RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: NL:TZ:2616886:R-RK - NL:TZ:2616887:R-RK
Uitspraakdatum: 1 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster
1. De procedure
Verzoekster heeft op 31 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 september 2026.
Ter zitting van 22 september 2026 is verschenen en gehoord:
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De schulden van verzoekster zijn ontstaan door overbesteding, terugval in inkomsten en moeite met het beheren van geld. Verzoekster heeft zich inmiddels bij de gemeente Rotterdam aangemeld voor hulp bij haar schulden. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. Daarnaast ontvangt zij zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de lopende huur te betalen.
3. Het verweer
Verweerster is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurachterstand is weliswaar afgenomen, maar verzoekster heeft de lopende huur voor de maanden juli 2026 tot en met september 2026 niet betaald. Ook komt verzoekster de in het ontruimingsvonnis van 13 juni 2025 opgenomen betalingsregeling niet na.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting verder toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 30 juli 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 13 juni 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster inkomsten uit arbeid ontvangt verhoogd met toeslagen. Het inkomen van verzoekster zou voldoende moeten zijn om de lopende huur van € 693,23 per maand te betalen. Toch is de huur voor de maanden juli 2026 tot en met september 2026 niet betaald. Verzoekster is niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat het contact met verzoekster moeizaam verloopt en dat budgetbeheer nog niet is opgestart. De betaling van de lopende huur is dus niet gewaarborgd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.