RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11831729 CV EPXL 25-17145
datum uitspraak: 2 oktober 2026 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [eiser] ,
woonplaats: [plaats 1] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[bedrijf 1] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
[bedrijf 1] ,
gemachtigde: Groene Hart Juristen B.V.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 23 april 2025, met bijlagen;
het verstekvonnis van deze rechtbank van 11 juni 2025 met zaaknummer 11722506 CV EXPL 25-12641;
de verzetdagvaarding van 1 augustus 2025, met bijlagen;
de repliek, met bijlagen;
de nadere stukken van [eiser] .
Op 22 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] en namens [bedrijf 1] [naam 1] ( [functie-aanduiding 1] ) en [naam 2] ( [functie-aanduiding 2] ).
2. De feiten
[eiser] is zzp’er. [bedrijf 1] stelt zzp’ers ter beschikking aan hotels voor het uitoefenen van werkzaamheden als nachtreceptionist.
Halverwege 2024 hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] in opdracht van [bedrijf 1] als nachtreceptionist bij hotels werkzaam is geweest. Artikel 2.3 van deze overeenkomst luidt als volgt:
“2.3 Werken tijdens feestdagen
Opdrachtnemer gaat expliciet akkoord dat hij 24, 25, 26 en 31 december en 1 januari beschikbaar is om te werken. Opdrachtgever zal maximaal 3 van deze nachten inroosteren of eventueel meer indien Opdrachtnemer dit wenst. […] Vooraf aangevraagd verlof en/of annulering van een of meer nachten van deze nachten om welke reden dan ook kost de Opdrachtnemer een vergoeding van 200% aan Opdrachtgever te berekenen over het door Opdrachtnemer te ontvangen honorarium van betreffende complete dienst. […]”
In 2022 en 2023 had [eiser] ook al voor aan [bedrijf 1] gelieerde opdrachtgevers gewerkt, op basis van overeenkomsten waarin hetzelfde was bepaald als zojuist weergegeven.
Bij mail van 15 november 2024 heeft [eiser] zijn beschikbaarheid voor de maand december doorgegeven. Hij heeft laten weten de gehele maand afwezig te zijn in verband met een lange vakantie. Een dag later is op deze mail als volgt gereageerd:
“Goedemorgen [eiser] ,
Bedankt voor je email.
Wij zullen je de gehele maand december op verlof zetten. We zien je dan 1 januari weer terug. Geef op tijd je KvK nummer door van je BV.
Fijne dag vandaag en alvast een fijne vakantie!
Blijf positief, sterk en gezond!”
[eiser] heeft in november 2024 voor [bedrijf 1] gewerkt en daarvoor op 24 december 2024 een factuur tot een bedrag van € 2.058,27 verstuurd.
Van dit bedrag heeft [bedrijf 1] een klein deel betaald. Een bedrag van € 1.658,76 heeft [bedrijf 1] ingehouden. Dit heeft zij gedaan bij wijze van verrekening met een aan [eiser] gerichte factuur ten belope van € 1.658,76 voor vier “geannuleerde diensten” op 24, 25, 26 en 31 december 2024.
[eiser] heeft tegen deze inhouding geprotesteerd. [bedrijf 1] heeft het resterende bedrag van de factuur van [eiser] niet alsnog voldaan.
3. Het geschil
[eiser] eist samengevat:
[bedrijf 1] te veroordelen aan hem te betalen € 1.955,83 met rente;
[bedrijf 1] te veroordelen in de proceskosten met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 1.658,-, rente van € 49,13 (berekend tot en met de dag van dagvaarden) en buitengerechtelijke kosten van € 248,70.
In het genoemde verstekvonnis is de eis toegewezen.
[bedrijf 1] is het niet eens met de eis en het verstekvonnis. Zij wil dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vordering van [eiser] alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4. De beoordeling
Het verzet is tijdig ingesteld
[bedrijf 1] heeft onbetwist gesteld dat zij pas op 18 juli 2025 door middel van een mail van [eiser] van de veroordeling op de hoogte is geraakt. De verzetdagvaarding dateert van 1 augustus 2025. Dat is binnen de termijn van artikel 143 lid 2 Rv.
[bedrijf 1] heeft geen recht op een vergoeding op grond van artikel 2.3
De vordering van [eiser] heeft betrekking op het deel van zijn factuur van 24 december 2024 dat [bedrijf 1] heeft ingehouden. De juistheid van de factuur staat niet ter discussie. [eiser] heeft dus in principe recht op voldoening van het volledige bedrag van die factuur, tenzij [bedrijf 1] daarop terecht een bedrag in mindering heeft gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Dit oordeel licht hij als volgt toe.
[bedrijf 1] beroept zich op artikel 2.3 van de overeenkomst. Zij stelt dat zij deze bepaling in de overeenkomsten met zzp’ers heeft opgenomen om ervoor te zorgen dat de diensten tijdens de feestdagen eerlijk over alle zzp’ers kunnen worden verdeeld. Veel mensen willen in deze periode namelijk liever niet werken. Met dit artikel is vastgelegd dat een zzp’er best mag aangeven niet beschikbaar te zijn, maar dat hij dan wel een vergoeding verschuldigd is aan de opdrachtgever. Het artikel werkt dus als een stimulans om vooral wel beschikbaar te zijn tijdens de feestdagen.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de uitleg van artikel 2.3 van de overeenkomst op zichzelf niet ter discussie staat. [eiser] is het met [bedrijf 1] eens dat hij op grond van deze bepaling een vergoeding aan [bedrijf 1] is verschuldigd als hij tijdens de feestdagen niet beschikbaar is. Voor de feestdagen van 2024 was hij niet beschikbaar, dus is hij in principe die vergoeding verschuldigd.
Dit is echter niet het einde van het verhaal. Partijen bij een overeenkomst moeten zich tegenover elkaar gedragen volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid. Die eisen brengen in dit geval mee dat van [bedrijf 1] had mogen worden verwacht [eiser] erop te wijzen dat zijn niet-beschikbaarheid in december betekende dat hij een (forse) vergoeding verschuldigd zou worden. Zo’n waarschuwing heeft [bedrijf 1] niet gegeven. Door dat niet te doen heeft zij in de gegeven omstandigheden als het ware haar recht verspeeld om die vergoeding bij [eiser] in rekening te brengen. Toepassing van artikel 2.3 van de overeenkomst is in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW).
De kantonrechter baseert dit oordeel op de volgende omstandigheden.
[eiser] heeft verklaard dat hij er op basis van de reactie van [bedrijf 1] op zijn mail vanuit is gegaan dat daarmee ook de vergoeding wegens niet-beschikbaarheid tijdens de feestdagen van tafel zou zijn. Gelet op de luchtige toon van die reactie (zie 2.3) is dat naar het oordeel van de kantonrechter niet zo gek. Sterker nog, het moet voor [bedrijf 1] evident zijn geweest dat [eiser] er vanuit ging dat hij zonder forse negatieve financiële consequenties in december op vakantie kon gaan. Het ligt namelijk totaal niet voor de hand dat een zzp’er die voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de opdrachten van [bedrijf 1] bereid zou zijn om bijna alles wat hij over november heeft verdiend weer aan zijn opdrachtgever af te staan omdat hij tijdens de feestdagen vrij wil zijn. [bedrijf 1] had in elk geval serieus rekening moeten houden met de grote kans dat [eiser] de reactie van [bedrijf 1] op zijn mail zo zou opvatten als hij heeft gedaan. In die situatie lag het zeer voor de hand dat [bedrijf 1] [eiser] in haar reactie op zijn mail op deze consequentie zou wijzen. Dit was een kleine moeite en dat mocht daarom ook van [bedrijf 1] worden verwacht. Dat geldt nog sterker, omdat de contractuele regeling uit haar koker komt en zij ook overigens de dominante partij is in de verhouding met [eiser] .
Verder is nog van belang dat [bedrijf 1] , zoals blijkt uit haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling, door de niet-beschikbaarheid van [eiser] tijdens de feestdagen niet in de problemen is gekomen bij de bezetting van de nachtreceptionistdiensten. Weliswaar heeft zij een nieuwe zzp’er in december moeten aantrekken en inwerken, maar de kantonrechter ziet niet in waarom dit een nadeel van [bedrijf 1] zou zijn. Aangenomen moet worden dat zzp’ers komen en gaan en dat [bedrijf 1] dus ook als [eiser] wel beschikbaar zou zijn geweest op enig moment weer een nieuwe zzp’er had moeten inwerken. [bedrijf 1] heeft op zichzelf een redelijk belang bij een regeling die bedoeld is om de diensten tijdens de feestdagen eerlijk over de zzp’ers te verdelen, maar zij had bij haar beslissing om “geannuleerde” diensten bij [eiser] in rekening te brengen rekening moeten houden met het feit dat zij in dit specifieke geval kennelijk geen problemen heeft gehad bij de invulling van de diensten. Overigens heeft [bedrijf 1] ook ten onrechte vier van die diensten bij [eiser] in rekening gebracht, terwijl artikel 2.3 van de overeenkomst slechts recht geeft op vergoeding voor drie diensten. Ook dit draagt bij aan het oordeel dat [bedrijf 1] niet heeft gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht.
Het handelen van [bedrijf 1] is in de gegeven omstandigheden zozeer niet in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid en de gevolgen daarvan zijn voor [eiser] zo fors, dat het beroep van [bedrijf 1] op artikel 2.3 van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat betekent dat zij geen recht heeft op de vergoeding voor “geannuleerde” diensten en dat zij deze vergoeding dus ten onrechte op de factuur van [eiser] in mindering heeft gebracht.
[eiser] heeft dus recht op betaling van het ingehouden deel van zijn factuur. Zijn vordering is daarom toewijsbaar.
Verschil tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] is niet relevant
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bedrijf 1] nog aangevoerd dat de mailwisseling van 15 en 16 november 2024 heeft plaatsgevonden met een andere vennootschap, namelijk [bedrijf 2] . Wat [bedrijf 1] hiermee wil zeggen is niet direct duidelijk, maar dat is ook niet van belang. De in 2.3 weergegeven mail is verstuurd door de persoon die ook de algemeen directeur is van [bedrijf 1] (en die als zodanig ook aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling en namens [bedrijf 1] het woord heeft gevoerd). Bovendien heeft [eiser] onbetwist verklaard dat alle communicatie over de inroostering plaatsvond met [bedrijf 2] en niet met [bedrijf 1] . De communicatie met [bedrijf 2] moet in deze omstandigheden daarom aan [bedrijf 1] worden toegerekend.
[bedrijf 1] moet incassokosten van € 248,70 betalen
De incassokosten van € 248,70 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[bedrijf 1] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [bedrijf 1] dat niet heeft betwist.
Het verstekvonnis wordt bekrachtigd
Het voorgaande betekent dat er geen reden is om het verstekvonnis van 11 juni 2025 te vernietigen. De kantonrechter bekrachtigt dit vonnis dan ook.
[bedrijf 1] moet de proceskosten betalen
De proceskosten in de verzetprocedure komen voor rekening van [bedrijf 1] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf 1] aan [eiser] moet betalen op € 276,-. Dat is het door [eiser] gehanteerde uurtarief voor tweemaal een halve dag (4 × € 33,- en 4 × € 36,-), omdat hij twee keer bij de kantonrechter heeft moeten verschijnen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij hierdoor inkomsten heeft gederfd. Het gaat hier om schadevergoeding, dus hierover is geen BTW verschuldigd. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [bedrijf 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
bekrachtigt het op 11 juni 2025 tussen de partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11722506 CV EXPL 25-12641;
veroordeelt [bedrijf 1] in de kosten van de verzetprocedure, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 276,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.
20336