ECLI:NL:RBROT:2026:13887

ECLI:NL:RBROT:2026:13887

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer ROT 25/4675
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

WW. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het UWV het beleid juist heeft toegepast en het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Niet is gebleken dat eiser een verschoonbare reden had voor het te laat aanleveren van de inkomstenopgave bij het UWV. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4675

(gemachtigde: mr. A. Staal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Procesverloop

Met het besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV bepaald dat eiser over de periode van 1 september 2024 tot en met 5 januari 2025 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), omdat het UWV over de periode van 1 september 2024 tot en met 30 september 2024 niet tijdig een inkomstenopgave van eiser heeft ontvangen.

Met het besluit van 7 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vervolgens heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend, waarna het UWV een aanvullend verweerschrift heeft ingediend.

Met een brief van 23 april 2026 heeft de rechtbank partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevraagd of een onderzoek ter zitting achterwege kan worden gelaten. In reactie op deze brief heeft de gemachtigde van eiser op 6 mei 2026 kenbaar gemaakt dat eiser op een zitting wil worden gehoord voor een toelichting op zijn persoonlijke omstandigheden.

Eiser heeft vervolgens een nader stuk ingediend. Het UWV heeft een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.

Op 2 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend ter verkrijging van een WW-uitkering. Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het UWV aan eiser een WW-uitkering toegekend voor de (maximale) periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2026. Hierin is aan eiser medegedeeld dat de uitkering pas aan hem wordt uitbetaald, nadat het UWV zijn maandelijkse inkomstenopgave heeft ontvangen. Hierbij staat expliciet vermeld dat de inkomstenopgave ook moet worden ingevuld en worden opgestuurd als eiser geen inkomsten heeft.

Uit het Werkplan van 19 augustus 2024 volgt dat eiser van 1 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025 als zelfstandige wil gaan werken. Met het besluit van 19 augustus 2024 heeft het UWV eiser toestemming gegeven voor een startperiode die begint op 1 augustus 2024 en duurt tot en met 31 januari 2025, waardoor de WW-uitkering van eiser tijdens de startperiode met 29% wordt verlaagd. In dit besluit is opgenomen dat eiser elke maand een inkomstenopgave bij het UWV moet indienen.

Met de brief van 4 november 2024 heeft het UWV een herinnering aan eiser verstuurd: het UWV heeft de inkomstenopgave over de maand september 2024 nog niet ontvangen en eiser wordt om die reden verzocht om de inkomstenopgave uiterlijk 15 november 2024 op te sturen.

Met het besluit van 18 november 2024 heeft het UWV bepaald dat de WW-uitkering met ingang van 1 september 2024 wordt beëindigd, omdat het UWV de inkomstenopgave over de maand september 2024 niet tijdig van eiser heeft ontvangen. In dit besluit verzoekt het UWV eiser om de gevraagde informatie uiterlijk 30 december 2024 aan te leveren om het recht op een WW-uitkering te behouden. Daarbij vermeldt het UWV dat als eiser de gevraagde informatie pas na deze datum aanlevert, de WW-uitkering mogelijk pas ingaat op het moment dat het UWV de gevraagde informatie van eiser heeft ontvangen.

Met de eerste brief van 14 januari 2025 heeft het UWV medegedeeld dat de inkomstenopgave over de maand september 2024 is ontvangen en dat de WW-uitkering van eiser (met terugwerkende kracht) vanaf 1 september 2024 wordt hervat. Met deze brief heeft het UWV eiser een waarschuwing gegeven voor het niet tijdig indienen van de inkomstenopgave over de maand september 2024, zonder hieraan gevolgen te verbinden.

Het UWV heeft met een tweede brief van 14 januari 2025 (nogmaals) aan eiser kenbaar gemaakt dat eiser een waarschuwing krijgt voor het niet tijdig indienen van de inkomstenopgave en dat dit voor nu geen gevolgen heeft voor zijn WW-uitkering.

Met het primaire besluit heeft het UWV gewezen op de twee brieven van 14 januari 2025 die naar eiser zijn verstuurd en medegedeeld dat uit nieuwe informatie blijkt dat het verzoek van eiser om terug te komen op het intrekkingsbesluit van de WW-uitkering buiten de bezwaartermijn is ingediend en dat om die reden de eerstgenoemde brief van 14 januari 2025 komt te vervallen. Met dit besluit heeft het UWV ook besloten om de WW-uitkering met ingang van 6 januari 2025 te hervatten (in plaats van per 1 september 2024 zoals eerder aan eiser is medegedeeld).

Met het bestreden besluit is het UWV bij het primaire besluit gebleven.

Standpunt eiser

3. Eiser betoogt dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust en dat een draagkrachtige motivering ontbreekt. Eiser stelt dat hij zijn inkomstenopgave over de maand september 2024 niet tijdig heeft kunnen indienen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. Hij had in de periode van 1 september 2024 tot en met 5 januari 2025 onder meer persoonlijke problemen. Hij stond onder behandeling voor zijn psychische klachten en kampte met slaapstoornissen, waardoor hij problemen had met het (tijdig) nakomen van afspraken. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een huisartsenjournaal van 1 juli 2026. Op 9 januari 2026 heeft eiser alsnog de inkomstenopgave bij het UWV ingediend, waarmee hij heeft verzocht om herziening van het eerdere besluit tot beëindiging van de WW-uitkering van 18 november 2024. Met de alsnog ingediende inkomstenopgave had het UWV voldoende informatie om het recht op een WW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2024 vast te stellen. Dat heeft het UWV nagelaten. Volgens eiser heeft het UWV daarom in strijd gehandeld met de artikelen 3:4, tweede lid, en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser stelt dat het doel van de informatieverplichting, namelijk het vaststellen van het recht op uitkering door het UWV, is bereikt. Daarnaast stelt eiser dat er geen noodzaak bestond dat hij zijn uitkering zou verliezen. Ten aanzien van de evenwichtigheid merkt eiser op dat hij niet frauduleus heeft gehandeld en het UWV niet heeft benadeeld.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 22a, eerste lid aanhef en onder c, van de WW trekt het UWV een besluit tot toekenning van uitkering in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

Op grond van artikel 25, eerste volzin, van de WW is de werknemer verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (hierna: de Beleidsregels) bepaalt, voor zover hier van belang, dat een uitkering die als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verstrekt, wordt ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop de verzekerde wel aan zijn verplichting had voldaan. Is deze dag niet te bepalen, dan vindt de intrekking plaats met ingang van de dag vanaf welke het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

Uit artikel 6 van de Beleidsregels volgt dat indien de verzekerde alsnog aan zijn of haar verplichtingen voldoet en om toekenning (hervatting) van uitkering vraagt, dit wordt opgevat als een verzoek om terug te komen van de intrekkings- of herzieningsbeschikking. De uitkering wordt niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Als de verzekerde echter alsnog aan zijn verplichtingen voldoet voordat de termijn van bezwaar tegen de intrekking of herziening is verlopen, of voordat op het bezwaar is beslist, wordt de betaling met terugwerkende kracht tot en met de datum met ingang waarvan zijn uitkering is ingetrokken of herzien hervat, voor zover alsnog het recht kan worden vastgesteld en aan alle overige voorwaarden voor betaling is voldaan.

Uit artikel 3, tweede lid, van het Uitkeringsreglement WW 2015 volgt dat de werknemer over iedere maand het formulier inkomstenopgave invult en opstuurt naar het UWV op de wijze zoals is beschreven in de Beleidsregel elektronische communicatie UWV en de daarbij behorende bijlage. De werknemer moet het formulier uiterlijk op de 15e dag van de tweede maand, na de kalendermaand waarop de inkomstenopgave betrekking heeft, verzenden.

Beoordeling door de rechtbank

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de inkomstenopgave over september 2024 niet tijdig heeft ingediend. Het houdt partijen verdeeld of het niet tijdig indienen van de inkomstenopgave over de maand september 2024 door het UWV verschoonbaar moet worden geacht gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser in die periode en of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

6. Allereerst dient de rechtbank te beslissen over de vraag of het niet tijdig indienen van de inkomstenopgave door eiser verschoonbaar te achten is gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Daarna beoordeelt de rechtbank of het UWV het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen. Daarbij neemt de rechtbank ook het evenredigheidsbeginsel in aanmerking.

Is het niet tijdig indienen van de inkomstenopgave verschoonbaar te achten?

7. De rechtbank heeft het UWV tijdens de zitting gevraagd of er situaties denkbaar zijn waarin een termijnoverschrijding voor het aanleveren van informatie verschoonbaar te achten is. Het UWV heeft vervolgens toegelicht dat die situaties denkbaar zijn, mits de medische gronden daarvoor aanleiding geven. Om die reden heeft het UWV de vraag aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorgelegd of de persoonlijke omstandigheden van eiser in dit geval aanleiding geven om de termijnoverschrijding op medische gronden verschoonbaar te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 10 augustus 2026 toegelicht dat het duidelijk is dat bij eiser sprake was van sociale problematiek waardoor spanningsklachten aan de orde waren, maar dat uit het dossier niet blijkt dat bij eiser sprake was van slaapstoornissen, bij hem ook geen diagnose op psychisch/psychiatrisch gebied is gesteld, dat geen sprake was van een ernstige psychiatrische aandoening en geen sprake was van een andere neurologische of acute medische aandoening waardoor stoornissen aan de orde waren op cognitief gebied. Uit de bevindingen van de huisarts kan ook niet worden afgeleid dat eiser in de periode van september 2024 tot en met begin januari 2025 niet in staat was om zelfstandig te handelen.

De rechtbank heeft begrip voor de persoonlijke situatie van eiser, toch blijkt uit de gemotiveerde reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser medisch in staat was om zelfstandig, dan wel door middel van hulp van derden, (tijdig) een inkomstenopgave bij het UWV in te dienen. Dit houdt in dat niet is gebleken van een verschoonbare reden voor het te laat aanleveren van de inkomstenopgave bij het UWV.

Heeft het UWV het bestreden besluit op juiste gronden genomen?

8. De rechtbank overweegt dat het UWV eiser voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verplichting om maandelijks een inkomstenopgave aan het UWV te overleggen. Eiser is met het besluit van 3 juli 2024, waarin aan hem een WW-uitkering is toegekend van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2026, door het UWV geïnformeerd dat hij elke maand een inkomstenopgave moet invullen en opsturen om de WW-uitkering te ontvangen, ook als er geen inkomsten zijn. Nadat eiser heeft aangegeven te willen starten als zelfstandige heeft het UWV eiser op 19 augustus 2024 een brief gestuurd waarin dit nogmaals is vermeld. Omdat het UWV over de maand september 2024 geen inkomstenopgave heeft ontvangen, heeft het UWV eiser met de brief van 4 november 2024 verzocht om dit alsnog bij het UWV aan te leveren. Het UWV heeft eiser daarvoor tot en met 15 november 2024 de gelegenheid gegeven. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Om die reden kon het UWV op dat moment het recht op een WW-uitkering niet (meer) vaststellen. Met de brief van 18 november 2024 heeft het UWV kenbaar gemaakt dat de inkomstenopgave over de maand september 2024 nog niet is ontvangen en de WW-uitkering van eiser daarom per 1 september 2024 wordt beëindigd. In die brief staat ook dat als eiser zijn WW-uitkering wil behouden, hij de gevraagde informatie uiterlijk op 30 december 2024 naar het UWV moet opsturen. Daarbij heeft het UWV gewezen op de mogelijke gevolgen als eiser de gevraagde informatie pas na die datum opstuurt, namelijk dat een mogelijke WW-uitkering pas (weer) ingaat op het moment dat de gevraagde informatie door het UWV is ontvangen. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het UWV eiser voldoende heeft geïnformeerd over zijn informatieverplichting en de mogelijke gevolgen als hij de gevraagde informatie niet tijdig bij het UWV zou aanleveren.

Eiser heeft de inkomstenopgave uiteindelijk op 9 januari 2025 bij het UWV aangeleverd. Uit artikel 6 van de Beleidsregels volgt dat als de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen voldoet en om toekenning (of hervatting) van de uitkering vraagt, dit moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de intrekkingsbeschikking. De uitkering wordt dan niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Als de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen voldoet voordat de bezwaartermijn tegen de intrekkingsbeschikking is verlopen, moet het UWV de betaling met terugwerkende kracht tot en met de datum met ingang waarvan zijn uitkering is ingetrokken worden hervat, voor zover alsnog het recht op die uitkering kan worden vastgesteld en aan alle overige voorwaarden voor betaling is voldaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser tot en met 30 december 2024 de tijd had om in bezwaar te gaan tegen het intrekkingsbesluit van 18 november 2024. Als eiser de inkomstenopgave vóór 30 december 2024 had ingediend, had de uitbetaling van de WW-uitkering met terugwerkende kracht per 1 september 2024 kunnen worden hervat. Eiser heeft de inkomstenopgave echter pas op 9 januari 2025 en dus na afloop van de bezwaartermijn ingediend, waardoor het UWV de uitbetaling van de WW-uitkering overeenkomstig artikel 6 van de Beleidsregels per de eerste dag van die week, namelijk 6 januari 2025, heeft kunnen hervatten. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het UWV het beleid juist heeft toegepast en het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Het UWV heeft dit ook op deze manier toegelicht in het bestreden besluit. De rechtbank volgt de stelling dat het bestreden besluit zou rusten op een onjuiste grondslag en aan dit besluit geen draagkrachtige motivering ten grondslag ligt, dan ook niet.

Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

9. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Hierbij speelt de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit een rol.

De rechtbank overweegt dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het doel van de informatieverplichting is dat informatie tijdig wordt aangeleverd zodat het UWV het recht op een uitkering kan vaststellen. Omdat eiser zich niet op tijd aan die informatieverplichting heeft gehouden, heeft het UWV het recht op een uitkering (tijdelijk) niet (meer) kunnen vaststellen voor de periode van 1 september 2024 tot en met 5 januari 2025 en daarom genoodzaakt gezien het recht op een uitkering (tijdelijk) te beëindigen. De omstandigheid dat eiser niet frauduleus heeft gehandeld en het UWV niet heeft benadeeld, doet daar niet aan af. Het UWV was overeenkomstig de wet- en regelgeving gehouden om de uitkering in een dergelijke situatie te beëindigen. De enkele stelling dat eiser vanwege de beëindiging van zijn recht op uitkering zware financiële gevolgen ondervindt, maakt niet dat sprake zou zijn van een onevenwichtig besluit.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te tekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand