ECLI:NL:RBROT:2026:13920

ECLI:NL:RBROT:2026:13920

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 12340002 VZ VERZ 26-3343
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Werkgever heeft het loon van werknemer terecht stopgezet vanwege het weigeren van passende werkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12340002 VZ VERZ 26-3343

datum uitspraak: 1 oktober 2026

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

[verzoeker] ,

woonplaats: [plaats] ,

verzoeker,

gemachtigden: mr. M.A. de Jager en mr. L.J. Witvliet,

tegen

Snoei Tuinmaterialen Bleiswijk B.V.,

vestigingsplaats: Bleiswijk,

verweerster,

gemachtigde: mr. G. van den Bosch.

De partijen worden hierna ‘werknemer’ en ‘werkgever’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

het verzoekschrift van werknemer, met bijlagen;

het verweerschrift van werkgever, met bijlagen;

de akte wijziging/vermeerdering verzoek, met bijlagen;

de spreekaantekeningen van de gemachtigde van werknemer.

Op 8 september 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig werknemer met mr. A.J. Jansen en namens werkgever [naam] ( [functie-aanduiding] ) met mr. G. van den Bosch.

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

Werknemer werkte sinds 1 november 2025 bij werkgever als verkoopadviseur. Werknemer heeft zich op 19 juni 2026 ziekgemeld wegens rugklachten. Op 8 juli 2026 heeft de bedrijfsarts een adviesrapportage uitgebracht. Daarna heeft werkgever werknemer opgeroepen om op het werk te verschijnen om vervangende werkzaamheden te verrichten en daarna aangegeven dat er een loonstop zou volgen als werknemer deze werkzaamheden niet zou komen verrichten. Werknemer heeft vervolgens aangegeven de werkzaamheden niet te hervatten omdat hij eerst een arbeidsdeskundig onderzoek wilde. Werkgever heeft het loon stopgezet per 10 juli 2026. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 september 2026.

Werknemer verzoekt bij voorlopige voorziening dat werkgever wordt veroordeeld het achterstallige loon over de periode 10 juli 2026 tot 1 september 2026 aan werknemer te betalen met de wettelijke verhoging. Verder vraagt werknemer de wettelijke verhoging over het op 14 augustus 2026 alsnog betaalde loon over de periode van 1 tot en met 9 juli 2026 en de wettelijke rente over de aanzegvergoeding, over het loon over de periode van 1 tot en met 9 juli 2026 en over het achterstallige loon over de periode van 10 tot en met 31 juli 2026 en augustus 2026 met de wettelijke verhoging. Tot slot wil werknemer dat werkgever de eindafrekening, de advocaatkosten van werknemer en de proceskosten betaalt.

Werkgever moet de eindafrekening betalen en buitengerechtelijke incassokosten. De andere verzoeken van werknemer worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.

Loon

Tussen partijen is niet in geschil dat werkgever inmiddels de aanzegvergoeding met rente en het loon over de periode van 1 tot en met 9 juli 2026 met de wettelijke verhoging en rente heeft betaald. Daarover hoeft dus niet meer te worden beslist.

Wat verder nog resteert is de loonbetaling vanaf 10 juli 2026 tot en met 31 augustus 2026. Daarbij is tussen partijen in geschil of de loonstop vanaf 10 juli 2026 terecht is opgelegd.

Anders dan werkgever aanvoert, geldt er in dit geval geen verplichting voor de werknemer om een deskundigenoordeel over te leggen. De loonvordering over de periode vanaf 10 juli 2026 betreft een voorlopige voorziening. Het vereiste van artikel 7:629a lid 1 BW geldt niet in procedures bij voorlopige voorziening.

In de adviesrapportage van de bedrijfsarts van 8 juli 2026 staat:

“Medewerker is uitgevallen met fysieke beperkingen. Deze manifesteren zich in het houding- en bewegingsapparaat en specifiek de r.g. Oefentherapie is gaande. Er is nog geen teken van herstel. Ik adviseer de behandeling doorgang te laten vinden.

Wat betreft werkhervatting/ re-integratie hebben medewerker en ik de conclusie moeten trekken dat eigen werk niet meer haalbaar is in de toekomst. Medewerker verkeert in de situatie dat hij elders een andere baan aangeboden heeft gekregen, die veel passender is inzake zijn medische beperkingen. Werkgever zou daar echter (nog) niet mee akkoord zijn.

Mijn adviezen zijn als volgt.

Ik raad werkgever, dringend, aan om zijn/haar visie te veranderen en medewerker naar de andere baan te laten gaan. Zo niet, wil ik medewerker terugzien om een arbeidsdeskundig onderzoek voor te stellen voor een re-integratie traject naar ander werk. De arbeidsdeskundige zal de mogelijkheden voor ander werk binnen het eigen bedrijf onderzoeken (spoor I). Indien dit niet mogelijk is, zal spoor II worden voorgesteld: ander werk bij een andere werkgever: waar nu dus een korte en vooral gratis weg voor op tafel ligt.

Verder begrijp ik van medewerker dat er sprake zou zijn van zwaar tilwerk. Hij deelde mede tegels die meer dan 23 kilo wegen van en op de schappen moet tillen ter demonstratie. De arbo-wet verbiedt echter tillen van gewichten, meer dan 23 kilo. De reden daarvoor, zie ik ook regelmatig in mijn spreekkamer: mensen die zich letterlijk kapot hebben getild in hun leven, vlak voor hun pensioen staan en vrijwel immobiel zijn geworden. Ik adviseer werkgever om een werkplekonderzoek in te zetten voor tilhulpmiddelen.

Medewerker kan medisch gezien per direct, voor eigen contract-urenbelasting hervatten in vervangende werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen. Frequent/langdurig buigen, strekken, torderen, tillen, duwen, trekken, klimmen, fysieke trillingen en langdurig in 1 houding actief zijn te vermijden. Vriendelijk verzoek ik medewerker en werkgever om onderling de mogelijkheden voor werk af te stemmen en een datum voor werkhervatting vast te stellen. Vooralsnog heb ik geen FML gemaakt voor medewerker. Ik adviseer werkgever om bovenstaande te heroverwegen. Als de keus erop valt om toch de re-integratie door te zetten, dan wil ik medewerker terugzien op een fysiek spreekuur voor een FML.”

Dit rapport lijkt voor een deel tegenstrijdig te zijn. Aan de ene kant wordt een arbeidsdeskundig onderzoek geadviseerd als werknemer niet op korte termijn weggaat bij werkgever en aan de andere kant wordt gezegd dat werknemer per direct, voor de volle omvang van zijn eigen contracturen, weer aan het werk kan gaan in vervangende werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen.

Het is begrijpelijk dat hierover bij werknemer verwarring is ontstaan. Hij heeft daarover vervolgens meer duidelijkheid gevraagd. Die duidelijkheid heeft de casemanager van de arbodienst ook gegeven. Werknemer schreef het volgende: “(…) mijn huidige werkgever is van mening dat ik per morgen, 10-07-26, weer zou kunnen starten met mijn werk, weliswaar met aangepaste werkzaamheden. Hoe ik het adviesrapport lees; er zal eerst een vervolgafspraak ingepland moeten worden, voorafgaand aan een onderzoek dat plaats zal moeten worden vinden naar de werkzaamheden in mijn functie, binnen Snoei. Hieruit zal een conclusie komen wat mogelijk is. In de tussentijd zal er ter bevordering van mijn herstel, en tegelijk voor het behoud van mijn gezondheid, geen arbeid plaatsvinden.”

Op deze e-mail van werknemer heeft de casemanager van de arbodienst dezelfde dag gereageerd:

“U schrijft

In de tussentijd zal er ter bevordering van mijn herstel, en tegelijk voor het behoud van mijn gezondheid, geen arbeid plaatsvinden.

De bedrijfsarts schrijft

Medewerker kan medisch gezien per direct, voor eigen contract-urenbelasting hervatten in vervangende werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen.

Dit heeft uw niet goed geïnterpreteerd”

Werknemer kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat werkgever van hem verlangde dat hij, zonder rekening te houden met zijn beperkingen, per direct zou hervatten in zijn eigen werk. Voor zover het al zo is dat werkgever tijdens een telefoongesprek op 9 juli 2026 werknemer zou hebben gesommeerd om zijn eigen werk te gaan doen, zonder rekening te houden met zijn beperkingen – zoals werknemer stelt maar werkgever betwist – heeft werkgever in de brief van 10 juli 2026 duidelijk geschreven dat het gaat om vervangende werkzaamheden, rekening houden met de beperkingen van werknemer. In deze brief schrijft werkgever namelijk: “Naar aanleiding hiervan heb ik [verzoeker] 9 juli telefonisch gesproken en hem vervangende werkzaamheden aangeboden. (…) Concreet is in dit gesprek benoemd dat hij als vervangende werkzaamheden alleen de adviserende taken van zijn functie zal uitoefenen met daarbij veel aandacht voor afwisseling van de bewegingen als lopen, zitten en staan. Ook heb ik hem naar aanleiding van dit adviesrapport gevraagd om per 10 juli deze vervangende werkzaamheden te komen verrichten.”

En in de brief van 11 juli 2026 schrijft werkgever: “Wat ons betreft is het rapport van de bedrijfsarts volledig helder en kan per direct met re-integratie begonnen worden in de vorm van aangepaste werkzaamheden. Alle benodigde details over beperkingen en aangepaste werkzaamheden worden benoemd en kunnen bij ons worden toegepast in de aanpassingen.”

De kantonrechter is gelet op deze stukken van oordeel dat werknemer ten onrechte heeft geweigerd de aangepaste werkzaamheden te komen verrichten en verlangd heeft dat eerst arbeidsdeskundig onderzoek zou plaatsvinden. Weliswaar blijkt uit de adviesrapportage van 8 juli 2026 dat sprake was van beperkingen ten aanzien van frequent en langdurig buigen, strekken, torderen, tillen, duwen, trekken, klimmen, fysieke trillingen en langdurig in één houding actief zijn, maar dat dit tot gevolg had dat werknemer de door werkgever aangeboden aangepaste werkzaamheden niet kon verrichten, volgt daar niet uit. Werkgever heeft ook op de zitting toegelicht dat werknemer niet hoefde te tillen. Dat dit volgens werknemer niet realistisch was, omdat hij dan een collega zou moeten vragen om tegels voor de klanten te tillen, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Hij heeft het namelijk niet eens geprobeerd. Dat werknemer zich bezwaard zou voelen om een collega te vragen en het ‘klantonvriendelijk’ zou kunnen zijn om een klant te laten wachten terwijl werknemer een collega zou vragen om een of meer tegels te tillen, is ook geen gegronde reden om het aangepaste werk te weigeren. Dat werknemer eind 2025 minder goede ervaring bij werkgever zou hebben gehad, omdat hij last van zijn rug had maar toch zwaar bleef tillen, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Ook daarover heeft werknemer ter zitting verklaard dat hij toen geen hulp heeft gevraagd bij het tilwerk. De slotsom is dan ook dat werkgever het loon van werknemer terecht heeft stopgezet vanwege het weigeren van passende werkzaamheden.

Eindafrekening

Werknemer verzoekt om betaling van de eindafrekening binnen vier weken na 1 september 2026, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente als werkgever niet tijdig betaalt.

De arbeidsovereenkomst is op 1 september 2026 geëindigd. Werkgever heeft al voor de beëindiging toegezegd binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een eindafrekening op te stellen. De zitting vond plaats op 8 september 2026. Op dat moment was deze termijn nog niet verstreken. Werkgever zal daarom worden veroordeeld om, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de eindafrekening binnen een maand na 1 september 2026 te betalen.

De wettelijke verhoging wordt afgewezen. Op het moment van de zitting was nog geen sprake van een te late betaling. Voor zover de eindafrekening niet uiterlijk op 1 oktober 2026 is betaald, is vanaf 2 oktober 2026 wettelijke rente verschuldigd.

Advocaatkosten

Werknemer verzoekt om betaling van € 4.331,20 aan advocaatkosten op grond van artikel 7:611 BW en artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c BW. Hij stelt dat de totale advocaatkosten € 10.197,89 bedragen en daarvan ziet € 4.331,20 op buitengerechtelijke werkzaamheden.

Het verzochte bedrag wordt afgewezen. Dat werkgever eerst na tussenkomst van de advocaten van werknemer bepaalde bedragen heeft betaald, betekent niet zonder meer dat werkgever de advocaatkosten moet vergoeden. Voor zover de advocaatkosten zijn gemaakt vanwege de loonstop, bestaat daarvoor geen grond. Zoals hiervoor is overwogen, was de loonstop terecht. Werknemer kan de kosten die hij in verband daarmee heeft gemaakt dus niet op werkgever verhalen. Voor het overige heeft werknemer onvoldoende uitgelegd welke werkzaamheden buiten de procedure zijn verricht en welk deel van de kosten daarop ziet. Ook dat de advocaatkosten op grond van schending door werkgever van zijn verplichting om zich als een goed werkgever te gedragen voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, heeft werknemer onvoldoende onderbouwd.

Werknemer heeft wel recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, omdat werkgever de aanzegvergoeding met rente en het loon van 1 tot en met 9 juli 2026 met wettelijke verhoging en rente pas heeft betaald na tussenkomst van de advocaten van werknemer. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van het totaal van deze bedragen, namelijk € 4.567,49 (de aanzegvergoeding van € 3.350,- met de rente van € 28,35 en het loon over 1 tot en met 9 juli 2026 van € 913,64 met de wettelijke verhoging van € 274,09 en de wettelijke rente van € 1,41). Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 703,92 toegewezen.

Proceskosten

De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Werkgever heeft een deel van de door werknemer verzochte bedragen pas na het indienen van het verzoekschrift betaald, namelijk het loon van 1 tot en met 9 juli 2026 met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en de aanzegvergoeding met de wettelijke rente.

Uitvoerbaar bij voorraad

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt werkgever om, voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, aan werknemer te betalen binnen één maand na 1 september 2026 een correcte en gespecificeerde eindafrekening en voor zover de eindafrekening op 1 oktober 2026 nog niet volledig is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het nog openstaande bedrag vanaf 2 oktober 2026 tot de dag dat volledig is betaald;

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen € 703,92 aan buitengerechtelijke kosten;

bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het andere af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.

26975

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand