ECLI:NL:RBROT:2026:13889

ECLI:NL:RBROT:2026:13889

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer ROT 24/2518
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wet WIA. Er is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, zodat ook niet wordt toegekomen aan de duurzaamheidsbeoordeling. Daarnaast volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat eiser meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de in bezwaar geduide functies de belastbaarheid van eiser overschrijden. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/2518

(gemachtigde: mr. Y.M. Venderbos),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. T. Rook),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

[bedrijf] B.V., uit [plaats] , ex-werkgever.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 6 februari 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het UWV aangevraagd.

Met het besluit van 8 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser per 15 mei 2023 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, te weten 29,01%. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Met de brief van 23 november 2023 heeft het UWV eiser laten weten dat de beslistermijn is verlengd met zes weken.

Met de brief van 4 januari 2024 heeft het UWV opnieuw kenbaar gemaakt de beslistermijn te willen verlengen, dit keer tot en met 5 februari 2024.

Op 15 januari 2024 heeft eiser kenbaar gemaakt geen toestemming te hebben verleend voor het uitstellen van de beslistermijn en heeft eiser het UWV in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Met het besluit van 26 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat eiser per de datum in geding 73,77% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met als bijlage een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 april 2024.

Op 27 mei 2024 heeft de ex-werkgever zich als belanghebbende gesteld.

Eiser heeft op 13 december 2024 kenbaar gemaakt hij niet akkoord gaat met het verstrekken van zijn medische gegevens aan de ex-werkgever.

Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 31 januari 2025 bepaald dat de ex-werkgever geen inzage krijgt in de in deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van eiser.

Op 24 juni 2025 heeft de ex-werkgever laten weten dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een advocaat of een andere rechtshulpverlener in te schakelen om kennis te nemen van de medische stukken in deze zaak.

De rechtbank heeft partijen op 19 mei 2026 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 22 juni 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is bij zijn ex-werkgever werkzaam geweest als productieleider voor gemiddeld 39,77 uur per week. Eiser heeft zich op 17 mei 2021 ziek gemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Op 6 februari 2023 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.

In het kader van zijn WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 23 maart 2023 op het spreekuur gezien en op 27 april 2023 een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 23 maart 2023. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat eiser verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de FML. In de FML zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, en 6. Werktijden.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in de rapportage van 4 mei 2023, met inachtneming van de beperkingen van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk, maar wel geschikt is voor drie andere functies. Aanvullend wordt eiser nog geschikt geacht voor twee andere functies. Het loon dat eiser met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 29,01% lager dan het loon dat hij met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen, waarin is bepaald dat eiser per 15 mei 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 19 december 2023 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van het primaire oordeel van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de FML te wijzigen, waardoor hij op 21 december 2023 een nieuwe FML heeft opgesteld, die geldig is vanaf 15 mei 2023. Hierin zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 15 januari 2024, met inachtneming van de beperkingen van eiser zoals opgenomen in de gewijzigde FML, geconcludeerd dat alle primair geduide functies niet meer geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft wel drie nieuwe functies kunnen duiden binnen de belastbaarheid van eiser, te weten Huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code: 111334), Papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagewerker (SBC-code: 268040) en Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Op basis van deze in bezwaar nieuw geduide functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 73,77%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert in beroep aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen en dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Eiser stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van zijn mentale en fysieke klachten meer beperkingen had moeten aannemen. Volgens eiser is de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorbijgegaan aan een aantal beperkingen die de bedrijfsarts wel heeft aangenomen in de door de bedrijfsarts opgestelde FML. Daarbij valt te denken aan beperkingen die vallen onder de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen en 4. Dynamische handelingen. Eiser stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze beperkingen had moeten overnemen. Gelet op de beperkingen van eiser, stelt hij zich op het standpunt dat hij de in bezwaar geduide functies niet kan uitoefenen. Ten aanzien van de functie Huishoudelijk medewerker gebouwen stelt eiser dat hij geen priegelwerk kan verrichten (zoals het plaatsen van microvezeldoekjes op een schoonmaakstok), dat hij niet in een hoog handelingstempo kan werken en dat deze functie qua fysieke belasting te zwaar voor hem is omdat de kamers voor 08:00 uur klaar moeten zijn. Binnen de functie Papierwarenmaker is volgens eiser vanwege het inleggen en inpakken van piano’s sprake van repetitieve handelingen met een hogere frequentie, waardoor deze functie niet geschikt is voor eiser. Ten aanzien van beide functies stelt eiser dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de begrippen ‘frequentie’ en ‘hoog handelingstempo’ door elkaar haalt. Daarnaast stelt eiser dat de functie Administratief medewerker vanwege zijn mentale klachten niet geschikt is. Bovendien stelt eiser dat van een onjuiste indexering van het maatmaninkomen is uitgegaan. Volgens eiser heeft het UWV ten onrechte het CBS-loonindexcijfer van maart 2023 aangehouden, terwijl dat van mei 2023 gehanteerd had moeten worden.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede en derde lid wordt onder duurzaam verstaan: een medisch stabiele of verslechterde situatie dan wel een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: het Schattingsbesluit) zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgever te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van de uitspraak voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 15 mei 2023, de datum in geding, terecht heeft vastgesteld op 73,77%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat wordt geacht om de in bezwaar geduide functies te verrichten.

Medische beoordeling

7. Voor de beoordeling of een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is moet (onder andere) worden gekeken naar de artikelen 4, 5 en 6 van de Wet WIA en het bepaalde in het Schattingsbesluit. Daarbij moet eerst worden bezien of sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, voordat de duurzaamheid daarvan kan worden beoordeeld. De vaststelling of iemand volledig arbeidsongeschikt is kan, afhankelijk van de situatie, twee grondslagen hebben: alleen op verzekeringsgeneeskundige gronden (geen benutbare mogelijkheden) of op verzekeringsgeneeskundige én arbeidsdeskundige gronden (rekening houdend met beperkingen een loonverlies van 80% of meer). Weliswaar maakt de rechtbank uit de rapportage van 19 december 2023 op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in afwijking van de primaire verzekeringsarts, gemotiveerd heeft aangegeven dat op enkele onderdelen (meer) beperkingen moeten worden aangenomen, hieruit kan echter niet worden opgemaakt dat aan de hand van die aangenomen beperkingen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op verzekeringsgeneeskundige gronden. Uit het dossier maakt de rechtbank ook niet op dat bij eiser sprake zou zijn van minimaal één van de uitzonderingscriteria zoals deze zijn vastgelegd in het Schattingsbesluit. Ook overweegt de rechtbank dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op verzekeringsgeneeskundige én arbeidsdeskundige gronden, omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met inachtneming van de in de FML opgenomen beperkingen van eiser functies heeft kunnen duiden waarbij het loonverlies 73,77 % (en dus minder dan 80%) bedraagt. Eiser wordt dus niet volledig arbeidsongeschikt geacht, zodat ook niet wordt toegekomen aan de duurzaamheidsbeoordeling.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Naar aanleiding van de door eiser ingebrachte bezwaargronden en de medisch objectieve gegevens die daaraan ten grondslag liggen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel mentale als fysieke beperkingen aangenomen die tot uitdrukking komen in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6.Werktijden. In beroep voert eiser (nagenoeg) dezelfde gronden aan als in bezwaar, zonder daaraan (nieuwe) medische informatie ten grondslag te leggen en zonder daarbij gemotiveerd en concreet aan te geven waarom eiser het niet eens is met de reeds aangenomen beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank benadrukt dat het aan eiser is om te onderbouwen dat er ten opzichte van de beoordeling in bezwaar (nog) meer of verdergaande beperkingen aangenomen moeten worden. Eiser heeft dat naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het UWV meer beperkingen had moeten aannemen dan reeds in de FML van 21 december 2023 zijn aangenomen. De omstandigheid dat de bedrijfsarts meer beperkingen heeft aangenomen, zoals eiser stelt, maakt ook niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen in de FML had moeten aannemen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt immers dat een oordeel van de bedrijfsarts ziet op re-integratie en daarmee een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij op 15 mei 2023 meer beperkingen had dan reeds is opgenomen in de FML van 21 december 2023.

Arbeidsdeskundige beoordeling

8. De rechtbank heeft verder geen redenen om de geschiktheid van eiser voor de in bezwaar geduide functies in twijfel te trekken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de aanvullende rapportage van 23 april 2024 voldoende concreet gemotiveerd dat de belasting in deze functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser in de FML van 21 december 2023 niet overschrijdt. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hiertoe ook nog enkele punten besproken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Ten aanzien van de functie Huishoudelijk medewerker gebouwen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep immers toegelicht dat eiser fijne motorische hand- en vingerbewegingen kan uitvoeren en kleine voorwerpen kan oppakken, zodat een handeling van het plaatsen van microvezeldoekjes op een schoonmaakstok binnen de belastbaarheid van eiser valt. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat deze handeling niet onder priegelwerk valt. Over het punt ‘handelingstempo’ heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de werkzaamheden binnen deze functie binnen de belastbaarheid van eiser vallen. Binnen deze functie komen poetsbewegingen voor, terwijl ook andere taken moeten worden uitgevoerd, waarbij de handelingen niet in een beduidend hoger tempo uitgevoerd moeten worden dan een gebruikelijk tempo in andere gangbare arbeid. Omdat sprake is van verschillende handelingen is tijdens de overgang van de ene handeling naar de andere handeling ook sprake van onderbrekingsmomenten van de hand- en vingerbelasting. Deze functie overschrijdt de belastbaarheid van eiser daarom niet.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat binnen de functie Papierwarenmaker geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt. Binnen deze functie wordt niet samengewerkt aan één taak, eiser zou een afgebakende deeltaak hebben. Ook voor deze functie geldt dat de handeling om piano’s in de machine te leggen niet in een zodanig tempo wordt uitgevoerd dat beduidend hoger ligt dan het gebruikelijke handelingstempo in gangbare arbeid, mede gezien de relatief lage frequentie van 10 keer per minuut. Daarbij komt dat het aankunnen van een redelijke frequentie binnen de belastbaarheid van eiser valt.

Ten aanzien van de functie Administratief medewerker heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat ook de werkzaamheden in deze functie niet de belastbaarheid van eiser overschrijden. Voor deze functie geldt dat vanwege het routinematige karakter van de werkzaamheden geen groot beslag hoeft te worden gelegd op de geheugencapaciteit van eiser. Binnen deze functie gaat het om eenvoudige administratieve ondersteunende taken waarbij het mogelijk is om aantekeningen te maken, zodat mentaal niet al te veel van eiser gevraagd wordt. Daarnaast leent dit werk zich er goed voor om aparte notities of aantekeningen te maken en ernaast te kunnen houden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de in bezwaar geduide functies de belastbaarheid van eiser zouden overschrijden.

9. De rechtbank volgt ook de stelling van eiser dat een onjuiste indexering van het maatmaninkomen heeft plaatsgevonden, niet. In de rapportage van 15 januari 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep al afdoende toegelicht dat, op het moment dat het CBBS is geraadpleegd op 3 mei 2023, het laatst bekende CBS-loonindexcijfer van maart 2023 was en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarom dit cijfer heeft gehanteerd. Het CBS-loonindexcijfer van mei 2023 is ook pas bekendgemaakt op 1 juni 2023. Eiser heeft niets tegen deze toelichting ingebracht.

10. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 73,77%.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand