Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709885 / FA RK 25-8608
Beschikking van 28 april 2026 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[man] , hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. L.Y. Cheung te Rotterdam,
t e g e n
[draagmoeder] , hierna: de draagmoeder,
wonende te [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[partner] , hierna: de partner.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,
hierna: [minderjarige] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 11 november 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw,
de partner, en
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2. De vaststaande feiten
De man en de partner hebben een affectieve relatie met elkaar. Zij zijn niet met elkaar gehuwd en zijn geen geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
Uit de draagmoeder is op 7 augustus 2025 [minderjarige] geboren. De draagmoeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] ongehuwd.
De man heeft [minderjarige] voor de geboorte erkend.
De man en de draagmoeder zijn van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Sinds de geboorte van [minderjarige] zijn de man en de partner de verzorgers van [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de man en de partner.
3. De beoordeling
Gezag
De man verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] alleen aan hem toekomt.
De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
De rechtbank merkt op dat artikel 1:266 BW door de wetgever niet is geschreven voor de situatie van draagmoederschap, zoals in deze zaak het geval is. Bij gebrek aan een wettelijke bepaling over draagmoederschap, wordt dit artikel in de rechtspraak, zoals namens de man ook al naar voren is gebracht, ook op de beoordeling van dit soort verzoeken toegepast. Op grond van artikel 1:267, eerste lid, BW kan het verzoek tot beëindiging van het gezag echter alleen worden uitgesproken op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. Een dergelijk verzoek ligt (vooralsnog) niet voor.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen nader toegelicht hoe zij in contact met elkaar zijn gekomen en dat zij bewust de keuze hebben gemaakt om de langdurige kinderwens van de man en de partner te vervullen middels een draagmoederschapstraject. Het draagmoederschapstraject is volgens alle betrokkenen in goede harmonie, samenspraak en transparant verlopen, wat onder meer blijkt uit de afspraken die partijen bij de notaris hebben vastgelegd. Desondanks heeft de raad onvoldoende aanleiding gezien om tijdens de mondelinge behandeling het verzoek van de man te steunen en heeft verzocht om de zaak voor de duur van zes maanden aan te houden voor een raadsonderzoek.
Omdat partijen een eigen draagmoederschapstraject hebben bewandeld, zonder vooraf of achteraf de raad erbij te betrekken en de raad om die reden (vooralsnog) het verzoek van de man niet kan steunen, zal de rechtbank de raad in de gelegenheid stellen tot het doen van onderzoek. De rechtbank vraagt de raad in ieder geval te onderzoeken of het draagmoederschapstraject met voldoende waarborgen is doorlopen en de beëindiging van het gezag van de draagmoeder, zoals verzocht door de man, in het belang van [minderjarige] is. In het bevestigde geval verzoekt de rechtbank de raad ook een afzonderlijk verzoek daartoe in te dienen onder verwijzing naar het dossiernummer van deze zaak
Proceskosten
Omdat ten aanzien van het gezag nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 oktober 2026 PRO FORMA;
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over het ouderlijk gezag over de minderjarige en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat partijen, de advocaat en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen;
Deze beschikking is gegeven door mr. Ü. Gümüş, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H.J. de Wit, griffier, op 28 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.