RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10951
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Op 17 oktober 2023 heeft eiser bij het UWV een melding gemaakt dat zijn klachten en beperkingen zijn toegenomen.
Op 29 november 2023 heeft eiser een aanvraag om een herbeoordeling van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.
Met het besluit van 22 april 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Eiser heeft het UWV op 12 november 2024 schriftelijk in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
Eiser heeft op 2 december 2024 een beroepschrift ingediend wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
Met het besluit van 4 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV alsnog beslist op het bezwaar van eiser. Het UWV heeft met dit besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Met dit besluit heeft het UWV ook een dwangsom ter hoogte van € 1.442,- aan eiser toegekend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook verzoekt hij de rechtbank om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de kosten die eiser heeft moeten maken in het kader van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. De gemachtigde van het UWV is, met bericht van verhindering vlak voor de zitting, niet op de zitting verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Voorafgaand aan deze procedure
2.
Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker voor 40 uur per week. Op 8 september 2016 heeft hij zich ziek gemeld voor dit werk vanwege medische klachten. Vervolgens is aan eiser een Ziektewetuitkering toegekend. Naar aanleiding van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling per 7 september 2017 is de Ziektewetuitkering van eiser ongewijzigd voortgezet.
Op 22 mei 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. In het kader van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 25 juni 2018 op het spreekuur gezien en op 3 juli 2018 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 22 juni 2018. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 29 augustus 2018, met inachtneming van de beperkingen van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor het verrichten van de maatgevende arbeid, maar wel geschikt is voor de functies Assembleerder installaties, motoren, voertuigen (SBC-code: 265110), Administratief medewerker (document scannen) (SBC-code: 315133) en Inpakker (handmatig) (SBC-code: 111190). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies: Machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (SBC-code: 264122), Magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code: 111220) en Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code: 111010). Het loon dat eiser met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt niet lager dan het loon dat eiser met de maatgevende arbeid zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Met het besluit van 29 augustus 2018 heeft het UWV de aanvraag voor het verkrijgen van een WIA-uitkering afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 2 juli 2019 is het bezwaar van eiser tegen het besluit van 29 augustus 2018 ongegrond verklaard.
Huidige procedure
3.
Op 17 oktober 2023 heeft eiser aan het UWV kenbaar gemaakt dat zijn klachten en beperkingen zijn toegenomen ten opzichte van zijn eerdere aanvraag om een WIA-uitkering. Op 29 november 2023 heeft eiser een aanvraag om een WIA-herbeoordeling ingediend.
In het kader van de aanvraag om een WIA-herbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 6 maart 2024 op het spreekuur gezien. In de rapportage van 19 april 2024 heeft de verzekeringsarts vermeld dat hij eiser ook in het kader van de eerdere WIA-beoordeling op 3 juli 2018 heeft gezien en beoordeeld. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat hij ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling weinig tot geen verandering in het ziektebeeld van eiser ziet, de beperkingen niet zijn toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak en de beperkingen overeenkomen met de beperkingen die reeds in de FML van 3 juli 2018 zijn opgenomen. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 25 februari 2025 geconcludeerd dat moet worden afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de aanvullende medische informatie van de huisarts en de praktijkondersteuner huisartsenzorg (POH-GGZ) is gebleken dat bij eiser op of rond 17 oktober 2023 (de datum in geding) sprake was van recidiverende depressieve klachten met hoog suïcide risico. Hiervoor heeft eiser medicatie gekregen. Ook zou eiser onvoldoende in staat zijn om voor zichzelf te zorgen, waardoor zijn lichamelijke klachten sterk verwaarloosd zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geconcludeerd dat eiser op de datum in geding geen stabiele psychische toestand had en daarom tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiser
4. Eiser voert – kort samengevat – aan dat het UWV onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan of de toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak reeds voor het einde van de Amber-periode (de periode van vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling) aanwezig waren. Volgens eiser is door de jaren heen sprake van een toename van de reeds bestaande recidiverende depressieve klachten met een hoog suïcidaliteitsrisico, forse psychische beperkingen en ernstige lichamelijke verwaarlozing en klachten naar aanleiding van de psychische problematiek. De medische voorgeschiedenis bevestigt dat de toegenomen klachten voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak (en niet uit een nieuwe medische oorzaak). De verzekeringsarts bezwaar en beroep is afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts door te concluderen dat eiser op 17 oktober 2023 geen stabiele psychische toestand had en daarom tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had. Gelet hierop had het UWV moeten onderzoeken wanneer de ernstige psychiatrische decompensatie was begonnen. Eiser wijst in dit verband in het bijzonder op het moment waarop is gestart met de begeleiding van de POH-GGZ, dit was namelijk op 12 september 2023 en deze datum zit dicht tegen het einde van de Amber-periode aan terwijl daar ook het recidiverende karakter van de depressieve stoornis bij moet worden betrokken. De vraagstelling van het UWV aan de behandelend sector was onvoldoende toegespitst op de vraag of er sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak voorafgaand aan het einde van de Amber-periode: de aanvraagdatum van de herbeoordeling is namelijk niet bepalend voor de beoordeling op grond van artikel 55 WIA. In de aanvraag heeft eiser ook geen datum genoemd per wanneer de beperkingen zouden zijn toegenomen. Daarnaast heeft het UWV niet deugdelijk gemotiveerd waarom 17 oktober 2023 als uitgangsdatum wordt genomen.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep van eiser zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Wet WIA ontstaat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.
Beoordeling door de rechtbank
6. Aangezien het UWV alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser en daarbij ook de volledige dwangsom heeft toegekend, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Er bestaat wél aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hier zal de rechtbank later in de uitspraak op terugkomen.
Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit van 4 april 2025.
7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het UWV terecht heeft vastgesteld dat bij eiser geen sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling per 6 september 2018.
De rechtbank overweegt dat het UWV bij de beoordeling is uitgegaan van de datum 17 oktober 2023, omdat eiser op dat moment bij het UWV kenbaar heeft gemaakt dat zijn klachten uit dezelfde ziekteoorzaak zijn toegenomen en om een herbeoordeling van het recht op een WIA-uitkering verzoekt. Op 29 november 2023 heeft eiser een aanvraag herbeoordeling bij het UWV ingediend waarvan het UWV de ontvangst op diezelfde datum heeft bevestigd.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Als het bestreden besluit deze toetst doorstaat, kan de bestuursrechter evenwel aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht geoordeeld dat vanaf 17 oktober 2023 bij eiser sprake was van toegenomen klachten en dat eiser per die datum (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden heeft. In de rapportage van 25 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er aanvullende medische informatie van de huisarts en de POH is ontvangen, waarna is afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat uit de ontvangen medische informatie blijkt dat op of rond 17 oktober 2023 sprake was van recidiverende depressieve klachten (ernstige vitale depressie) met een hoog suïcide risico, waarvoor eiser door de crisisdienst met spoed werd aangemeld bij [zorg instelling] en medicatie kreeg voorgeschreven. Ook zou eiser onvoldoende in staat zijn om goed voor zichzelf te zorgen, waardoor zijn lichamelijke klachten sterk verwaarloosd zijn. Zo bleek onder andere sprake te zijn van een allergisch astma waarbij eiser zijn benauwdheidsklachten jarenlang ernstig heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan daarom niet anders concluderen dan dat eiser op 17 oktober 2023 geen stabiele psychische toestand had en daarom tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft.
Wat partijen echter verdeeld houdt is de vraag of het UWV had moeten onderzoeken of de klachten niet al eerder dan 17 oktober 2023, voorafgaand aan het einde van de Amber-periode, zijn toegenomen.
Om op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te kunnen nemen dat eiser alsnog recht heeft op een WIA-uitkering is vereist dat eiser binnen vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling per 6 september 2018 meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden en die toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van arbeid. Dit betreft de Amber-beoordeling.
Weliswaar was op 17 oktober 2023 ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak bij eiser, de voorwaarde geldt dat hiervan sprake moet zijn binnen vijf jaar na de eerdere weigering van de WIA-uitkering. In het bestreden besluit heeft het UWV toegelicht dat niet wordt voldaan aan deze voorwaarde. Het UWV heeft toegelicht dat de WIA-uitkering op 6 september 2018 is geweigerd. Dat betekent dat de periode van vijf jaar loopt vanaf 7 september 2018 tot en met 7 september 2023. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van eiser op 17 oktober 2023, heeft beoordeeld dat de klachten van eiser zijn toegenomen per die datum, ziet dit oordeel niet op de genoemde vijfjaartermijn.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV niet gehouden was om te onderzoeken of de beperkingen al eerder dan 17 oktober 2023 (de meldingsdatum) waren toegenomen. De bewijslast voor het aanleveren van objectieve relevante medische stukken ligt als aanvrager van de WIA-herbeoordeling bij eiser. Eiser heeft geen objectieve medische stukken aangeleverd waaruit blijkt dat in de Amber-periode sprake was van een toename van zijn klachten en beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na de hoorzitting in bezwaar aanleiding gezien om informatie op te vragen bij de huisarts van eiser en de POG-GGZ. Hieruit blijkt dat bij eiser op of rond de datum in geding van 17 oktober 2023 sprake is van recidiverende depressieve klachten (ernstige vitale depressie) met hoog suïcidaliteitsrisico, waarvoor eiser met spoed werd aangemeld bij de GGZ. Eiser kreeg hiervoor medicatie en hij wordt onvoldoende in staat geacht om voor zichzelf te zorgen, waardoor zijn lichamelijke klachten sterk verwaarloosd zijn. Uit de opgevraagde informatie van de POH van 18 februari 2025 blijkt ook dat eiser van 12 september 2023 tot en met 26 maart 2024 in behandeling is geweest. Hoewel er blijkens de verkregen informatie dus sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, zien die toegenomen klachten en beperkingen echter op een periode die buiten de Amber-periode valt. Van toegenomen beperkingen binnen de Amber-periode is niet gebleken. Om die reden wordt niet voldaan aan het vereiste uit artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk.
Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het instellen van het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank past de wegingsfactor ‘licht’ toe, omdat de proceskostenvergoeding alleen wordt toegekend voor het beroepschrift niet-tijdig beslissen waarin het enkel gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Het beroep tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard. Het griffierecht dat eiser heeft betaald voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het besluit van 4 april 2025. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaart, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.