RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8424
(gemachtigde: mr. M.Y. van Oel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Eiser werkte op basis van uitzendbedingen bij verschillende uitzendbureaus. Op 21 september 2024 is eiser ontslagen, omdat hij meerdere keren zonder gegronde reden afwezig was op zijn werk. Hierna heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
Op 7 april 2025 heeft eiser opnieuw een WW-aanvraag ingediend.
Met het besluit van 8 april 2025 heeft het UWV, naar aanleiding van de eerste WW-aanvraag, besloten dat eiser vanaf 21 september 2024 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat wordt geweigerd deze uit te betalen omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.
Met het besluit van 15 april 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV, naar aanleiding van de WW-aanvraag op 7 april 2025, bepaald dat eiser geen WW-uitkering krijgt, omdat niet wordt voldaan aan de wekeneis. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 16 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingediend tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft digitaal aan de zitting deelgenomen. Ter zitting is de gemachtigde van het UWV verschenen.
Standpunt eiser
2. Eiser betwist dat hij op 21 september 2024 verwijtbaar werkloos is geworden. Daarnaast stelt hij dat het UWV ten onrechte de periode voorafgaand aan 21 september 2024 buiten de referteperiode heeft gehouden, zodat ten onrechte is bepaald dat eiser niet aan de wekeneis voldoet.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft eerder een WW-aanvraag gedaan. Het UWV heeft op die aanvraag beslist met het besluit van 8 april 2025, waarin is besloten dat eiser recht heeft op een WW-uitkering, maar dat wordt geweigerd deze uit te betalen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Voor zover eiser betwist dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, overweegt de rechtbank dat eiser op het moment dat hij bekend werd met het besluit van 8 april 2025 (tijdig) bezwaar had moeten indienen tegen het besluit van 8 april 2025. Het UWV heeft erop gewezen dat het door eiser hiertegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, omdat dit te laat zou zijn ingediend en dat eiser tegen dat besluit in beroep (ROT 25/9675) is gegaan. Zoals ook tijdens de zitting is besproken kan eiser nu dus niet opkomen tegen de inhoud van het besluit van 8 april 2025. In onderhavige procedure gaat het enkel om de beslissing op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 april 2025, waarin het UWV heeft besloten dat eiser geen WW-uitkering krijgt, omdat niet wordt voldaan aan de wekeneis.
4. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV terecht heeft besloten dat aan eiser geen WW-uitkering wordt toegekend omdat niet is voldaan aan de wekeneis.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de eerste werkloosheidsdag 21 maart 2025 is. Voor een werknemer ontstaat recht op een uitkering indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. Dit wordt ook wel de ‘wekeneis’ genoemd. In dit geval loopt de periode van 36 weken (de referteperiode) van 8 juli 2024 tot 16 maart 2025.
Binnen die referteperiode is eiser eerder werkloos geworden, namelijk op 21 september 2024. Zoals onder 3 is weergegeven heeft eiser daarvoor eerder al een WW-aanvraag ingediend. Het UWV heeft op die aanvraag beslist met het besluit van 8 april 2025. Hoewel daarmee het eerdere recht op een WW-uitkering is ontstaan, is dit niet tot uitbetaling gekomen omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.
Omdat de weken van voor 21 september 2024 hebben geleid tot het ontstaan van een eerder recht op een WW-uitkering, zoals dus blijkt uit het besluit van 8 april 2025, mogen die weken niet nogmaals worden meegenomen in de beoordeling van een nieuw recht op een WW-uitkering, zoals hier aan de orde. Het UWV heeft daarom alleen kunnen kijken naar de (resterende) periode tussen 21 september 2024 tot en met 21 maart 2025. Het UWV stelt dat eiser binnen de referteperiode heeft gewerkt van 4 november 2024 tot en met 16 maart 2025. Eiser heeft dit niet betwist. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat eiser in deze periode heeft gewerkt. Bij het optellen van deze weken zou eiser in totaal 19 kalenderweken hebben gewerkt. Omdat eiser binnen de referteperiode in ten minste 26 weken minstens één uur per kalenderweek gewerkt moet hebben, terwijl dat in dit geval in slechts 19 kalenderweken is, voldoet hij niet aan de wekeneis.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eiser geen WW-uitkering krijgt, omdat niet wordt voldaan aan de wekeneis.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.