RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Airport Coordination Netherlands ( ACNL ), verweerder,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4609
en
(gemachtigde: mr. G. Verberne).
Procesverloop
1. Eiser heeft beroep ingesteld omdat ACNL niet tijdig op zijn verzoek op grond van Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van 28 februari 2022 zou hebben beslist.
2. Bij uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank dit beroep met vereenvoudigde afdoening niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zou hebben verzuimd om desgevraagd de aanvraag over te leggen.
3. Bij uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank het verzet van eiser tegen de uitspraak van 31 oktober 2023 gegrond verklaard omdat is gebleken dat eiser op 23 juli 2023 een e-mailbericht met een bijlage heeft verzonden naar de rechtbank. De rechtbank heeft eiser daarbij verzocht om zijn AVG-verzoek van 28 februari 2022 nogmaals in te dienen.
4. Met de uitspraak op het verzet is de uitspraak van 31 oktober 2023 komen te vervallen en wordt de zaak voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
5. Op 27 mei 2025 heeft ACNL na ontvangst van de door de rechtbank doorgezonden stukken alsnog op de aanvraag beslist.
6. Desgevraagd heeft eiser de rechtbank nadien bericht dat hij het beroep niet intrekt en heeft hij de rechtbank verzocht te bepalen dat ACNL een dwangsombesluit moet nemen en daarbij te bepalen dat ACNL dwangsommen verbeurt totdat een dwangsom besluit is genomen. Indien dit niet mogelijk is verzoekt eiser de rechtbank te bepalen dat de “huurcommissie” gelijk wordt veroordeeld in een dwangsom. Voorts heeft eiser verzocht te bepalen dat ACNL het griffierecht vergoedt en om ACNL te veroordelen in buitengerechtelijke kosten en reiskosten.
7. De rechtbank ziet aanleiding om voor de tweede maal de zaak vereenvoudigd af te doen. Omdat de rechtbank deels onbevoegd en het beroep overigens kennelijk ongegrond is doet de rechtbank wederom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
8. In onder meer een e-mailbericht van 18 juni 2023 heeft ACNL de rechtbank bericht dat hij geen aanvraag van eiser heeft ontvangen. Op 27 mei 2025 heeft ACNL op de aanvraag van eiser beslist. In het besluit is vermeld dat ACNL de aanvraag van eiser niet eerder heeft ontvangen dan nadat hij de brief en bijlagen van de rechtbank van 21 mei 2025 heeft ontvangen van de advocaat van ACNL en dat [bedrijf A] de genoemde brief als een bij ACNL op 21 mei 2025 ingediend AVG-verzoek om binnen de wettelijke termijn van vier weken daarop te reageren. ACNL heeft daarbij als volgt beslist op de aanvraag van eiser:
“ ACNL verwerkt geen persoonsgegevens van u, behalve de brief d.d. 28 februari 2022 die u zelf aan de rechtbank heeft gestuurd en interne e-mails inzake uw verzoek. Het enige doel van het verwerken van deze gegevens is het beantwoorden van uw AVG-verzoek.”
9. Volgens vaste rechtspraak ligt het risico dat een niet aangetekend verzonden brief de geadresseerde niet bereikt bij de afzender (bijv. ECLI:NL:RVS:2017:3320 en ECLI:NL:CRVB:2018:2254). Indien het bestuursorgaan ontkent een aanvraag of ander bericht van een afzender te hebben ontvangen, ligt het daarom op de weg van de afzender om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat een bericht wel is verstuurd. Eiser die zeer veel procedures voert over het niet tijdig beslissen op zijn vele AVG-verzoeken aan diverse bestuursorganen is bekend met deze rechtspraak. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser, die ook als gemachtigde optreedt, vaker is tegengeworpen dat hij geen bewijs heeft geleverd van verzending van aanvragen (zie hierna onder overweging 14). Mede gelet hierop lag het op de weg van eiser om uit eigen beweging tot bewijslevering over te gaan, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het bericht van eiser van 25 juni 2025 dat hij op verzoek van de rechtbank screenshots en verzendbewijzen van zijn mailberichten aan ACNL kan toesturen. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat eiser niet op of omstreeks 28 februari 2022 een aanvraag heeft ingediend bij ACNL , maar dat dit eerst is gebeurd met de toezending van stukken door de rechtbank aan de advocaat van ACNL .
10. Nu onvoldoende vaststaat dat eiser destijds een aanvraag heeft ingediend, is er ook geen sprake van het op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon worden ingesteld. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen (zie ook ECLI:NL:CRVB:2017:283 en ECLI:NL:CRVB:2020:2007).
11. Het voorgaande laat onverlet dat er van rechtswege een beroep als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, van de Awb is ontstaan tegen het besluit van 27 mei 2025. Het ontbreken van een bevoegdheid van de bestuursrechter om kennis te nemen van het initiële beroep werkt niet door ten aanzien van het beroep van rechtswege tegen het reële besluit (vgl. ECLI:NL:RVS:2014:3999 en ECLI:NL:RBROT:2016:5451). Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij heeft in zijn bericht van 25 juni 2025 volhard in zijn standpunt dat hij op 28 februari 2022 een aanvraag per e-mailbericht heeft toegezonden aan ACNL en nadien een ingebrekestelling heeft gemaild. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt dit standpunt niet gevolgd.
12. Zelfs indien eiser zou moeten worden gevolgd in zijn subsidiaire stelling dat ACNL gelet op de contacten tussen de griffie en ACNL na binnenkomst van het beroep eerder dan in mei 2025 op de hoogte moet zijn geraakt van de aanvraag, kan niet worden geoordeeld dat ACNL niet tijdig heeft beslist. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ACNL de doorzending door de rechtbank van de stukken – waaronder de aanvraag – onverplicht als het alsnog indienen van de aanvraag heeft opgevat. Met de enkele toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken door de rechtbank, is namelijk naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de indiening van een aanvraag door eiser en is dus geen beslistermijn gaan lopen. De griffier heeft de aanvraag namelijk niet doorgezonden aan ACNL op grond van artikel 2:3 van de Awb (welke bepaling uitsluitend ziet op bestuursorganen), maar op grond van artikel 8:39, eerste lid, van de Awb (vgl. ECLI:NL:GHARL:2018:2409, punt 4.12). Dit betekent voorts dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Gelet hierop was ACNL – anders dan eiser stelt – niet in verzuim om een dwangsombeslissing te nemen.
13. Inhoudelijk heeft eiser geen gronden tegen het besluit van 27 mei 2025 ingediend. Het beroep tegen het besluit van 27 mei 2025 is gelet op het voorgaande kennelijk ongegrond.
14. De rechtbank ziet aanleiding eiser nogmaals te waarschuwen dat hem bij een voortzetting van zijn procedeergedrag misbruik van recht kan worden tegenworpen, met als gevolg dat een volgend beroep om die reden niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daartoe overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.
15. Gelet op artikel 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek kan een persoon een bevoegdheid niet inroepen bij misbruik van die bevoegdheid en geldt dit verbod ook buiten het vermogensrecht. De rechtbank stelt vast dat eiser een groot aantal bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd. Zo heeft hij in persoon ongeveer 100 bestuursrechtelijke uitspraken uitgelokt en als gemachtigde heeft hij daarnaast tenminste 12 bestuursrechtelijke uitspraken uitgelokt. Een groot deel van de uitspraken die eiser in persoon of als gemachtigde heeft uitgelokt, ziet op inzage in persoonsgegevens. Het is de rechtbank opgevallen dat eiser ogenschijnlijk willekeurig AVG-verzoeken indient bij een groot aantal instanties verspreid over Nederland, waaronder instanties waarvan het niet in de rede ligt dat zij persoonsgegevens van eiser hebben verwerkt.
16. Uit het procesgedrag in deze en in andere zaken komt het beeld naar voren dat het eiser of de persoon die hij vertegenwoordigt in veel gevallen niet is te doen om daadwerkelijk een besluit op de aanvraag te krijgen. Zo stelt eiser beroepen in nadat hem inzage is verleend of anderszins op zijn aanvragen is beslist, dit met het oogmerk om dwangsommen te ontvangen wegens niet tijdig beslissen (bijv. ECLI:NL:RBDHA:2023:22347; ECLI:NL:RBROT:2024:2039 en ECLI:NL:RBROT:2024:10730). Voorts heeft de bestuursrechter vastgesteld dat veronderstelde aanvragen van eiser of zijn cliënt niet door het bestuursorgaan zijn ontvangen (bijv. ECLI:NL:RBOVE:2026:1152 en ECLI:NL:RBMNE:2026:1078). Ook stuurt eiser aanvragen en ingebrekestellingen naar niet daarvoor bestemde e-mailadressen (bijv. ECLI:NL:RBROT:2025:9045 en ECLI:NL:RBROT:2025:10973). Nadat het bestuursorgaan na (verlate) ontvangst van de aanvraag alsnog een besluit neemt, reageert eiser daar telkens niet inhoudelijk op, maar stelt hij dat niet tijdig is beslist en dat dwangsommen zijn verbeurd. In het voorliggende geval procedeert eiser ook op deze wijze. Dit structurele procesgedrag duidt op een oneigenlijk gebruik van procesrecht (vgl. ECLI:NL:RVS:2018:3553, punt 3.4 en ECLI:NL:RBZWB:2022:7014, punt 2.6). In het voorliggende geval wist of kon eiser weten dat ACNL gelet op de aard van de hem op grond van artikel 8a.64 van de Wet luchtvaart toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid voorafgaand aan deze procedure geen persoonsgegevens van eiser kan hebben verwerkt. Gelet op een en ander was het eiser kennelijk niet om een inhoudelijke beslissing te doen, maar slechts om dwangsommen of andere gelden te incasseren.
17. De rechtbank stelt verder vast dat eiser vorig jaar door de rechtbank is gewaarschuwd dat een voortzetting van dit procesgedrag ertoe kan leiden dat de rechter misbruik van recht zal aannemen (bijv. ECLI:NL:RBROT:2025:9044, punt 3.2 en ECLI:NL:RBROT:2025:10973, punt 3.3). De rechtbank ziet aanleiding om eiser in het voorliggende geval nogmaals deze waarschuwing te geven en hem nu niet reeds misbruik van recht tegen te werpen. Dit komt omdat deze procedure is gestart voordat eiser is gewaarschuwd.
18. Eiser dient er rekening mee te houden dat hij ingeval van misbruik van recht in de proceskosten van het bestuursorgaan kan worden veroordeeld (vgl. ECLI:NL:RVS:2025:467, punt 7).
19. De rechtbank ziet ondanks dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het initiële beroep geen aanleiding om de griffier te gelasten het betaalde griffierecht terug te storten. Eiser heeft immers niet afzonderlijk griffierecht hoeven te voldoen in verband met het beroep van rechtswege, terwijl het beroep tegen het reële besluit ongegrond is (vgl. ECLI:NL:RVS:2018:3887, laatste twee zinnen van punt 6).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd inzake het beroep wegens niet tijdig beslissen;
verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.