien van naam: [naam bestand 2] . Ik zag op de beelden met tijdsaanduiding 2025- 09-07 13:27:03 dat zich een snorfiets in beeld bevond. Ik zag dat zich een persoon op de snorfiets bevond. Ik kan de persoon als volgt omschrijven:

- zwart shirt,

- blauwe spijkerbroek,

- zwarte helm.

6. Proces-verbaal van de politie

Ik herken de persoon op videofilmpje 2 [naam bestand 1] / [naam bestand 2] , de persoon op videofilmpje 3 [naam bestand 3] / [naam bestand 2] , de persoon op videofilmpje 4 [naam bestand 8] / [naam bestand 2] , de persoon op videofilmpje 5 [naam bestand 4] / [naam bestand 2] , de persoon op videofilmpje 6 [naam bestand 5] / [naam bestand 2] , de persoon op videofilmpje 7 [naam bestand 9] / [naam bestand 2] en de persoon op videofilmpje 8 [naam bestand 9] / [naam bestand 10] als:

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum 1] 1991

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als opsporingsambtenaar binnen de afdeling

huiselijk geweld team oost. Op 9 september 2025 hoorde ik de verdachte in een verdachtenverhoor. Ik herkende de man die zich tegenover mij bevond als zijnde de verdachte die ik op de aangeleverde beelden zag. Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken.

Ik herkende de persoon aan zijn uiterlijke kenmerken:

- mannelijk persoon,

- ongeveer 30 jaar,

- donker gemillimeterd haar,

- slank.

Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij:

- specifieke stand van zijn ogen,

- wit/grijze accenten in zijn baard.

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige]Op 7 september 2025 om 14:30 uur verhoorden wij de getuige. Zij verklaarde:

Op 7 september 2025 tussen 13.20 uur en 13.25 uur kwam ik thuis. Bij mijn buren op huisnummer [huisnummer X] zag ik dat de poort open stond. Ik vond dit erg raar, want mijn

buurvrouw heeft echt nooit de poort open staan. Deze is altijd hermetisch afgesloten. Ik zag dat er een jongen in de tuin liep van mijn buurvrouw. Ik zag dat de

jongen in de tuin bij haar achtergevel liep. Vervolgens ben ik naar binnen gegaan. Ik ben toen even naar de container gelopen. Toen ik terugliep zag ik diezelfde jongen keihard op een donker kleurige scooter aan komen rijden. Ik zag dat hij de scooter op het stoepje voor haar woning achter de schuren neer zette. Omstreeks 13.35 uur ging ik naar mijn tuin om nog even in de zon te zitten. Op het moment dat ik nog heel even binnen was hoorde ik een geluid dat ik het beste kan omschrijven alsof er iets ingetrapt werd. Op het moment dat ik de tuin in liep om te gaan kijken zag ik dat er vlammen uit het bovenlicht boven de tuindeur kwamen. Ik zag ook een hoop zwarte rook uit het tuimelraam op de eerste verdieping komen.

De jongen die ik in de tuin zag kan ik als volgt omschrijven:

- licht getint, mogelijk Pakistaans/Indisch;

- ongeveer 27 a 28 jaar oud;

- ongeveer 175 cm;

- normaal postuur;

- blauwe spijkerbroek;

- beige/grijs vest of bodywarmer;

- donkere haarkleur, kort geknipt;

- donkere helm;

- reed op een donkere scooter.

Mijn videodeurbel heeft de jongen meerdere malen gefilmd. Deze beelden zal ik u ter beschikking stellen voor het onderzoek.

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige]Op 10 september 2025 sprak ik telefonisch met getuige [naam getuige] . Daarnaar gevraagd verklaarde zij het volgende:

Onze woningen zijn maisonnette woningen. Ik woon op nummer [huisnummer Y] op de begane grond met een tuin. Mijn woning is direct gelegen naast nummer [huisnummer X] , waar de brand was. Boven nummer [huisnummer X] bevindt zich nummer [huisnummer Z] en boven mij bevindt zich nummer [huisnummer A] . Ten tijde van de brand was ik thuis. Ik weet ook dat de bewoners van nummer [huisnummer Z] en [huisnummer A] thuis waren ten tijde van de brand. Ik heb namelijk gezien dat zij door de politie en brandweer uit hun woningen werden gehaald.

9. Proces-verbaal van de politie

Op 8 september 2025 omstreeks 11:30 uur kwamen wij, naar aanleiding van een

brand, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] , [postcode 2] te Capelle aan den IJssel.

Omschrijving onderzoekslocatie

De woning betreft een hoekwoning met een tuin aan de achterzijde. De woning was voorzien van twee voordeuren, namelijk op de begane grond te bereiken vanaf een overdekte parkeergelegenheid en op de eerste etage vanaf een galerij. De achterdeur van de woning is te bereiken vanuit de tuin. De tuin was te bereiken middels een houten tuinpoort aan de linker zijde van de woning.

Brandschade

Wij zagen vanuit de tuin dat de ruit van de achterdeur met een houtenplaat was

afgedicht. Wij zagen dat het uitzetraam boven de achterdeur op een kier stond en dat

hieromheen schade was ontstaan door hitte rook en roet. Wij zagen namelijk

aantasting door hitte aan de verflaag, het hout van het kozijn en beroeting op de

glazenruit. Op de achterdeur zagen wij enkel aan de bovenzijde wat geringe roetafzetting. Wij zagen binnen dat de meeste schade door vuur en hitte zich bevond in de woonkamer aan de binnenzijde van de achterdeur. Wij zagen dat het hout van de

deur verkoold was. Deze verkoling werd minder in de richting van de bovenzijde van de deur. Wij zagen dat de glazenruit van de achterdeur verbroken was. Wij zagen dat dit dubbelglas betrof wij zagen dat deze ruit zwart geblakerd was. Wij zagen dat er op

een hoogte, gezien vanaf de vloer, tussen de circa 35 centimeter tot circa 100 centimeter beide ramen van het dubbelglas verbroken waren waardoor er een opening in de ruit was ontstaan.

In de gehele woning zagen wij ernstige schade ontstaan door rook en roet. Wij zagen namelijk dat de rook en roet zich had verspreid via de trapopgang waardoor ook op de

eerste etage schade was ontstaan door rook en roet.

Overige schade

Aan de zijkant van de woning zagen wij braakschade aan de houten tuindeur. Wij zagen dat er een plank van de houten tuindeur van de tuinschutting losgeraakt was en op de grond lag. Wij zagen op deze plank een afgebroken deel van het overvalslot. Wij zagen dat het andere deel van het overvalslot nog op de schutting aanwezig was en was vergrendeld met een hangslot. Wij zagen geen sporen passend bij breekwerktuigen.

Nadat wij de houten afdichting van de achterdeur van de woning hadden verwijderd zagen wij glasbreuken ontstaan na geweldsinwerking en glasbreuken passend bij hitte inwerking. Breuken ontstaan door geweldsinwerking vertonen radiale- en concentrische breuklijnen met op de breukvlakken ribmarks (specifieke halfronde structuren). Wij zagen buiten op de tegel in de tuin, glasscherven overduidelijk voorzien van deze ribmarks. Tevens zagen wij dat deze glasscherven onberoet waren, passend bij een glasbreuk ontstaan voorafgaande de brand en de ontwikkeling van rook en roet.

De brandhaard had zich bevonden in de woonkamer tegen de achterdeur en/of het gordijn voor de achterdeur.

Tijdens ons onderzoek werden wij bijgestaan door [persoon A] speurhondengeleider van de Landelijke Eenheid en zijn hond. De hond maakte

melding aan de onderzijde van de achterdeur. Aan de binnenzijde van de achterdeur in de woonkamer, daar waar de brand was ontstaan (de brandhaard) werd in de betonvloer

onder de verbrande resten een veel sterkere indicatie verkregen voor de aanwezigheid

van een ontbrandbare vloeistof. Wij roken in het betongruis een geur passend bij de

geur van benzine. Door ons werden resten van de vloer betongruis veiliggesteld SIN: AASM0342NL voor nader onderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut.

De plaats van aantreffen doet vermoeden dat er een ontbrandbare vloeistof, door een gat in de ruit van achterdeur, naar binnen werd gegoten. Maar het naar binnen gieten van een ontbrandbare vloeistof door het geopende uitzetraam boven de achterdeur zou ook mogelijk zijn.

Een technische oorzaak voor de brand werd uitgesloten.

Bij deze brand is er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest (opgetreden), dan wel/mogelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten

geweest.

- er werden meerdere goederen in de woning verteerd door hitte en vuur;

- er bestond nog reëel gevaar voor verdere uitbreiding van de brand zonder ingrijpen

van de brandweer;

- bij een brand ontstaan giftige hete rookgassen die zich kunnen verspreiden in de

omgeving en naar omliggende woningen;

- ten tijde van deze brand werden er door de brandweer woningen ontruimd;

- het gebruik van een ontbrandbare vloeistof kan de ontwikkeling van een brand

dusdanig versnellen dat normale berekeningen (brandoverslag/ branddoorslag) ten

behoeven van brandpreventie niet meer van toepassing zijn.

10. Deskundigenverslag

Feiten 6 (het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 6] )

1. Verklaring van de verdachte

Het klopt dat [kentekennummer] mijn kenteken is en dat ik tegen een aantal auto’s ben aangereden.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 3]Pleegdatum/tijd: tussen 20 augustus 2025 om 12:54 uur en 13:57 uur.

Ik reed samen met mijn vrouw [slachtoffer 6] en zij is geboren op [geboortedatum 2] 1945. Wij reden over de Zevenkampseweg te Rotterdam. Ik zag een donkerkleurige Audi A3 rijden over de Zevenkampseweg. Hij reed vervolgens tegen mijn auto aan, dit was tegen mijn rechterflank. Ik heb hier veel schade aan overgehouden en ik kon het kenteken nu wel zien van de Audi. Dit betrof het Nederlandse kenteken [kentekennummer] .

3. Proces-verbaal van de politie

Op 12 maart 2026 werd aan mij gevraagd of ik het letsel kon omschrijven van het slachtoffer [slachtoffer 6] . Door de collega's is er op locatie foto's gemaakt waaronder ook van het letsel.

Ik was tijdens het incident ook betrokken als dienstdoende agent. Ik zag dat het slachtoffer, de bijrijder mevrouw [slachtoffer 6] , aanzienlijk letsel had aan haar rechter pols en hand. Ik zag dat het slachtoffer bloeduitstortingen had op haar hand en pols. Ik zag dat haar pols over horizontaal een flinke snee had en dat het huid naar buiten was geslagen. Ik zag dat dit ook hevig aan het bloeden was. Ik zag dat het slachtoffer op haar hand, aan de bovenzijde, ook een diepe snee had en dat dit ook hevig aan het bloeden was.

Gewond

Achternaam: [achterenaam slachtoffer 6]

Voornamen: [voornamen slachtoffer 6]

Geboortedatum: [geboortedatum 3] 1945

Bewijsmotivering (feiten 1 en 2)

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verdachte erkent rondom het tijdstip van de brandstichting in de buurt van de woning van de aangeefster te zijn geweest, maar dat maakt hem niet automatisch degene die brand heeft gesticht. Getuige [naam getuige] heeft een signalement geschetst van degene die ze in de tuin van de buren heeft zien staan, maar het is volgens de verdediging niet duidelijk of zij hiervoor uit eigen herinnering put of dat zij de persoon heeft beschreven die zij mogelijk reeds voor haar verklaring op de camerabeelden van haar deurbel zou hebben gezien.

De verdachte heeft – pas ter zitting – een alternatief scenario geschetst. Kort gezegd heeft hij verklaard dat hij op bezoek wilde gaan bij aangeefster om een joint te roken. Hij erkent dat hij waterflesjes bij zich had.

Naar het oordeel van de rechtbank is het alternatieve scenario onaannemelijk. Pas na kennisneming van het volledige dossier erkent de verdachte dat hij in de buurt van de woning was. Dit kan ook niet anders nu hij op de camerabeelden, gemaakt door de deurbel van de buurvrouw, duidelijk zichtbaar is. Anders dan door de verdediging is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het door getuige [naam getuige] geschetste signalement van de persoon die in de tuin van de aangeefster bij de achtergevel liep, een ‘verse’ herinnering moet zijn geweest. Zij heeft deze verklaring immers al binnen drie kwartier nadat de verbalisanten ter plaatse kwamen, afgelegd.

Getuige [naam getuige] zag deze persoon bij de achtergevel van de woning, de brandhaard was bij de achterdeur van de woning én de verdachte had ter plaatse flesjes met vloeistof bij zich. Alles bij elkaar genomen leidt dit tot het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de brand heeft gesticht en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.

Bewijsmotivering (feit 6 – letsel ten aanzien van [slachtoffer 6] )

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken voor zover de beschuldiging het letsel betreft van [slachtoffer 6] . Het enkel overleggen van een foto waarop letsel aan een arm/pols te zien is, is onvoldoende voor een bewezenverklaring. In de aangifte van haar man, die samen met haar in de auto zat, is niets opgenomen over het letsel, evenmin bevat het dossier een medische verklaring of een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het letsel aldaar ter plaatse is waargenomen.

Dit verweer wordt verworpen. Het is slordig te noemen dat in het proces-verbaal van bevindingen eindigend op -7 niet is opgenomen op welke datum, tijdstip en locatie de verbalisant het letsel bij [slachtoffer 6] heeft waargenomen, maar de rechtbank is van oordeel dat dit uit het dossier kan worden afgeleid. Gelet op de fotobijlagen bij voornoemd proces-verbaal, met hetzelfde proces-verbaalnummer als het proces-verbaal van aangifte, waarop het letsel en de beschadigde auto’s te zien zijn, en het proces-verbaal van de aangifte door [slachtoffer 3] , waarin staat dat hij met zijn vrouw in de auto zat toen de Audi A3 met kenteken [kentekennummer] tegen de rechterflank van zijn auto reed, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het letsel van [slachtoffer 6] is toegebracht door het ongeval dat verdachte heeft veroorzaakt.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1

hij op 7 september 2025 te Capelle aan den IJssel,

opzettelijk

brand heeft gesticht, door

open vuur in aanraking te brengen met benzine ten gevolge waarvan de woning aan de [adres 2] te Capelle aan den

IJssel en de daarin aanwezige goederen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in

elk geval in voornoemde woning brand is ontstaan,

terwijl daarvan:

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de naastgelegen/omringende

woningen en de daarin aanwezige goederen en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

de aanwezige personen in voornoemde woning en de aanwezige personen in de

naastgelegen/omringende woningen te duchten was;

Feit 2

hij op 7 september 2025 te Capelle aan den IJssel,

opzettelijk en wederrechtelijk

een tuinpoort en de achterdeur, die aan [slachtoffer 1] en/of Havensteder, toebehoorden

heeft vernield;

Feit 3

hij op 28 juli 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk de

ruiten van de woning, die aan [slachtoffer 2] ,

toebehoorden heeft vernield;

Feit 4

hij in de periode van 3 augustus 2025 tot en met 8 september 2025 in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,

door:

- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer 2] en

- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer 2] en

- zich op te houden bij de woning van de ouders van die [slachtoffer 2] ,

met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, te dulden en

vrees aan te jagen;

Feit 5

hij op 20 augustus 2025 te Rotterdam, als degene tegen wie

verdenking was gerezen als bestuurder

van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem

gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij

regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen

ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen

en geen medewerking daaraan heeft verleend

Feit 6

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken was geweest bij verkeersongevallen die hadden plaatsgevonden

in Rotterdam en Capelle aan den IJssel op/aan

de Zevenkampse Ring te Rotterdam en het Pulsi Balonishof te Capelle

aan den IJssel,

op 20 augustus 2025

de (voornoemde) plaatsen van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij de ongevallen, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

aan anderen (te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en

[slachtoffer 8] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2]

en [slachtoffer 6] ) letsel en/of schade was toegebracht.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Feit 2

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 4

belaging;

Feit 5

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 6

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en/of b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, het inspannen voor dagbesteding, beheersing van middelengebruik en een contactverbod met de dochter van de verdachte. Daarnaast moet aan de verdachte voor de feiten 5 en 6 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met aftrek worden opgelegd. Verder wordt oplegging van een 38v-maatregel voor de duur van 5 jaar, inhoudende een contactverbod (direct én indirect) met mevrouw [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de Zoutmanstraat te Dordrecht, de Pulsi Balonishof te Capelle aan den IJssel en de Jan de Geusrede te Capelle aan den IJssel, alsmede een contactverbod (direct én indirect) met mevrouw [slachtoffer 1] en een locatieverbod tussen het Hollandsch Diep, de Westerlengte, de Keerkring en het Atolpad te Capelle aan den IJssel gevorderd. Per overtreding dient 2 weken hechtenis te worden opgelegd, met een maximum van 6 maanden. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Extra straf zou kunnen worden opgelegd in voorwaardelijke zin. Verder wordt uitdrukkelijk verzocht geen contactverbod met de dochter van de verdachte op te leggen.

Ten aanzien van het deel van de artikel 38v-maatregel dat ziet op [slachtoffer 2] is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het deel dat ziet op [slachtoffer 1] is primair afwijzing verzocht wegens de bepleite vrijspraak voor de feiten 1 en 2. Subsidiair is aangevoerd dat er tot op heden wederkerig contact is tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en dat er daarom geen noodzaak bestaat voor een dergelijke maatregel. Meer subsidiair is aangevoerd dat een periode van 5 jaar onevenredig lang is en er geen reden bestaat om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

In de periode van 28 juli 2025 tot 7 september 2025 heeft de verdachte zes strafbare feiten gepleegd.

De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer 2] belaagd en de ruiten van haar woning vernield. Het was de verdachte al meerdere malen uitdrukkelijk duidelijk gemaakt dat hij geen contact met zijn ex-partner mocht zoeken, maar toch ging hij daarmee door. Met zijn handelen heeft de verdachte op zeer ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner. De impact die dat heeft gehad op de ex-partner en hun dochter volgt ook uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen.

Ongeveer een maand later heeft de verdachte brand gesticht in de woning van de aangeefster [slachtoffer 1] en op datzelfde moment de tuinpoort en achterdeur vernield. De impact van het incident is door mevrouw [slachtoffer 1] in haar schriftelijke slachtofferverklaring verwoord. De brandstichting heeft haar hele leven veranderd en de gevolgen daarvan drukken zwaar op haar. De verdachte heeft met zijn handelen onaanvaardbare risico’s genomen en levens op het spel gezet. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Enkele weken later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, terwijl hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat hij schade aan meerdere auto’s en letsel aan mevrouw [slachtoffer 6] had veroorzaakt. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht en zich niet heeft bekommerd om slachtoffers. Dit getuigt van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Bovendien heeft hij geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarmee heeft hij de strafrechtelijke handhaving van het verbod om een voertuig onder invloed van verdovende middelen te besturen - welk verbod is gegeven ter bevordering van de verkeersveiligheid - belemmerd.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 28 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen 5 jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van GZ-psycholoog drs. [persoon B] van 18 maart 2026 staat het volgende.

De verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij is lijdende aan psychische stoornissen in de zin van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken, een stoornis in het gebruik van cannabis (in remissie) en een psychotische stoornis door cannabis (in remissie). Ook ten tijde van het ten laste gelegde was er bij de verdachte sprake van de hierboven genoemde psychische stoornissen.

Gezien de ontkennende houding van de verdachte ten aanzien van de hem ten laste gelegde

belaging/stalking en brandstichting (en vernieling) is het niet mogelijk geweest om na te

gaan wat voorafgaand aan – en ten tijde van deze ten laste gelegde feiten – precies zijn

gevoelens, gedachten en beweegredenen zijn geweest. Aan alle ten laste gelegde feiten lijkt dezelfde psychische dynamiek ten grondslag te liggen. In alle gevallen lijkt de verdachte, vanwege zijn – als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis – beperkte coping, niet goed in staat te zijn geweest om de bij hem al langer bestaande negatieve gevoelens (van gekrenktheid, frustratie en boosheid) adequaat te hanteren/controleren, en lijkt hij deze via de hem ten laste gelegde feiten min of meer te hebben uitgeageerd (indien bewezen geacht). Bij de totstandkoming van de ten laste gelegde vernieling (juli 2025) en de daaropvolgende ten laste gelegde belaging/staling (juli-september 2025) heeft mogelijk ook meegespeeld dat

de verdachte, vanwege zijn – als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis – egocentrische perspectief en beperkte inlevingsvermogen, minder goed in staat is geweest om het grensoverschrijdende van zijn gedrag in te zien. Wat betreft het ten laste gelegde verlaten van de plaats van een ongeval en negeren van een ambtelijk bevel (augustus 2025) kan worden opgemerkt dat het door de verdachte op dat moment getoonde rijgedrag doet vermoeden dat hij toen ook onder invloed was. Of dit daadwerkelijk zo was, is evenwel onbekend. Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat aan de ten laste gelegde vernieling en brandstichting (september 2025) mogelijk ook psychotische motieven ten grondslag hebben gelegen. Het voorgaande leidt tot het advies om de verdachte de hem ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen.

Indien geen behandeling zou plaatsvinden, wordt zowel de kans op herhaling van stalking als de kans op herhaling van algeheel grensoverschrijdend of agressief gedrag ingeschat als matig tot hoog (ofwel als bovengemiddeld).

Teneinde het recidiverisico zoveel mogelijk te beperken, is het aangewezen dat de verdachte behandeling ondergaat, waarbinnen primair ingezet wordt op een blijvend behoud van abstinentie van middelen, en daarnaast ook op psycho-educatie en het versterken van de copingvaardigheden. Gedacht wordt daarbij aan een ambulante behandeling, uitgevoerd door een forensisch-psychiatrische (verslavings)instelling, waarbij tevens aandacht dient uit te gaan naar het sociaal-maatschappelijk functioneren van de verdachte (op het gebied van wonen, werk en financiën). De verdachte heeft een beperkt zelfreflecterend vermogen en ziekte-inzicht, en is niet intrinsiek voor een behandeling gemotiveerd. De geadviseerde behandeling lijkt slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen kader. Het advies is daarom om de ambulante behandeling bij een forensisch-psychiatrische (verslavings)instelling als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.

In het rapport van Reclassering Nederland van 24 maart 2026 staat het volgende.

Gelet op de aard van de ten laste gelegde delicten zouden eventuele risico verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden relaties/sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren waarbij bij het laatste gedacht moet worden aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan. Anderhalf jaar geleden heeft de verdachte een verkeersongeluk gehad waarna hij verzorgd werd door zijn ouders en zij hebben hem ook financieel ondersteund tot hij een voorschot van de schadevergoeding voor het ongeluk kreeg. Sinds het ongeluk is de verdachte niet in staat geweest te werken en een uitkering wilde hij niet. De verdachte voelt zich inmiddels weer in staat om te gaan werken. Zowel de steun die hij van zijn ouders ontvangt als het feit dat hij weer in staat is om te gaan werken kan gezien worden als beschermende factoren.

Doordat de verdachte de tenlasteleggingen beschrijft als privékwesties en er om die reden weinig over wil zeggen kunnen er geen concrete uitspraken worden gedaan over delict gerelateerde factoren of een direct verband worden gelegd tussen de tenlastelegging en de diverse leefgebieden.

Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.

Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld.

Het risico op onttrekken aan voorwaarden kan niet worden ingeschat.

Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de onderstaande bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering (na afspraak), ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , locatieverbod voor hun woonadressen, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik. Ook wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de adviezen van Reclassering Nederland van 11 september 2025 en 9 december 2025 en de rapporten consult strafrechtspleging van

14 oktober 2025 en 25 november 2025.

Op basis van het rapport van GZ-psycholoog drs. [persoon B] stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte psychische stoornissen bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Verzoek nader psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek Gelet op de inhoud van de hierboven vermelde rapportages ziet de rechtbank geen noodzaak voor het door de officier van justitie gesuggereerde nader psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek.

Oplegging straffen en maatregel

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de strafsoort en duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen reden om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een dergelijke strafoplegging doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering (na afspraak), ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, dagbesteding en beheersing middelengebruik. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 wordt tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met aftrek opgelegd.

Gelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

Een contactverbod met de dochter, zoals gevorderd door de officier van justitie, acht de rechtbank te vergaand, ook nu dit in strijd kan komen met het belang van het kind. Dat laat echter onverlet dat de verdachte zich moet houden aan het contactverbod met zijn ex-partner en daarom de juridisch formele weg moet blijven volgen om te bezien of het mogelijk is om in contact te kunnen treden met zijn dochter.

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)

Om de maatschappij te beveiligen en strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 5 jaar. Deze maatregel houdt in een contactverbod met [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor haar woonadres, het adres van haar ouders en het adres van de school van haar dochter, alsmede een contactverbod met [slachtoffer 1] en een gebiedsverbod tussen het Hollandsch Diep, de Westerlengte, de Keerkring en het Atolpad te Capelle aan den IJssel (bijlage 2).

Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 2 weken, met een totale duur van maximaal 6 maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er – ook gelet op het rapport van de psycholoog en de reclassering – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, in het bijzonder door zich belastend te gedragen ten aanzien van de aangeefsters. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vordering van de benadeelde partijen

Vordering [slachtoffer 1]

heeft als benadeelde partij voor de feiten 1 en 2 € 741,92 als vergoeding voor materiële schade en € 750,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan integraal worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

Primair is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de hotelkosten moeten worden gematigd en voor het overige is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 1 en 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat zij nog steeds last heeft van slaapproblemen en dat zij zich zo onveilig voelt dat zij met moeite in haar eentje naar buiten gaat. Zij leeft sinds het voorval in een isolement. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt toegewezen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 7 september 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [slachtoffer 2]

heeft als benadeelde partij voor de feiten 3 en 4 € 1.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan integraal worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

Er is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 3 en 4 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Benadeelde sliep maandenlang slecht, verkeerde in een staat van verhoogde

alertheid en voelde zich structureel onveilig. Die schade wordt naar billijkheid begroot op

€ 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt integraal toegewezen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 28 juli 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op

€ 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [slachtoffer 3]

heeft als benadeelde partij voor feit 6 € 4.499,08 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

In de eerste vordering van [slachtoffer 3] is een bedrag van € 6.134,22 aan materiële schade gevorderd en in de tweede vordering is een bedrag van € 4.499,08 aan materiële schade gevorderd. De eerste vordering is ondertekend. In de tweede vordering ontbreekt een handtekening. Het bedrag dat in de tweede vordering is opgenomen kan worden gelezen in de eerste ondertekende vordering en integraal worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd. Het is onduidelijk in welk merk en type auto hij reed en wat de precieze schade aan de auto is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

Vordering [slachtoffer 4]

heeft als benadeelde partij voor feit 6 € 1.440,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

Het bedrag van € 1.440,-, de niet vergoede schade aan zijn auto, kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij lijkt geen vordering meer te hebben omdat zijn schade, conform zijn eigen toelichting, volledig lijkt te zijn vergoed.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 6 gepleegde strafbare feit. Het lijkt er op dat deze schade reeds is vergoed. De opgevoerde hogere verzekeringspremie is niet gesubstantieerd meegenomen in de vordering en daarmee niet voldoende onderbouwd. De vordering wordt in zijn geheel afgewezen.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

Vordering [slachtoffer 5]

heeft als benadeelde partij voor feit 6 € 6081,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering kan integraal worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

In de vordering zijn verschillende bedragen opgenomen over de dagwaarde van de auto en de vergoeding die zij vanuit de verzekering zou hebben gekregen. Het uitzoeken van de precieze schade vergt veel tijd en dat brengt daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, zodat zij de mogelijkheid heeft haar vordering nader te onderbouwen en deze bij de civiele rechter aan te brengen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 157, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 12 (twaalf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als

voorwaarden dat de verdachte:

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht)

legt de verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaar, inhoudende dat de verdachte:

1a. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 4] 1989, gedurende 5 jaar na de datum van dit vonnis;

1b. zich niet bevindt in de Zoutmanstraat te Dordrecht, de Pulsi Balonishof te Capelle aan den IJssel en de Jan de Geusrede te Capelle aan den IJssel, gedurende 5 jaar na de datum van dit vonnis;

2a. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 5] 1991, gedurende 5 jaar na de datum van dit vonnis;

2b. zich niet bevindt in het gebied tussen het Hollandsch Diep, de Westerlengte, de Keerkring en het Atolpad te Capelle aan den IJssel, gedurende 5 jaar na de datum van dit vonnis (bijlage 2).

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

ontzegt de verdachte voor de feiten 5 en 6 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;

Vorderingen benadeelde partij [slachtoffer 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 1.491,92, bestaande uit € 741,92 als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 7 september 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 1.491,92 te betalen, en de wettelijke rente vanaf

7 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 14 (veertien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

Vorderingen benadeelde partij [slachtoffer 2]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 3 en 4), te betalen een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit een vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 28 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-;

legt aan de verdachte voor de feiten 3 en 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de staat € 1.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 28 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 (tien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

Vorderingen benadeelde partij [slachtoffer 3]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 6);

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-;

Vorderingen benadeelde partij [slachtoffer 4]

wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 6);

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-;

Vorderingen benadeelde partij [slachtoffer 5]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 6);

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Terstegge, voorzitter,

en mrs. E. Boersma en B.R.D. Hoebeke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 juni 2026.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

10/238948-25

1.

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Capelle aan den IJssel,

opzettelijk

brand heeft gesticht, door

open vuur in aanraking te brengen met benzine, in elk geval een brandbare

(vloei)stof, ten gevolge waarvan de woning aan de [adres 2] te Capelle aan den

IJssel en/of de daarin aanwezige goederen, geheel of gedeeltelijk is/zijn verband, in

elk geval nabij/in voornoemde woning brand is ontstaan,

terwijl daarvan:

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de naastgelegen/omringende

woningen en de daarin aanwezige goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

de aanwezige personen in voornoemde woning en/of de aanwezige personen in de

naastgelegen/omringende woningen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Capelle aan den IJssel,

opzettelijk en wederrechtelijk

een tuinpoort en/of de achtedeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] en/of Havensteder, toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

10/265350-25

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk de

ruiten van de woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een

ander, te weten [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar

gemaakt en/of weggemaakt;

10/243656-25

hij in de periode van 28 juli 2025 tot en met 8 september 2025 te Rotterdam en/of

Capelle aan den IJssel,

althans in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,

door:

- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer 2] en/of

- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer 2] en/of

- e-mails te sturen naar die [slachtoffer 2] en/of

- zich op te houden bij de woning van de ouders van die [slachtoffer 2] ,

met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of

vrees aan te jagen;

10/239027-25

1.

hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Rotterdam, in elk geval in

Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder

van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem

gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij

regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen

ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen

en/of geen medewerking daaraan heeft verleend

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden

in Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland op/aan

de Zevenkampse Ring te Rotterdam en/of het Pulsi Balnishof te Capelle

aan den IJssel,

op of omstreeks 20 augustus 2025

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

aan één of meer ander(en) (te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 7] en/of

[slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 6] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Bijlage 2 – 38v-maatregel locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand