ECLI:NL:RBROT:2026:13806

ECLI:NL:RBROT:2026:13806

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 12403060 VV EXPL 26-595
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Executiegeschil. Verwijzing naar handel en haven. Eis van onbepaalde waarde. Geen sprake van huurgeschil.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12403060 VV EXPL 26-595

datum uitspraak: 8 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] , in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster],

woonplaats: [woonplaats] ,

eiseres,

die zelf procedeert,

tegen

[gedaagde] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 29 september 2026, met bijlagen;

de brief van [gedaagde] van 6 oktober 2026, met bijlagen.

Op 7 oktober 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren [eiseres] en [gedaagde] allebei aanwezig.

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak om?

[gedaagde] is vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] . Volgens [gedaagde] zijn de woning op het adres [adres] in [plaats] en aandelen in [bedrijf] B.V. onderdeel van die nalatenschap. [eiseres] woont in de woning. [gedaagde] heeft haar gevraagd om die woning te ontruimen. Hij heeft haar ook gevraagd om de administratie van [bedrijf] B.V. aan hem te verstrekken. Dat heeft [eiseres] allebei niet gedaan, omdat volgens haar die woning en de aandelen onderdeel zijn van de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ), de weduwe van [erflater] , en de zus van [eiseres] . [gedaagde] heeft daarop in kort geding bij deze rechtbank, team handel en haven, ontruiming van de woning en afgifte van de administratie geëist. Die eis is deels afgewezen. In hoger beroep bij het hof Den Haag zijn de eisen alsnog toegewezen. [eiseres] is van plan om herroeping van dat arrest te eisen.

[eiseres] heeft in deze procedure verschillende eisen ingesteld. Die zijn onduidelijk geformuleerd. Tijdens de zitting heeft [eiseres] op vragen van de kantonrechter bevestigd dat het haar bedoeling is om schorsing van de executie van het arrest van het hof Den Haag te eisen, totdat er een beslissing is genomen in de herroepingsprocedure. [gedaagde] heeft er geen bezwaar tegen gemaakt dat de eis op die manier gelezen wordt.

[eiseres] is eiseres als executeur van de nalatenschap van [erflaatster]

In de dagvaarding heeft [eiseres] vermeld dat zij eisende partij is, “in haar hoedanigheid van wettelijk executeur van de fideï-commis nalatenschap 2023 van wijlen de heer [erflater] en mevrouw [erflaatster] .” [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] geen executeur van de nalatenschap van [erflater] is, maar alleen van die van [erflaatster] . [eiseres] heeft op vragen van de kantonrechter aangegeven dat zij eiseres is als executeur van de nalatenschap van [erflaatster] . In die hoedanigheid is zij ook partij bij het arrest van het hof. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de partij-aanduiding in de dagvaarding een verschrijving is. Zij heeft [eiseres] daarom als executeur van de nalatenschap van [erflaatster] in het vonnis vermeld.

[gedaagde] is gedaagde in zijn hoedanigheid van vereffenaar

[eiseres] heeft in de dagvaarding vermeld dat [gedaagde] gedaagde is “in persoon en in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] ”. De kantonrechter heeft haar gevraagd waarom [gedaagde] ook in persoon is betrokken. [eiseres] heeft daarop gezegd dat zij niet zou weten hoe [gedaagde] in persoon zou kunnen zijn betrokken. In die hoedanigheid is hij ook geen partij bij het arrest van het hof. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dit ook een verschrijving in de dagvaarding is. Daarom heeft zij [gedaagde] als gedaagde vermeld in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] .

De kantonrechter is niet bevoegd

Het gaat in dit kort geding dus om een geschil over de executie van het arrest van het hof Den Haag. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd is om dit geschil te behandelen. [eiseres] heeft op vragen van de kantonrechter niet duidelijk aangegeven waarom zij vindt dat de kantonrechter wel bevoegd is.

De kantonrechter mag alleen over dit executiegeschil beslissen als het arrest gaat om een zaak waarover de kantonrechter ook zou mogen beslissen in een bodemprocedure (artikel 438 lid 2 Rv). De kantonrechter oordeelt op basis van haar voorlopig oordeel over het onderwerp van dit geschil (artikel 71 lid 3 Rv) dat dit niet het geval is.

De oorspronkelijke eis van [gedaagde] is van onbepaalde waarde, namelijk ontruiming van een woning en afgifte van administratie. De kantonrechter oordeelt dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat die eis moet worden gewaardeerd op maximaal € 25.000,- (artikel 93 onder b Rv). Dat is overigens ook niet door [eiseres] gesteld.

Voor zover [eiseres] zou hebben bedoeld dat de kantonrechter bevoegd is, omdat dit gaat om een huurgeschil (artikel 93 onder c Rv), volgt de kantonrechter haar daar niet in. Dan moet de zaak namelijk niet los kunnen worden gezien van het bestaan van een huurovereenkomst. Dat is niet zo, naar oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter kijkt daarbij naar het oorspronkelijke geschil waarop het hof Den Haag als laatste heeft beslist. [gedaagde] is deze procedure begonnen, omdat [eiseres] volgens hem zonder recht of titel in de woning verblijft. [eiseres] had voorafgaand aan de procedure alleen gesteld dat zij (mede)-eigenaar van de woning was, via de nalatenschap van [erflaatster] . Uit het vonnis van deze rechtbank blijkt dat [eiseres] pas voor het eerst tijdens de zitting heeft aangevoerd dat wanneer zij geen eigenaar is, zij (subsidiair) huurder van de woning is. In het arrest van het hof Den Haag is vervolgens de vraag of sprake is van een huurovereenkomst in het midden gelaten. Tijdens de zitting in dit executiegeschil heeft [eiseres] op vragen van de kantonrechter benadrukt dat zij geen huurder, maar (mede)eigenaar van de woning is, via de nalatenschap van [erflaatster] . Volgens haar is de woning geen onderdeel (meer) van de nalatenschap van [erflater] . Bovendien heeft zij bevestigd dat zij de huurovereenkomst na 2023 niet meer is nagekomen, omdat zij meent dat zij toen door vererving mede-eigenaar van de woning is geworden. Het gaat in de kern dus om een erfrechtelijke discussie en er zijn onvoldoende aanknopingspunten om de bevoegdheid van de kantonrechter aan te kunnen nemen. Dat [eiseres] zich (subsidiair) op het bestaan van een na 2023 niet meer nagekomen huurovereenkomst beriep (of beroept) maakt dit niet anders.

De kantonrechter oordeelt op basis van het voorgaande dat de zaak dus niet kan worden gezien als een huurgeschil, waarover de kantonrechter zou mogen beslissen. Het arrest gaat ook niet over een ander onderwerp waarover de kantonrechter altijd mag beslissen (artikel 93 onder c en d Rv). [eiseres] heeft dat ook niet gesteld. De kantonrechter oordeelt daarom dat zij niet bevoegd is om over dit executiegeschil te oordelen.

Zaak naar team handel en haven

De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven van deze rechtbank (artikel 71 Rv).

Advocaat verplicht

[eiseres] mag bij team handel en haven niet zelf procederen. Een advocaat is verplicht (artikel 79 Rv). [gedaagde] mag kiezen of hij zelf procedeert of met een advocaat (artikel 255 Rv).

Vervolginstructie

De ontruiming van de woning staat gepland op 13 oktober 2026 vanaf 11.00 uur. Als [eiseres] voorafgaand aan die ontruiming een uitspraak wil hebben over de ontruiming, dan zal zij dus snel moeten handelen. Zij moet een advocaat inschakelen. Die zal op hele korte termijn contact moeten opnemen met team handel en haven met de vraag wanneer een zitting kan worden gepland.

[eiseres] moet meer griffierecht betalen

Doordat de kantonrechter de zaak verwijst naar team handel en haven geldt een hoger griffierecht van € 341,- voor [eiseres] . [eiseres] heeft een nota van € 93,- aan griffierecht gekregen of zal die spoedig krijgen. Er komt dus nog € 248,- bij. Het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) stuurt voor dat bedrag nog een factuur aan [eiseres] . De verhoging moet betaald zijn binnen vier weken na de zitting bij team handel en haven.

[gedaagde] moet nu ook griffierecht betalen

Doordat de kantonrechter de zaak verwijst moet [gedaagde] ook griffierecht betalen van € 341,- als hij verschijnt op de zitting. Het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) stuurt voor dat bedrag een factuur aan [gedaagde] . Die moet betaald zijn binnen vier weken na de zitting bij team handel en haven.

3. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven;

bepaalt dat de advocaat van [eiseres] zo spoedig mogelijk contact op moet nemen met team handel en haven, voor het plannen van een zitting;

draagt de griffier op de processtukken en een kopie van dit vonnis te sturen aan de griffier van het team handel en haven van deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken.

33394

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand