RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 8 oktober 2026
Op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 11 juni 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 1 oktober 2026. Op deze zitting zijn verschenen:
- Mevrouw [verzoekster];
- Mevrouw N. Aobali, beschermingsbewindvoerder;
- Mevrouw M. Schrur, beschermingsbewindvoerder;
- Mevrouw [persoon A], schuldhulpverlener bij Geldplein.
2. De beoordeling
De toelating
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
Mevrouw [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
Mevrouw [verzoekster] werkt en heeft een vast arbeidscontract voor 38 per week en heeft daarmee gedurende het minnelijk traject, dat is gestart in juni 2025, voldaan aan haar inspanningsverplichting. De rechtbank kan de vraag of mevrouw [verzoekster] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan de inkomensafdrachtverplichting heeft voldaan echter nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Bij het verzoekschrift zijn drie vtlb-berekeningen overgelegd, één berekening voor de periode januari 2025 tot en met juni 2025, één berekening voor de periode juli 2025 tot en met december 2025 en één berekening voor de periode januari 2026 tot en met juni 2026. Ter onderbouwing van deze vtlb-berekeningen zijn een overeenkomst kostgangerschap, de zorgpolis voor het jaar 2026, de voorschotbeschikking toeslagen voor het jaar 2026 en de salarisspecificatie voor de maand juni 2026 overgelegd. De stukken die ten grondslag liggen aan de vtlb-berekeningen van 2025 ontbreken dus grotendeels.
Van de aangeleverde stukken dient enkel de overeenkomst kostgangerschap als onderbouwing van de vtlb-berekeningen over 2025 en ook hierover zijn onduidelijkheden. In de overeenkomst kostgangerschap is opgenomen dat mevrouw [verzoekster] – als kostganger – maandelijks een bedrag van € 364,00 verschuldigd is. In alle drie de vtlb-berekeningen is echter telkens een ander bedrag aan huur opgenomen (van respectievelijk € 283,58, € 282,55 en € 466,64) . Dit is verder niet toegelicht. Er zijn dus aanwijzingen dat door de schuldhulpverlener rekening is gehouden met een onjuist vrij te laten bedrag (dat kan deels te laag zijn vastgesteld maar over de periode vanaf januari 2026 is het mogelijk te hoog vastgesteld). Daarnaast is voor de periode vanaf juli 2026 helemaal geen vtlb-berekening overgelegd.
Uit de door de schuldhulpverlener nagezonden stukken is gebleken dat het gespaarde saldo van mevrouw [verzoekster] € 12.192,44 bedraagt. Hiervan zou een bedrag van € 10.915,13 voor de schuldeisers zijn gereserveerd uit inkomensafdrachten gedurende het minnelijk traject. De rechtbank maakt hieruit op dat het verschil van € 1.277,31 mogelijk ziet op het spaarsaldo dat mevrouw [verzoekster] op de startdatum van het minnelijk traject had. Nu over de gehele periode slechts één salarisspecificatie is overgelegd, namelijk de salarisspecificatie voor de maand juni 2026, kan de rechtbank niet beoordelen of het juiste bedrag voor de schuldeisers is gereserveerd. Ook blijkt uit het afdrachtenoverzicht niet dat er rekening is gehouden met het bedrag dat mevrouw [verzoekster] aan vakantiegeld zou moeten afdragen. Of het juiste bedrag is gereserveerd voor de schuldeisers is daarom niet goed te beoordelen.
Omdat is gebleken dat door mevrouw [verzoekster] wel gedeeltelijk aan de afdrachtverplichting in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan – er is immers een bedrag van € 10.915,13 gereserveerd uit inkomensafdrachten – ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis toch alvast een eerdere ingangsdatum van twaalf maanden te bepalen, maar (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat de te benoemen Wsnp-bewindvoerder op basis van door mevrouw [verzoekster] nader aan te leveren stukken nog zal beoordelen over hoeveel maanden in het minnelijk voortraject er voldoende is afgedragen. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank op basis van de huidige informatie een (voorlopige) eerdere ingangsdatum van twaalf maanden redelijk. Blijkens het overzicht van schuldhulpverlening is er gedurende dertien maanden afgedragen conform het door schuldhulpverlening vastgestelde vtlb (maar hierin is nog geen rekening gehouden met afdracht van vakantiegeld en er lijkt deels met een onjuiste huur te zijn gerekend en het vtlb van juli 2026 is nog niet bekend). De rechtbank stelt de ingangsdatum daarom vast op 8 oktober 2025.
De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw) of in het eindverslag (artikel 352 Fw) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of mevrouw [verzoekster] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster].
De looptijd van de regeling van mevrouw [verzoekster] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 8 april 2027. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat mevrouw [verzoekster] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Zij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw).
De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger,
en tot bewindvoerder E.A. de Snoo,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 8 oktober 2025 en de duur op achttien maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 8 april 2027;
- stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met Z. da Luz Almeida, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.