RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11432437 CV EXPL 24-30471
datum uitspraak: 9 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. K.A.M. Jaspers,
tegen
Fidinda CBM B.V. als bewindvoerder over de goederen van [persoon A],
vestigingsplaats: Gorinchem,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts.
De partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘Fidinda’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 8 augustus 2025 en de stukken die daarin zijn genoemd;
de akte uitlaten bewijs van Hef Wonen, met bijlagen;
de brief namens Hef Wonen van 3 september 2025, met een bijlage;
de antwoordakte namens Fidinda;
de brief namens Hef Wonen van 27 november 2025, met een bijlage;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 17 december 2025;
de mail namens Fidinda van 14 januari 2026;
de brief namens Hef Wonen van 4 juni 2026, met bijlagen;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 16 juni 2026;
de conclusie na bewijslevering van Hef Wonen, met bijlagen;
de conclusie na bewijslevering van Fidinda.
2. De verdere beoordeling
Wat is de kern?
[persoon A] huurt een woning van Hef Wonen. Hef Wonen vraagt de kantonrechter om de huurovereenkomst te ontbinden en [persoon A] te veroordelen om de woning te ontruimen. Omdat [persoon A] onder bewind staat is zijn bewindvoerder de gedaagde.
Hef Wonen heeft verschillende redenen aangevoerd voor de ontbinding. De kantonrechter heeft over een deel van de redenen al geoordeeld in het tussenvonnis. Zij heeft Hef Wonen de gelegenheid gegeven om te bewijzen dat [persoon A] na 21 juni 2024 rommel heeft gemaakt in en rond het complex en dat hij agressief en intimiderend is geweest tegen de complexbeheerder. Ook mochten de partijen in hun aktes laten weten of zich nog incidenten hebben voorgedaan na de mondelinge behandeling.
Hef Wonen heeft een aantal getuigen laten horen, namelijk [persoon B] ( [functie] bij Hef Wonen), [persoon C] (medebewoner van de flat) en [persoon D] (dochter van een voormalig medebewoner). Daarnaast heeft zij gesteld dat er nog verschillende andere incidenten zijn geweest sinds de vorige zitting. [persoon A] heeft zichzelf en [persoon E] (medebewoner van de flat) laten horen.
De kantonrechter oordeelt dat Hef Wonen heeft bewezen dat [persoon A] agressief en intimiderend is geweest tegen de complexbeheerder. Om die reden ontbindt zij de huurovereenkomst.
[persoon A] is agressief en intimiderend geweest tegen [persoon F]
Volgens Hef Wonen is [persoon A] op 23 september 2024 agressief geweest tegen meneer [persoon F] , de complexbeheerder. [persoon A] heeft eerder erkend dat hij boos is geworden en [persoon F] misschien heeft een klootzak of NSB-er heeft genoemd. Hij heeft destijds echter de indruk gewekt dat dit niet agressief en intimiderend kan zijn overgekomen. Zo schreef zijn gemachtigde: “Hij heeft de complexbeheerder er alleen op gewezen dat hij zich fatsoenlijk jegens [persoon A] dient te gedragen.” De kantonrechter heeft Hef Wonen daarom de opdracht gegeven om te bewijzen dat [persoon A] agressief en intimiderend is geweest.
[persoon B] heeft verklaard dat [persoon F] hem heeft verteld heeft dat [persoon A] “heel boos” en “erg gefrustreerd” was. Ook heeft hij verklaard dat [persoon F] hem vertelde dat [persoon A] direct begon te schelden toen hij binnenkwam. Dat is ook in lijn met de verklaring van [persoon F] die bij de dagvaarding zit. In de conclusie na enquête heeft [persoon A] aangegeven dat dit ook in lijn is met zijn eigen verklaringen. Daaruit begrijpt de kantonrechter dat het klopt dat hij heel boos en gefrustreerd was en direct bij binnenkomst is gaan schelden. Daar komt bij dat [persoon A] zelf bij het getuigenverhoor heeft verklaard: “Ik was wel emotioneel, dus ik heb misschien wat harder gepraat.”
De kantonrechter oordeelt dat uit het geheel van deze schriftelijke verklaringen en getuigenverklaringen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat [persoon A] scheldend en met harde(re) stem het kantoor van [persoon F] is binnengekomen. Dit is wat de kantonrechter betreft zonder meer als agressief gedrag aan te merken. Dat [persoon F] dit ook als intimiderend heeft ervaren, zoals hij heeft verklaard in zijn schriftelijke verklaring, is goed voor te stellen. Ook de heer [persoon G] , die bij het gesprek aanwezig was, heeft dit als intimiderend ervaren, aangezien hij heeft verklaard dat hij in de buurt is gebleven om te voorkomen dat het tot een handgemeen zou komen.
[persoon A] heeft zich door zo te handelen niet als een goed huurder gedragen (artikel 7:213 BW). Hij is dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
De kantonrechter vindt dit incident in dit geval ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden (artikel 6:265 BW). Daarbij stelt zij voorop dat agressief en intimiderend gedrag tegen een medewerker van de verhuurder uiteraard nooit goed te praten is. De medewerkers doen ‘gewoon’ hun werk. Het mag zo zijn dat [persoon A] vindt dat zij hun werk niet op de goede manier doen, maar dat vormt nooit een rechtvaardiging voor agressie en intimidatie.
Iedere huurder moet zich ervan bewust zijn dat dit gedrag onacceptabel is, maar voor [persoon A] geldt dit als geen ander. Hij is hier namelijk herhaaldelijk expliciet op gewezen. Zo staat in de gedragsaanwijzing die hij al in 2019 heeft getekend “Huurder gedraagt zich behoorlijk ten opzichte van omwonenden en medewerkers van/namens verhuurder”. In 2024 is [persoon A] hier nog explicieter op gewezen. Op dat moment speelde een procedure tussen Hef Wonen en [persoon A] , waarin Hef Wonen onder andere stelde dat [persoon A] de vorige complexbeheerder een vuistslag heeft gegeven. [persoon A] ontkende dit destijds. Hij heeft op 21 juni 2024 echter wel met Hef Wonen het volgende afgesproken “De afspraken die partijen, bij wijze van laatste kans, met elkaar hebben gemaakt betreffen: Hef Wonen accepteert agressief gedrag naar medewerkers van Hef Wonen in het geheel niet.” [persoon A] is akkoord gegaan met die afspraak. Ongeveer drie maanden later heeft het incident met [persoon F] zich voorgedaan.
[persoon A] heeft erop gewezen dat hij 70 jaar oud is en een verstandelijke beperking, psychische problemen en een angst- en slaapstoornis heeft. Ook heeft hij erop gewezen dat hij de hulpverlening verliest als hij zijn woning moet verlaten. Die omstandigheden maken het oordeel van de kantonrechter niet anders. Zeker na zulke expliciete afspraken kan van Hef Wonen niet worden verwacht dat ze de huurovereenkomst nog langer voortzet. Zij moet ook waken voor de belangen en het welzijn van haar werknemers.
Aangezien het voorval van 23 september 2024 ernstig genoeg is voor ontbinding van de huurovereenkomst, laat de kantonrechter het restant van de bewijsopdracht in het midden.
Volgens Hef Wonen hebben zich verder nog allerlei incidenten voorgedaan sinds de vorige mondelinge behandeling. Het gaat bijvoorbeeld om een accubrand in de woning van [persoon A] , het plassen in de lift door bezoek van [persoon A] , diefstal van een oplader van een scootmobiel, niet-meewerken aan een vooropname en het klussen in de scooterruimte. [persoon A] heeft voor al die incidenten een nuancering of een verklaring of hij ontkent dat die incidenten hebben plaatsgevonden. Aangezien de kantonrechter de huurovereenkomst al ontbindt vanwege de agressie van [persoon A] , gaat zij hier niet verder op in.
Overigens heeft [persoon A] een beroep gedaan op vernietiging van de gedragsaanwijzingen, omdat daarin ook (andere) bepalingen staan die volgens hem oneerlijk zijn. Ook daarop gaat de kantonrechter verder niet in, omdat deze procedure niet om die bepalingen gaat. De artikelen waar het hier om gaat zijn bovendien een voor de hand liggende invulling van de reguliere verplichting van [persoon A] om zich als goed huurder te gedragen.
Het EVRM maakt de uitkomst niet anders
[persoon A] heeft ook nog aangevoerd dat het recht op respect voor zijn woning (artikel 8 EVRM) in de weg staat aan het beëindigen van de huurovereenkomst. Dat ziet de kantonrechter anders. Het recht op een woning uit het EVRM is niet absoluut. Hier kan inbreuk op worden gemaakt, als dat in de wet is geregeld en (kort gezegd) een legitiem doel dient. Die afweging komt ook terug in de toets van artikel 6:265 BW. In die belangenafweging heeft de kantonrechter het recht op een woning meegewogen, maar geoordeeld dat in dit geval de belangen van Hef Wonen zwaarder wegen.
[persoon A] moet de woning binnen een maand ontruimen
Gezien de leeftijd en de kwetsbare positie van [persoon A] veroordeelt de kantonrechter hem om de woning binnen een maand te ontruimen.
[persoon A] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [persoon A] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] aan Hef Wonen moet betalen op € 139,57 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 868,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.246,07. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [persoon A] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [persoon A] ;
veroordeelt Fidinda om binnen een maand na de datum van dit vonnis de woning op het adres [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [persoon A] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
veroordeelt Fidinda in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.246,07 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
33394