RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2] &
[nummer 3] – [nummer 4]
Vonnis van 9 oktober 2026
op het verzoek van
[verzoeker] en [verzoekster],
wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 12 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Infinance Krediet Services B.V., in behandeling bij Havenstad Gerechtsdeurwaarders (hierna: Infinance Krediet Services);
die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 25 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
Infinance Krediet Services is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Schuldhulpverlening heeft op 29 september 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De uitspraak was aanvankelijk bepaald op 2 oktober 2026. De rechtbank zag in de aanvullende stukken van 29 september 2026 aanleiding om nadere vragen te stellen. Schuldhulpverlening heeft daarop bij bericht van 5 oktober 2026 gereageerd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift twaalf schuldeisers, waarvan één preferente en elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 193.599,91 van verzoekers te vorderen.
Verzoekers hebben bij brief van 15 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,92% aan de preferente schuldeiser en 4,46% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast betrof op dat moment € 195.099,91 en deze is derhalve lager geworden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekers is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van het dienstverband van verzoeker. Verzoeker werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Verzoekster is op dit moment wegens gezondheidsproblemen niet in staat om arbeid te verrichten. Uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster al enkele jaren in behandeling is voor psychische en fysieke klachten.
De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Schuldhulpverlening heeft ter zitting toegelicht dat gedurende het minnelijk traject nog geen reserveringen hebben kunnen plaatsvinden ten behoeve van de aangeboden regeling vanwege het loonbeslag dat door een van de schuldeisers is gelegd op het inkomen van verzoeker en dat zodra dit beslag is opgeheven, verzoekers gedurende een periode van 18 maanden zullen gaan sparen. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Schuldhulpverlening heeft in haar bericht van 5 oktober 2026 nader toegelicht dat als het prognoseakkoord wordt toegewezen, zij gedurende de looptijd van de schuldregeling een hercontrole na negen maanden en een hercontrole na 18 maanden zal uitvoeren en dat tijdens beide momenten ook zal worden getoetst of verzoekster voldoet aan haar inspanningsverplichting.
Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden door de beschermingsbewindvoerder voldaan.
Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Infinance Krediet Services stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 105.049,38 op verzoekers, die 54,3% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft Infinance Krediet Services verzocht om een nadere onderbouwing van het gedane voorstel. Daarbij heeft zij toegelicht dat haar vordering circa 54% van de totale schuldenlast bedraagt en dat zij, aangezien betaling uitbleef, een kostbare procedure heeft moeten voeren. Verzoekers hebben in der minne geen enkele betaling verricht en dit geeft volgens Infinance Krediet Services blijk van weinig bereidheid in het verleden tot het voldoen van de vordering. Voorts heeft Infinance Krediet Services in haar correspondentie met schuldhulpverlening vragen gesteld over de arbeidsongeschiktheid van verzoekster, onder meer waarom verzoekster niet in staat kan worden geacht om (fulltime) arbeid te verrichten.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Infinance Krediet Services geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Infinance Krediet Services bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Infinance Krediet Services in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Infinance Krediet Services een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 54,3%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk elf van de twaalf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Verzoekster beschikt op dit moment niet over betaalde arbeid. De rechtbank acht het, op basis van het verhandelde ter zitting en de (aanvullend toegezonden) stukken, aannemelijk dat verzoekster wegens gezondheidsproblemen op dit moment niet in staat is om arbeid te verrichten en dit ook niet binnen afzienbare tijd zal kunnen gaan doen. Schuldhulpverlening heeft in haar bericht van 5 oktober 2026 toegelicht dat de inspanningsverplichting van verzoekster zal worden gecontroleerd bij de periodieke hercontroles. Hierdoor is voldoende aannemelijk dat verzoekster, voor zover mogelijk, zich tot het uiterste zal moeten inspannen om zoveel mogelijk afloscapaciteit te realiseren voor haar schuldeisers. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekers het maximale ten behoeve van hun schuldeisers zullen afdragen, is voldaan. Verzoekers staan onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekers van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekers zouden kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie hun schuldenproblematiek willen oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Infinance Krediet Services, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Infinance Krediet Services te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Infinance Krediet Services zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekers niet zijn bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat hun niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat de subsidiaire verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zullen worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Infinance Krediet Services om in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Infinance Krediet Services in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.