RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 8 oktober 2026
Op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 1 oktober 2026. Op deze zitting zijn verschenen:
- Mevrouw [verzoekster];
- Mevrouw S. Yerlikaya, beschermingsbewindvoerder;
- Mevrouw S. van Vuure, beschermingsbewindvoerder;
- Mevrouw C. Henry, beschermingsbewindvoerder.
2. De beoordeling
De toelating
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan het CJIB die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de schulden zijn ontstaan in een persoonlijk zware periode voor mevrouw [verzoekster], waarin zij zorg moest verlenen aan haar zoon binnen een context van een gewelddadige gezinssituatie. Door een ongeval heeft zij haar werkzaamheden in de zorg niet kunnen voortzetten, waardoor zij (dieper) in de schulden kwam. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die mede hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen. Mevrouw [verzoekster] is per 20 december 2024 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de (te dure) leasecontracten zijn beëindigd. De relatie met haar ex-partner is geëindigd. Ook is sinds 25 maart 2025 (opnieuw) sprake van beschermingsbewind en zijn er sindsdien geen (omvangrijke) schulden meer ontstaan. De vaste lasten van mevrouw [verzoekster] worden door de beschermings-bewindvoerder betaald. Mevrouw [verzoekster] wil graag van haar schulden af en heeft ter zitting blijk gegeven van een saneringsgezinde houding.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat mevrouw [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Mevrouw [verzoekster] is ter zitting gewezen op de verplichting om minimaal 36 uur per week te werken dan wel minimaal één keer per week te solliciteren naar fulltime werk zolang niet op medische gronden een vrijstelling is verleend en hierover in gesprek te blijven met de Wsnp-bewindvoerder.
Mevrouw [verzoekster] wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat mevrouw [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum en dat ook niet kan worden vastgesteld dat aan de voorwaarden voor een eerdere ingangsdatum is voldaan. Er is geen bewijs van vrijstelling van de arbeidsverplichting overgelegd en uit het dossier blijkt dat mevrouw [verzoekster] door de gemeente wel begeleid wordt naar werk. Dat aan de inspanningsverplichting is voldaan kan niet worden vastgesteld.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster].
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger,
en tot bewindvoerder J. van Rijen,
gevestigd te Postbus 1467,
3800 BL Amersfoort;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met Z. da Luz Almeida, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.