RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/707009 / HA ZA 25-824
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
ALLIANZ VERSICHERUNGS AG,
gevestigd te München (Duitsland),
eiseres,
advocaat: mr. W.M. van Rossenberg,
tegen
1. [gedaagde 1] .,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,2. [gedaagde 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,3. [gedaagde 3],
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,4. [gedaagde 4],
gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,
gedaagden,
advocaten: mrs. V.R. Pool en J.D.G. van der Vliet
Partijen worden hierna Allianz, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd. Gedaagden worden hierna samen [gedaagde 1] c.s. genoemd.
1. De zaak in het kort
Allianz, als verzekeraar van [bedrijf X] , spreekt [gedaagde 1] c.s. aan voor het verlies van een zending die over de weg binnen Nederland diende te worden vervoerd. Ook wil Allianz inzage in de vervoerovereenkomsten. [gedaagde 1] heeft de opdracht tot vervoer die zij van [bedrijf X] had gekregen uitbesteed aan [bedrijf Y] , die de opdracht tot vervoer weer heeft gegeven aan [gedaagde 2] . Vervolgens heeft [gedaagde 2] de opdracht tot vervoer verstrekt aan [gedaagde 4] .
Deze zaak draait om de vraag of Allianz recht heeft op inzage in de vervoerovereenkomsten en welk rechtsregime, en daarmee welke beperkingslimiet, op de vervoerovereenkomst van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Allianz geen belang bij inzage. Verder oordeelt de rechtbank dat de beperkingslimiet van Boek 8 van het BW van toepassing is en niet de beperkingslimiet van het CMR-verdrag, zoals Allianz primair stelt. [gedaagde 1] heeft het bedrag van de beperkingslimiet van Boek 8 van het BW al aan Allianz betaald en dus wijst de rechtbank de vorderingen van Allianz grotendeels af. [gedaagde 1] dient alleen nog de wettelijke rente over het bedrag van de beperkingslimiet aan Allianz te betalen.
2. De procedure
Het dossier bevat de volgende processtukken:
- de dagvaardingen, met producties 1 tot en met 5;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;- de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van 16 juli 2026;
- de zittingsagenda van 18 juni 2026;
- de akte overlegging producties in het kader van de mondelinge behandeling van Allianz, met producties 6 tot en met 13;
- het e-mailbericht van [gedaagde 1] van 3 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van Allianz en [gedaagde 1] c.s.
Vervolgens is vonnis bepaald.
3. De feiten
Allianz is de verzekeraar van de in Duitsland gevestigde [volledige naam bedrijf X] . (hierna: [bedrijf X] ). [bedrijf X] heeft van SQM 48 big bags met lithium hydroxide monohydrate gekocht. De big bags hebben een brutogewicht van 24.600 kilogram en het nettogewicht is 24.000 kilogram. De big bags bevonden zich in Westdorpe, Nederland.
[bedrijf X] heeft aan [gedaagde 1] opdracht verstrekt met betrekking tot het vervoer van deze zending van Westdorpe naar de locatie van [gedaagde 1] in Oosterhout, waar de zending diende te worden opgeslagen. De zending diende op 28 juni 2024 ten vervoer in ontvangst te worden genomen en diende dezelfde dag te worden afgeleverd op de locatie in Oosterhout.
[gedaagde 1] heeft de opdracht tot vervoer op haar beurt gegeven aan [bedrijf Y] (hierna: [bedrijf Y] ). [bedrijf Y] is niet in rechte betrokken bij deze procedure.
[bedrijf Y] heeft het vervoer uitbesteed aan [gedaagde 2] . Vervolgens heeft [gedaagde 2] de opdracht tot vervoer weer verstrekt aan [gedaagde 4] .
[gedaagde 3] is in het geheel niet betrokken geweest bij het vervoer.
Voor het vervoer is een vrachtbrief opgemaakt.
Een chauffeur van [gedaagde 4] heeft de zending op vrijdagmiddag 28 juni 2024 in ontvangst genomen. De chauffeur is vervolgens richting het losadres in Oosterhout gereden. Het losadres was op dat moment echter al gesloten. De chauffeur heeft de vrachtwagencombinatie waarin de zending zich bevond daarom diezelfde dag geparkeerd op een terrein gelegen aan de [adres] in ’s-Hertogenbosch. Op zondagavond 30 juni 2024 constateerde de chauffeur dat de oplegger met daarop de zending was verdwenen. Er is aangifte van diefstal gedaan bij de politie.
[bedrijf X] heeft [gedaagde 1] op 1 juli 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg hiervan heeft geleden.
Allianz heeft onder de verzekeringspolis in totaal een bedrag van € 293.788,00 aan [bedrijf X] uitgekeerd. Onder de verzekeringspolis heeft [bedrijf X] een eigen risico van € 3.000,00.
[gedaagde 1] c.s. hebben op 19 juni 2026 aan Allianz een bedrag van € 81.600,00 betaald.
4. Het geschil
Allianz vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde 1] c.s., althans [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te gelasten inzage te geven in en alle documentatie te verstrekken betreffende de door hen/haar gesloten vervoerovereenkomsten waaruit het litigieuze schadegeval is voortgevloeid;
[gedaagde 1] c.s., althans [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te veroordelen terzake voormeld schadegeval verschuldigd aan Allianz te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van
a. primair $ 318.000,00, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands courant, te verminderen met het eigen risico van € 3.000,00 en te vermeerderen met de CMR-rente van 5% per jaar per 1 juli 2024,
b. subsidiair de CMR-beperking van SDR 204.918,00 althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands courant te vermeerderen met de CMR-rente per 1 juli 2024,
c. meer subsidiair de beperking van Boek 8 van het BW van € 83.640,00, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 juli 2024,
met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de (na)kosten van de procedure.
Allianz heeft haar eis op de zitting verminderd met een bedrag van € 81.600,00, gelet op de betaling van [gedaagde 1] c.s. aan Allianz.
Allianz heeft aangevoerd dat zij in de rechten van [bedrijf X] is getreden nadat zij de schade onder de verzekeringsovereenkomst aan [bedrijf X] heeft uitgekeerd. Allianz stelt dat zij begrijpt dat [gedaagde 1] als expediteur is opgetreden, omdat zij zich na het schadegeval als expediteur heeft gepresenteerd. [gedaagde 1] heeft niet voldaan aan de op haar rustende verplichting uit artikel 8:63 lid 1 BW om inzage te geven in de vervoerovereenkomst die zij heeft gesloten. Allianz heeft belang bij inzage in de vervoerovereenkomsten om vast te stellen welk rechtsregime, en daarmee welke beperkingslimiet, op de diverse vervoerovereenkomsten van toepassing is. Volgens Allianz komt aan [gedaagde 1] c.s. echter geen beroep op de beperking toe en Allianz vordert daarom primair het volledige schadebedrag dat zij aan [bedrijf X] heeft uitgekeerd. Op de zitting heeft Allianz afstand gedaan van het beroep op doorbreking van de beperkte aansprakelijkheid. Subsidiair is volgens hen de beperkingslimiet uit het CMR-verdrag van toepassing, omdat een CMR-vrachtbrief is afgegeven. Meer subsidiair geldt de beperkingslimiet van Boek 8 van het BW.
[gedaagde 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Allianz in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Allianz, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Allianz in de (na)kosten van de procedure. [gedaagde 1] c.s. hebben Allianz inzage gegeven in de relevante transportopdrachten. [gedaagde 1] c.s. hebben in eerste instantie betwist dat Allianz actief gelegitimeerd is ten opzichte van [gedaagde 1] , maar dit verweer hebben [gedaagde 1] c.s. op de zitting prijsgegeven. Ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betogen [gedaagde 1] c.s. dat Allianz onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van de beweerdelijke aansprakelijkheid. Verder hebben [gedaagde 1] c.s. aangevoerd dat op de vervoerovereenkomst met [bedrijf X] het regime van Boek 8 van het BW van toepassing is, aangezien sprake is van binnenlands vervoer over de weg. Het bedrag van de beperkingslimiet van Boek 8 van het BW heeft [gedaagde 1] al aan Allianz betaald.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
de rechtbank Rotterdam is bevoegd
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Allianz in Duitsland is gevestigd en [gedaagde 1] c.s. in Nederland. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil en zo ja, welk recht daarop van toepassing is.
De Nederlandse rechter is bevoegd om van de vorderingen van Allianz kennis te nemen, omdat [gedaagde 1] c.s. in Nederland zijn gevestigd (artikel 4 Brussel I-bis). Deze rechtbank is bevoegd, omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de gemeente Rotterdam zijn gevestigd en er voldoende samenhang bestaat met de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 4] (artikel 99 jo. artikel 107 Rv).
Nederlands recht is van toepassing
De rechtbank bepaalt het toepasselijk recht aan de hand van Rome I-Vo. Allianz baseert haar vorderingen op een overeenkomst voor het vervoer van goederen over de weg. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt zoals bedoeld in artikel 3 Rome I-Vo. Op grond van artikel 5 lid 1 Rome I-Vo geldt daarom dat de vervoerovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de vervoerder haar gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. In dit geval hebben alle potentiële vervoerders hun gewone verblijfplaats in Nederland en is de plaats van aflevering ook in Nederland gelegen. Dat betekent dat Nederlands recht, meer in het bijzonder Boek 8 van het BW, van toepassing is op de vervoerovereenkomst.
het CMR-verdrag is niet van toepassing
De rechtbank oordeelt dat het CMR-verdrag niet van toepassing is op de vervoerovereenkomst. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van internationaal wegvervoer waardoor het CMR-verdrag dwingendrechtelijk van toepassing is. Voor zover de zending uiteindelijk naar de locatie van [bedrijf X] in Duitsland had moeten worden vervoerd, had het op de weg van [bedrijf X] gelegen om bij het verstrekken van de opdracht tot vervoer aan [gedaagde 1] duidelijk te maken dat het om internationaal wegvervoer ging. Dat heeft zij echter niet gedaan. De enige afspraak tussen [bedrijf X] en [gedaagde 1] was de opdracht tot vervoer binnen Nederland en de opslag van de zending in het warehouse van [gedaagde 1] in Oosterhout. Zoals [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, was er geen indicatie dat sprake was van een doorgaande zending naar Duitsland.
Partijen kunnen het CMR-verdrag op zichzelf van toepassing verklaren op een overeenkomst die niet een internationaal karakter draagt. Een dergelijke keuze zal slechts kunnen bewerkstelligen dat dwingendrechtelijke bepalingen, zoals bepalingen over de beperking van aansprakelijkheid, terzijde worden gesteld wanneer aan de vereisten van artikel 8:1102 lid 1 BW is voldaan. Volgens artikel 8:1102 lid 1 BW is nietig ieder beding waarbij de aansprakelijkheid van de vervoerder wordt vermeerderd, tenzij dit beding uitdrukkelijk en anders dan door een verwijzing naar in een ander geschrift voorkomende bedingen, is aangegaan bij een in het bijzonder ten aanzien van het voorgenomen vervoer aangegane en in een afzonderlijk geschrift neergelegde overeenkomst.
Allianz heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat partijen bij de opdracht tot nationaal vervoer het CMR-verdrag van toepassing hebben verklaard. Allianz verwijst enkel naar de vrachtbrief en stelt dat uit de vrachtbrief volgt dat partijen toepassing van het CMR-verdrag zijn overeengekomen. Op de vrachtbrief staat in de kop in een ovaal kader zowel het CMR als de AVC 2002 vermeld, waarbij pennenstrepen door de AVC 2002 staan. Partijen twisten over de vraag hoe dit moet worden opgevat. Allianz stelt dat uit de pennenstrepen door de AVC 2002 volgt dat een uitdrukkelijke keuze voor het CMR-verdrag is gemaakt en [gedaagde 1] c.s. stellen dat de pennenstrepen net zo goed een krul van akkoord kunnen zijn. Bovendien staat in de tekst van de vrachtbrief dat de AVC 2002 van toepassing zijn. De rechtbank kan deze discussie in het midden laten omdat lid 2 van artikel 8:1102 BW sowieso bepaalt dat een vermeerdering of vermindering van aansprakelijkheid nietig is indien dit voorkomt in een transportbrief. De conclusie is dan ook dat het CMR-verdrag niet op de vervoerovereenkomst van toepassing is.
Tot slot geldt hieruit dat ook het AVC 2002 niet van toepassing is. Uit de transportopdracht blijkt namelijk niet dat partijen toepassing van de AVC 2002 hebben bedongen. Dit hebben [gedaagde 1] c.s. op de zitting erkend.
[gedaagde 1] is vervoerder
De rechtbank is van oordeel dat (alleen) [gedaagde 1] als vervoerder geldt. In de eerste plaats blijkt namelijk uit de transportopdracht tussen [bedrijf X] en [gedaagde 1] dat [gedaagde 1] vervoerder was. Daarnaast heeft [gedaagde 1] in deze procedure, anders dan in het voortraject na de aansprakelijkstelling door [bedrijf X] , in rechte erkend dat zij als vervoerder (en niet als expediteur) is opgetreden. Wat betreft het beroep van [gedaagde 1] op de Fenex-voorwaarden is op de zitting gebleken dat dit beroep uitsluitend ziet op de opdracht voor zover het de opslag van de zending betreft na uitvoering van de vervoerovereenkomst.
Verder overweegt de rechtbank dat er geen grondslag voor Allianz (meer) bestaat om [gedaagde 2] en [gedaagde 4] aan te spreken voor de schade als gevolg van het verlies van de zending. Allianz heeft namelijk op de zitting haar beroep op onrechtmatige daad laten vallen. Een andere grondslag voor haar vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] heeft Allianz niet aangevoerd. Dat betekent dat de rechtbank enkel de vorderingen van Allianz tegen [gedaagde 1] zal beoordelen.
Allianz heeft geen belang bij inzage in de vervoerovereenkomsten
Allianz vordert inzage in alle documentatie met betrekking tot de door [gedaagde 1] c.s. gesloten vervoerovereenkomsten waaruit het litigieuze schadegeval is voortgevloeid. Allianz stelt dat [gedaagde 1] als expediteur niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om aan [bedrijf X] te laten weten op welke basis zij heeft gecontracteerd met [gedaagde 2] en op welke basis [gedaagde 2] heeft gecontracteerd met [gedaagde 4] .
Zoals uit r.o. 5.8 volgt, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet als expediteur, maar als vervoerder is opgetreden. De rechtbank overweegt dat de verplichting om mededeling te doen over met welke vervoerder(s) er is gecontracteerd niet alleen geldt voor de expediteur, maar ook voor de papieren vervoerder kan gelden. De mededelingsplicht van de expediteur van artikel 8:63 BW is gebaseerd op het feit dat de expediteur anders dan zijn opdrachtgever weet in welke handen de zaken zich hebben bevonden en wie geacht kan worden op de hoogte te zijn van wat er met de zaken is gebeurd. Ook in het geval van een papieren vervoerder, zoals hier [gedaagde 1] , kan de afzender er belang bij hebben om te weten met welke vervoerder(s) de papieren vervoerder op haar beurt heeft gecontracteerd en door welke vervoerder de zaken uiteindelijk zijn vervoerd.
Echter, de rechtbank oordeelt dat Allianz in dit geval geen belang heeft bij inzage.
Allereerst geldt dat [gedaagde 1] c.s. alle vervoerovereenkomsten waarover zij stellen te beschikken al in het geding hebben gebracht. Dat zijn de opdracht van [gedaagde 1] aan [bedrijf Y] en de opdracht van [gedaagde 2] aan [gedaagde 4] . [gedaagde 1] c.s. hebben toegelicht dat er geen papieren opdracht bestaat tussen [bedrijf Y] en [gedaagde 2] , omdat deze vennootschappen tot hetzelfde concern behoren.
Toch stelt Allianz dat er mogelijk nog een raamovereenkomst zou kunnen zijn waarin het CMR-verdrag van toepassing is verklaard. Zij heeft er belang bij om dat te weten te komen, aangezien in dat geval de beperkingslimiet uit het CMR-verdrag geldt, aldus Allianz. [gedaagde 1] c.s. hebben betwist dat een dergelijke raamovereenkomst bestaat.
De rechtbank oordeelt dat van Allianz mag worden gevergd dat zij aanvoert waarom een redelijke grond bestaat dat [gedaagde 1] c.s. over de informatie beschikken. Allianz heeft hiervoor niets gesteld. De enkele hoop dat een dergelijke raamovereenkomst bestaat, komt in feite neer op een fishing expedition en biedt onvoldoende grond voor toewijzing van de inzagevordering.
Bovendien bestaat er in deze procedure geen grondslag (meer) voor Allianz om [gedaagde 2] en [gedaagde 4] aan te spreken, zoals volgt uit r.o. 5.9. Ook om deze reden heeft Allianz geen belang bij inzage in de vervoerovereenkomsten. De rechtbank zal de gevorderde inzage daarom afwijzen.
[gedaagde 1] heeft het bedrag van de beperkingslimiet al aan Allianz betaald
Verder vordert Allianz vergoeding van de schade die [bedrijf X] heeft geleden door het verlies van de lading, welke schade door Allianz aan [bedrijf X] is vergoed. Niet langer in geschil is dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade die [bedrijf X] heeft geleden. [gedaagde 1] was op grond van artikel 8:1095 BW verplicht om de zending op de bestemming in Oosterhout af te leveren en het staat tussen partijen vast dat dat niet is gebeurd. Daarmee is [gedaagde 1] tekortgeschoten in haar verplichting tot aflevering van de zending. Artikel 8:1105 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] in dat geval is beperkt.
Allianz heeft op de zitting afstand gedaan van haar beroep op doorbreking van de beperkte aansprakelijkheid. De rechtbank gaat daarom uit van de toepasselijkheid van de beperkingslimiet van Boek 8 van het BW. Op grond van artikel 1 van het Besluit ex artikel 1105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het Besluit) is de schadevergoeding die de vervoerder wegens het niet nakomen van zijn verplichting ex artikel 8:1095 BW is verschuldigd, beperkt tot een bedrag van € 3,40 per kilogram.
Partijen twisten over de vraag wat het bedrag van de beperkingslimiet precies is. Allianz stelt – meer subsidiair – dat de beperkingslimiet een bedrag van € 83.640,00 is, welk bedrag is berekend op basis van het brutogewicht van de zending van 24.600 kilogram. [gedaagde 1] c.s. hebben aan Allianz € 81.600,00 betaald, welk bedrag neerkomt op het beperkingsbedrag op basis van het nettogewicht van 24.000 kilogram.
De rechtbank is van oordeel dat voor de beperkingslimiet moet worden uitgegaan van een gewicht van 24.000 kilogram. Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van het in artikel 1 genoemde bedrag wordt uitgegaan, het op de vrachtbrief vermelde gewicht van de niet afgeleverde zaak is. Op de vrachtbrief wordt een totaalgewicht van 24.000 kilogram netto genoemd. Daarnaast staat op de vrachtbrief dat sprake is van 24 colli van zowel netto 1.000 kilogram als bruto (gross) 1.000 kilogram.
Dat betekent dat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] is beperkt tot € 81.600,00. Dat bedrag heeft [gedaagde 1] al aan Allianz betaald en Allianz heeft haar eis overeenkomstig verminderd.
[gedaagde 1] moet de wettelijke rente over het beperkingsbedrag nog betalen
Allianz vordert ook de wettelijke rente over de beperkingslimiet vanaf 1 juli 2024 (de dag waarop [bedrijf X] [gedaagde 1] aansprakelijk heeft gesteld). [gedaagde 1] heeft nog geen wettelijke rente over het bedrag van de beperkingslimiet aan Allianz betaald en heeft de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet bestreden.
De rechtbank zal de vordering tot betaling van de wettelijke rente daarom tegenover [gedaagde 1] toewijzen voor de periode vanaf 1 juli 2024 tot 19 juni 2026 (de dag waarop [gedaagde 1] het bedrag van de beperkingslimiet aan Allianz heeft betaald). De rechtbank zal de vorderingen van Allianz voor het overige afwijzen.
Allianz moet de proceskosten betalen
De rechtbank zal Allianz als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 1] c.s. De rechtbank begroot de proceskosten van [gedaagde 1] c.s. op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × tarief VI € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals genoemd in de beslissing)
Totaal
€
12.820,00
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).
6. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Allianz te betalen de wettelijke rente over een bedrag van € 81.600,00 vanaf 1 juli 2024 tot 19 juni 2026,
wijst de vorderingen van Allianz voor het overige af,
veroordeelt Allianz in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Allianz niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Allianz € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
44084/32