RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11950157 CV EXPL 25-23670
datum uitspraak: 9 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A] , die mede handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
gemachtigde: Te-Recht Gerechtsdeurwaarders & Incasso B.V.,
tegen
Financial Advising & Services B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. C.P. de Putter.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘FAS’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 21 oktober 2025, met bijlagen;
de incidentele conclusie tot zekerheidstelling op grond van artikel 477a, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
het antwoord in het incident, met bijlagen;
het vonnis in het incident van 20 maart 2026;
de akte van [persoon A] , met een bijlage;
de akte uitlaten van FAS;
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
de conclusie van repliek, met bijlagen;
de conclusie van dupliek.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Door [persoon A] is executoriaal derdenbeslag gelegd onder FAS. FAS heeft een verklaring afgelegd. Deze verklaring wordt door [persoon A] betwist. In de hoofdzaak vordert [persoon A] dat FAS wordt veroordeeld om aan [persoon A] te betalen of af te geven hetgeen volgens de vaststelling van de rechter aan [persoon A] toe komt, te vermeerderen met rente en FAS in de proceskosten te veroordelen.
FAS heeft in het incident de kantonrechter verzocht om te bepalen dat [persoon A] , op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten (artikel 477a lid 2 Rv).
In het vonnis in het incident van 20 maart 2026 is het verzoek van FAS toegewezen. De kantonrechter heeft bepaald dat [persoon A] – op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak – binnen twee weken na de uitspraak van dat vonnis zekerheid dient te stellen voor de proceskosten waartoe hij zou kunnen worden veroordeeld, dat voor een bedrag van € 1.044,- zekerheid moet worden gesteld en dat [persoon A] zekerheid dient te stellen in de vorm van een bankgarantie van een Nederlandse bank overeenkomstig het NVB Model van de Nederlandse Vereniging van Banken.
De kantonrechter oordeelt dat [persoon A] de vereiste zekerheid niet heeft gesteld. Dit heeft tot gevolg dat [persoon A] niet-ontvankelijk wordt verklaard in de hoofdzaak. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.
[persoon A] wordt niet-ontvankelijk verklaard in de hoofdzaak
Bij akte van 14 april 2026 heeft [persoon A] van de ING een brief van 1 april 2026 overgelegd met als onderwerp: “Solvabiliteitsverklaring”. Uit die verklaring kan worden afgeleid dat [persoon A] bij ING een betaalrekening met een saldo van € 17,19 heeft en een spaarrekening met een saldo van € 7.724,85. In de brief is voorts opgenomen: “Deze verklaring vormt geen garantstelling door ING voor de in deze verklaring genoemde rekeninghouder(s). Er kunnen dus aan deze verklaring geen rechten worden ontleend.”
De hiervoor genoemde solvabiliteitsverklaring kan niet gelijkgesteld worden met een bankgarantie van een Nederlandse bank overeenkomstig het NVB Model van de Nederlandse Vereniging van Banken. De solvabiliteitsverklaring biedt onvoldoende zekerheid en biedt evenmin de garantie dat FAS daarop zonder moeite verhaal kan nemen.
[persoon A] heeft niet (tijdig) om verlenging van de termijn verzocht noch aan de kantonrechter verzocht hem toe te staan op andere wijze zekerheid te stellen. De sanctie op het niet – of niet tijdig – stellen van de zekerheid, is dat [persoon A] niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Aan een beoordeling in de hoofdzaak komt de kantonrechter daarom niet toe. Hoewel de kantonrechter partijen (naar achteraf blijkt ten onrechte) heeft laten door procederen, wordt hetgeen partijen in de conclusie van antwoord, de conclusie van repliek en in de conclusie van dupliek hebben gesteld, buiten beschouwing gelaten.
[persoon A] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [persoon A] (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] aan FAS moet betalen op € 180,- aan salaris voor de gemachtigde (0,5 punten x € 360,- voor de akte) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 324,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van FAS worden begroot op € 324,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
754